Huishoudelijke mededeling (update)

Tags

Wegens de voorbereidingen op een tentamen dat mij op 25 april a.s. wordt afgenomen over staatsrecht, zullen in deze periode geen blogs verschijnen.

Voor de goede orde: het betreft een herhalingstentamen omdat ik tijdens mijn studie politicologie in 1976 al een tentamen heb afgelegd, maar dat het dus nu gