Tags

Interview Kelli van der Waals, Vrij Nederland, 1-12-22 [afgenomen op dinsdag 29 november]

‘Marxistisch feminist’ en ‘rebel philosopher’ Nancy Fraser geeft het kapitalisme ervan langs in haar onlangs verschenen boek Cannibal Capitalism. ‘We moeten een niet-kannibalistische relatie tussen mensen en winst bedenken.’

Het klinkt een beetje vreemd om Nancy Fraser helemaal aan het einde van een lang gesprek te horen spreken over ‘het verbinden van de puntjes’. Connecting the dots, die uitspraak hoort bij Steve Jobs sinds hij het zei in een beroemde inspirational speech. En Jobs, een van de uitzonderlijke winnaars van het kapitalisme, oprichter van het rijkste bedrijf ter wereld, symboliseert zo ongeveer de antithese van alles wat Fraser bepleit. Dat pleiten doet ze met eenzelfde mate van overtuiging en indringendheid als Jobs, overigens – het wordt misschien eens tijd ons massaal door háár te laten inspireren.

Nancy Fraser is hoogleraar aan The New School for Social Research in New York, en houdt zich al een carrière lang (ze is 75) bezig met de filosofie en politiek van recht, ongelijkheid, kapitalisme en feminisme. Ze wordt nu eens marxistisch feminist en dan weer rebel philosopher genoemd, en heeft een speciaal appeltje te schillen met het liberale feminisme.

Haar werk verbindt vooral de puntjes voor wie het ongemakkelijke vermoeden heeft dat er iets structureel mis is met de organisatie van onze samenleving – een vermoeden dat wordt onderstreept door de lange rijen voor de zorg en de kinderopvang; door de hoge winsten van energiebedrijven die gelijk opgaan met de energie-armoede van velen; door onze eigen uitputting en die van de aarde.

Nancy Fraser laat zien hoe dat allemaal samenhangt met het kapitalisme, en stippelt de eerste stappen uit voor een mogelijke weg naar een andere status quo. Ze vertelt erover met gusto, glashelder en grondig onderbouwd, vanuit haar werkkamer in de bergen van Vermont. Af en toe leunt ze met haar zilveren, vastberaden bob richting het scherm, als om haar boodschap nóg beter over te brengen. Achter haar de gele en bruine blaadjes van de Indian summer, broze vertegenwoordigers van wat zij aanduidt als de niet-menselijke natuur: een van de bronnen die het kapitalistische systeem dusdanig leegzuigt dat het systeem uiteindelijk ook zichzelf te gronde richt, beargumenteert Fraser in haar pas verschenen boek Cannibal Capitalism.

Kapitalisme is een soort Ouroboros, de mythische slang die in zijn eigen staart bijt. Die staart staat voor de natuur en onszelf. We zijn gewend het kapitalisme als een puur economisch systeem te beschouwen, maar we leven in een kapitalistische maatschappij, waarin de condities die we als ‘niet-economisch’ beschouwen de randvoorwaarden vormen voor het bestaan van de economie. Daarbij denkt Fraser aan gezinnen, gemeenschappen, natuur, staten en andere politieke instanties. ‘Al deze dingen maken deel uit van de sociale orde, en zonder hun input en steun zouden we geen kapitalistische economie kunnen hebben. Gezinnen en gemeenschappen, bijvoorbeeld, brengen de mensen voort die in fabrieken, de landbouw en dienstensector werken. Zij zorgen dat kinderen worden geboren, gesocialiseerd, onderwezen en verzorgd – de volgende generatie werkers. En zij zorgen dat de huidige arbeiders gevoed en gekleed worden, en kunnen uitrusten. Je hebt geen economische productie zonder dit gebied, dat door feministen wordt aangeduid als “sociale reproductie”. Je kunt geen winstgevende activiteiten hebben zonder de mensen die die ándere activiteiten uitvoeren.’

Hoe komt het dat we dat niet zo zien?

‘Dat is een eigenaardigheid van het kapitalisme. Vanaf het begin van zijn ontwikkeling heeft het kapitalisme altijd dingen van elkaar gescheiden, bijvoorbeeld het gezinsleven van het werkleven, wat impliceert dat wat er binnen het gezin gebeurt geen werk is. Het wordt niet erkend en vaak ook niet betaald. Kapitalisme scheidt de economie van het gezin, de natuur, de staat, en creëert een speciale zone waar alles in geld wordt omgezet, waar alles erop is gericht om kapitaal of winst te vergaren.’

Een beetje hypocriet, wel.

‘Het is pervers en tegenstrijdig. En uiteindelijk dus kannibaliserend. Want de economie is afhankelijk van deze ándere activiteiten, maar ontkent en verloochent hun economische waarde. En dat maakt dat economische actoren – bedrijven, firma’s, investeerders – geen verantwoordelijkheid hoeven te nemen voor het aanvullen van de hulpbronnen waarvan ze zichzelf bedienen. Ze hoeven niet te repareren wat ze kapotmaken: denk alleen al aan de schade die het milieu wordt toegebracht. Het systeem verzwelgt niet-economische goederen en bronnen en sociaal kapitaal, en laat ze aan hun lot over.’

En op die manier vreet het ook zichzelf op?

‘Ja. Want uiteindelijk mist het de toevoer waar het van afhankelijk is. Dan heeft het niet meer de bekwame en opgeleide werkkrachten die het nodig heeft, of de energiebronnen en zogenaamde ruwe materialen om producten mee te maken, of de regelgevende machten die het systeem draaiende houden, of de infrastructuur.’

Het klinkt als een toekomstscenario, maar ik denk dan aan Schiphol, waar mensen al maandenlang uren in de rij staan en hun vliegtuig missen vanwege een tekort aan personeel – personeel dat structureel werkte voor ondermaatse voorwaarden en vergoeding.

‘Precies een voorbeeld van kannibalistisch kapitalisme. De vliegmaatschappijen zullen een hoop geld hebben verloren aan deze vorm van onderinvestering.’

U maakt onderscheid tussen exploitation en expropriation – uitbuiting en onteigening.

‘Het marxistische idee van uitbuiting is dat de werkgever de leefkosten van de werknemer vergoedt. Wat er daarna overblijft van de toegevoegde waarde die de werknemer heeft gegenereerd, eist de werkgever op als winst. Maar het is een misverstand dat dat de enige manier is waarop winst wordt gemaakt. Het kapitalisme steunt ook op vormen van arbeid waar het niet voor betaalt. Dat heeft zijn wortels in slavernij en gebeurt nog volop in situaties van semi-vrije arbeid, zoals sweatshops, waar mensen geen arbeidscontract hebben en niet genoeg verdienen om in hun levensonderhoud te voorzien. Ook dat is een voorbeeld van het niet-aanvullen van de bronnen die het kapitalisme leegtrekt.’

Ook in ‘gewone’ banen, met een arbeidscontract, kan sprake zijn van onteigening, schrijft u, namelijk wanneer de leefkosten niet voldoende worden vergoed. Hoe verhoudt zich dat tot de huidige hoge inflatie?

‘Als het loon niet langer toereikend is door de enorme inflatie in woon-, voedsel- en energiekosten, en dat loon wordt niet verhoogd, dan word je niet alleen uitgebuit, dan wordt er wat van je afgenomen. De huidige situatie is heel troebel. In welvarende landen als Nederland en de VS hebben we in het midden van de twintigste eeuw een periode gekend dat een groot deel van de werkende klasse redelijk werd betaald. Tot in tenminste de jaren zeventig kon men in veel gevallen een gezin onderhouden van één salaris.’

Dat was voor mijn tijd.

‘Ik herinner het me nog. Maar dat is dramatisch veranderd. De goede voorwaarden waaronder mensen vroeger leefden, zijn we kwijt. Hun kinderen hebben niet dezelfde baanzekerheid en zekerheid van levensonderhoud. Ze moeten werken in slecht betaalde dienstberoepen en moeten zich vaak wenden tot leningen, via hun creditcard of mini-leningen.’

U heeft het over de uitgebuite-en-onteigende burger-werknemer, een nieuwe, zeer kwetsbare figuur die deze tijd heeft voortgebracht. Ook in Nederland en de VS.

‘Juist. In dat opzicht zou je kunnen stellen dat het verschil kleiner wordt tussen ons en bijvoorbeeld India, waar mensen uitzonderlijk hard moeten werken in fabrieken voor onvoldoende betaling. Natuurlijk, hun levensstandaard is veel lager, en op veel manieren hebben ze een veel zwaarder leven. Maar de manier waarop zij uitgebuit én onteigend worden, zien we ook steeds vaker in landen die we beschouwen als welvarend.’

‘Types als Trump hadden niet zo’n massale aanhang kunnen krijgen als mensen niet echt grieven hadden ervaren.’

Binnen deze welvarende landen schuiven steeds meer groepen naar een lagere levensstandaard, een levensstandaard die voorheen vooral bepaalde minderheden trof. Maar dat meer mensen zich in een soortgelijke situatie bevinden, leidt helaas niet tot meer begrip, schrijft u; u meent zelfs dat het zaken als racisme juist in de hand werkt.

‘Dat mensen nu weten hoe het is om zonder bepaalde zekerheden te leven, maakt ze niet per se begripvoller naar degenen die die zekerheden überhaupt nooit hebben gehad. Eerder ontstaat de angst gereduceerd te worden: “Nu word ik een van hen! O!” Ze willen niet zo zijn. En daar komt een paranoïde zwarte-schaapmentaliteit uit voort: “Als ik iets verlies, dan is dat omdat het aan hen wordt gegeven.”’

Is dat volgens u ook een reden dat populistisch rechts overal zo hard is gegroeid?

‘Ik denk dat het er een enorme factor in is geweest. Het heeft natuurlijk ook te maken met volksopruiers die er een slim spel mee weten te spelen. Maar types als Trump hadden niet zo’n massale aanhang kunnen krijgen als mensen niet echt grieven hadden ervaren. Mensen in de Rust Belt bijvoorbeeld, een belangrijk deel van Trumps achterban, hebben echt iets verloren aan zekerheid en welzijn. En dat is niet hun eigen schuld. Maar ze hebben de verkeerde diagnose gesteld over de oorzaak van hun pech en geven het zwarte schaap van de dag de schuld: zwarten, moslims, Joden, Mexicanen, wie dan ook. Terwijl ze zouden moeten wijzen naar het neoliberalisme. Dat is kapitalisme op steroïden, en heeft de relatie tussen het economische systeem en de politieke macht dusdanig veranderd dat niemand van de werkende klasse nog wordt beschermd.’

Waarom wenden die mensen zich niet tot links?

‘Links is er niet in geslaagd een narratief voort te brengen dat in duidelijke en toegankelijke woorden vertelt wat er echt aan de hand is en wat een echte oplossing zou zijn. Hier en daar wordt het in beslag genomen door politieke correctheid en voornaamwoorden en micro-agressie, en ziet het het grote plaatje niet meer. In Amerika hadden we twee zeer veelbelovende campagnes van Bernie Sanders, maar die kwam er niet doorheen bij de gevestigde centrist vleugel van de Democratische partij, die Joe Biden naar voren duwde.’

Het anti-klimaatsentiment op rechts ondersteunt het kannibalistisch kapitalisme. Hoe kan dat zo sterk zijn geworden?

‘Rechts heeft mensen ervan overtuigd dat het kiezen is tussen klimaatverandering en milieuschade tegengaan, of banen hebben. Mensen die niet weten of ze hun kinderen morgen wel te eten kunnen geven, verkiezen logischerwijs banen boven een lange-termijnkwestie als klimaat.’

Maar ze hebben het mis?

‘Het lijkt een zero-sum game – het voordeel van de een is het nadeel van de ander –, omdat we de regie geven aan energiebedrijven, die zwaar hebben geïnvesteerd in fossiele brandstoffen. Maar als we burgers de macht geven om zelf het energiebeleid in te vullen, in plaats van een kleine groep investeerders alles te laten bepalen, dan zouden we vrij makkelijk kunnen uitvogelen hoe een transitie naar stabiele, hernieuwbare energie eruitziet – eentje die veel goedbetaalde banen creëert. Dat is ook het idee achter de zogenoemde Green New Deal: het plan om energie als een publieke voorziening te behandelen, in plaats van als een industrie om winsten te genereren. Om het te organiseren in het publieke belang, dus om klimaatverandering een halt toe te roepen, maar ook het levensonderhoud, de zekerheid en het welzijn van mensen te waarborgen.’

Het lijkt me een moeilijke stap om te zetten. We hebben de kapitalistische retoriek zo verinnerlijkt, dat het eigenlijk heel redelijk wordt gevonden dat bedrijven geld verdienen ten koste van de planeet en van onszelf.

‘Ja, het is de gangbare redenering waar we nu al een paar honderd jaar mee leven, dus het is min of meer onze standaardinstelling geworden. En in “gewone tijden”, als het mensen min of meer lukt rond te komen, hebben ze geen reden om die aannames te bevechten. Maar in een tijd van acute crisis, als steeds meer mensen voelen: dit werkt niet – dan is er een kans om die aannames te bevragen. Om te zeggen: we zijn verkeerd bezig, het publieke belang wordt niet gediend als we een kleine klasse van investeerders en ondernemers fundamentele vragen laten beantwoorden, zoals waar ons energiesysteem op wordt gebaseerd, en wat telt als werk.’

Ja, wat telt als werk? Dan moeten we het over vrouwen hebben. In de jaren zeventig duwde het toen nieuwe neoliberale regime vrouwen de arbeidsmarkt op. Een grote emancipatieslag, of toch niet?

‘Daar kwamen twee processen samen. Aan de ene kant de heropleving van het feminisme, met de absoluut juiste veronderstelling dat er sprake was van een geïnstitutionaliseerde afhankelijkheid voor vrouwen van mannen. Het modelgezin had een werkende man en een huisvrouw. Dus vrouwen moesten onafhankelijk worden, met een eigen baan en eigen geld. Dat was een heel logische feministische redenering. Maar die beweging ging gelijk op met een ander proces, namelijk de neoliberalisering. Productie werd verplaatst naar lagelonenlanden, de vakbonden verzwakten en daarmee ook de zekerheden van de werkende klasse. Dus ja, vrouwen gingen werken. Soms omdat ze dat wilden, maar vaak ook omdat hun partner – als ze die hadden – niet meer genoeg verdiende.

Wat een grote emancipatieslag voor onafhankelijkheid moest worden, mondde uit in een nieuw soort afhankelijkheid. Nu moesten vrouwen alles doen, werken én het huishouden, en er zaten nog steeds maar vierentwintig uur in een dag. Inmiddels is een family wage niet meer de standaard, waar één salaris het hele gezin ondersteunt, maar spreken we van tweeverdieners. Dat betekent dat elk huishouden meer uren doneert aan betaald werk, voor lagere uurlonen, om dezelfde levensstandaard te houden, en vaak een lagere. Dat is onze bevrijding geweest: een crisis van tijd voor vrouwen, een crisis van levensstandaard, en de waanzin van multitasken.’

‘In een kapitalistische samenleving wordt boren naar olie en gas gesubsidieerd, en is er te weinig geld voor kinderopvang, onderwijs, gezondheidszorg, of zelfs goede wegen.;

‘Zorg werd afgeschoven op gezinnen en gemeenschappen, terwijl hun vermogen om daaraan te voldoen werd ondermijnd,’ schrijft u in Cannibal Capitalism. Dat raakte bij mij wel een snaar, als moeder van jonge kinderen.

‘Ja, want je tijd wordt weggetrokken van je kinderen en je gezin naar werk dat voor sommige mensen bevredigend is – jouw werk is dat waarschijnlijk, mijn werk beslist – maar voor veel mensen een verdovende ervaring, een kwelling, onder scherp toezicht, “ga sneller”.’

En als de zaken eerlijk verdeeld zijn tussen partners, wordt dat van allebei gevraagd.

‘Inderdaad. En je moet ook de inkrimping van publieke diensten meerekenen. Hoe is de situatie met kinderopvang in Nederland?’

Duur en lange wachtlijsten. Regelmatig worden groepen op crèches en scholen één of meer dagen gesloten omdat er niemand is om het werk te doen.

‘In een kapitalistische samenleving wordt boren naar olie en gas gesubsidieerd, en is er te weinig geld voor kinderopvang, onderwijs, gezondheidszorg, of zelfs goede wegen. Terwijl de rijkdom van die samenleving collectief wordt voortgebracht. We geven er te veel van weg aan private spelers die doen alsof zíj die rijkdom hebben gecreëerd. Dat deden ze door gezinnen te gebruiken, en de natuur, en de staat. We moeten het recht claimen om zelf te bepalen wat we doen met onze collectieve rijkdom.’

VERKEERD OM

Als we het hebben over vrouwen in de neoliberale tijd, moeten we het ook hebben over Sheryl Sandberg, de recentelijk afgetreden COO van Facebook. In 2013 schreef zij Lean In, een liberaal-feministische bestseller die vrouwen aanspoort een carrière na te jagen en genderrollen te doorbreken. De lat lag hoog: in de introductie schetst Sandberg hoe ze zwanger van haar eerste kind arriveerde op het parkeerterrein van Google, waar ze toen een hoge functie had. Vijfendertig kilo aangekomen, met opgezwollen voeten en geteisterd door heftige zwangerschapsmisselijkheid. Alleen achter op het terrein was een plekje te vinden, en ze moest rennen om op tijd op haar afspraak te komen, in de hoop dat ‘het enige wat uit mijn mond zou komen een verkooppraatje zou zijn’. De volgende dag regelde ze dat er speciale parkeervakken kwamen voor zwangere vrouwen – een hero’s journey die leidde tot betere parkeerplaatsen.

Samen met miljoenen andere vrouwen las ik destijds Lean In, en toen ik een paar jaar later zelf zwanger werd, stelde ik mezelf teleur omdat het niet altijd lukte om door de misselijkheid heen te pushen. In de jaren erna heb ik nog vaak het gevoel gehad dat ik de Sheryl Sandberg-standaard niet voldoende naleefde.

‘We’re not leaning in! O my God!’ lacht Fraser bij het horen van dit verhaal. Het klinkt haar bekend in de oren. ‘Dit is echt een probleem, want Sandbergs model legt de verantwoordelijkheid, de last om hiermee te dealen, bij de individuele vrouw. We zeggen tegen haar dat zíj moet inleanen en het fixen, en misschien ook een beetje andere vrouwen kan helpen in hetzelfde bedrijf. Hoewel ze vooral met ze moet wedijveren.’ Ze grinnikt. ‘Maar het systeem is de echte kwestie. Het systeem misbruikt de tijd die vrouwen en hun gezin toebehoort om het bedrijf te ondersteunen. Het hoort andersom te zijn! Het bedrijf hoort het gezin te ondersteunen. We doen het helemaal verkeerd om.’

Toch wordt dit idee volop gepropageerd, Lean In is maar één van vele voorbeelden. Ik denk ook aan het girlboss-ideaal, en de bewonderende kreet ‘How does she do it all?’

‘Samen met twee andere feministen heb ik het manifest Feminisme voor de 99 procent geschreven, om uitdrukking te geven aan een ander soort feminisme. Want Sandberg-feminisme – je kunt het ook bedrijfsfeminisme noemen, of feminisme voor de 1 procent, of misschien de 10 procent, als je wat genereuzer wilt zijn – is geen feminisme dat zoden aan de dijk zet voor de grote meerderheid van vrouwen en gezinnen. Gendergelijkheid betekent voor Sandberg dat ze gelijk wil zijn aan de mannen in haar klasse: de rijke corporate mannen. Maar daarmee blijft de rest nog steeds met een enorm ongelijke samenleving zitten. We moeten onze kijk op gelijkheid veel meer verbreden. Voor echte gelijkheid hebben we een systeem nodig dat productie niet van reproductie scheidt, en waarin reproductie niet wordt gekannibaliseerd ten behoeve van private winst. Het gaat om het opnieuw ontwerpen van het sociale systeem, niet om het inleanen van individuen.’

En ook niet om borstkolven – in uw boek beschreven als een instrument van het kapitalisme.

‘De borstkolf is een technologische fix voor een maatschappelijk probleem. In een maatschappij die zo is georganiseerd dat we niet eens tijd hebben om onze kinderen borstvoeding te geven, komt er vroeg of laat wel een of andere slimmerd langs die zegt: o, hier heb je iets waarmee je dat kan oplossen, zelfs terwijl je achter het stuur zit. Geen handen nodig, en je kan twee borsten tegelijk doen zodat het twee keer zo snel gaat. Het is een oplossing voor het zogenaamde work-life balance probleem. Het geloof in zulke technologische reddingsmiddelen is in de VS zo diepgeworteld, dat borstkolven worden vergoed door Obamacare. En dat wordt gezien als enorme winst.’

Silicon Valley is de plek waar veel hedendaagse ‘technologische oplossingen’ worden bedacht. De makers daar worden vaak gezien als helden, maar na het lezen van uw boek lijken ze me eerder antihelden.

‘Het heeft iets ironisch. Die sector is immens winstgevend, het toppunt van moderniteit en wetenschappelijke vooruitgang – en een ultiem voorbeeld van perversiteit en kannibalisme. Een bedrijf als Apple heeft maar weinig mensen echt in dienst. De productie van iPhones en dergelijke wordt gedaan door onderaannemers in China of elders. Dat zijn geen Apple-werknemers, ze krijgen geen van die beroemde arbeidsvoorwaarden. Ondertussen onttrekken dit soort bedrijven – ook Google en Meta – onze data en bouwen ze enorme opslagplaatsen met informatie over ons.’

We werken voor ze!

‘Precies. Weer een vorm van onteigening, ze plunderen onze intieme, persoonlijke keuzes en beslissingen en gesprekken, om beter gerichte advertenties te maken. Om ons meer te laten uitgeven.’

En we nemen levenslessen van hen aan. Van Sandbergs boek tot de speeches van Steve Jobs, het is allemaal ontzettend populair. Hoe gaan we de samenleving zover krijgen een nieuw systeem te bedenken?

‘Wat ik me voorstel, of waar ik op hoop, is de opkomst van een brede sociale beweging met een scherpe visie. Niet alleen feministen, ook klimaatactivisten, antiracisten, democratische activisten et cetera. Maar het feminisme zou wel een grote rol spelen, want wij zijn de “specialisten” als het gaat om de relatie tussen productie en reproductie, tussen betaald werk en gezinsleven. We moeten gaan bedenken hoe een niet-kannibalistische relatie tussen mensen en winst eruitziet, en tussen economie en de niet-menselijke natuur. En flink pushen voor een transformatie. Vooral een transformatie van het energiesysteem, dat is het sleutelpunt.’

Wie wint er eigenlijk bij het systeem zoals het nu is? De 1 procent, neem ik aan?

‘Right, right. De 1 procent zijn de grote winnaars, en dan zou je kunnen zeggen dat er nog zo’n negen procent bijkomt van de professionele managementklasse. Mensen met hoge salarissen op Wall Street en bij Google en dergelijke. Zij zouden ooit hun baan kunnen verliezen, maar voor nu hebben ze het behoorlijk goed, met pensioenopbouw en aandelenportfolio’s. Zolang de aandelenmarkt goed gaat, maakt het voor hen niet zoveel uit dat de rest van de voedselbank afhankelijk is.’

Maar u bent optimistisch?

‘Nou… Ik heb het gevoel dat we op de huidige manier in elk geval niet voort kunnen, en dat zich een verandering gaat voltrekken. De vraag is alleen: wie gaat die verandering bewerkstelligen, en op welk wereldbeeld is het gegrondvest? Het antwoord daarop hangt af van wat we doen. En we moeten doen alsof we kunnen winnen.

Of dat echt zo is, weet ik niet. Maar veel mensen zijn al actief op specifieke kwesties. Of het nu de burgers van Jackson, Mississippi zijn die na het recente waterschandaal daar strijden voor schoon drinkwater, of de werknemers van Starbucks en Amazon die vakbonden starten. Of de Black Lives Matter-beweging die zich sterk maakt tegen politiegeweld, of Extinction Rebellion in Nederland, met wie ik onlangs een interessante Zoom-conferentie had.

Het grote probleem zit hem volgens mij in het verbinden van de puntjes. Connecting the dots. Zoveel mensen doen waardevolle dingen, maar ze zijn verspreid, gefragmenteerd. Ze zijn niet met elkaar verbonden en drukken geen algemene visie uit die aan het brede publiek uitlegt wat er gaande is. Mijn boek is een kleine poging om die puntjes met elkaar te verbinden. Ik heb het geschreven zodat mensen die goed activistisch werk doen, beter het grote plaatje kunnen doorzien. Hoe zij erin passen, wie hun mogelijke bondgenoten zijn, en wie hun potentiële vijanden. Dat is wat er nu moet gebeuren. En hopelijk leidt het tot meer activisme, en slimmer activisme.’

*Een mooi en evenwichtig betoog en het is maar te hopen dat dit boek ‘Kapitalisme is pervers en tegenstrijdig’ de zwakheden van het huidige economische bestel en beleid een nieuwe impuls kunnen geven.

https://www.vn.nl/nancy-fraser-kapitalisme/

Advertisement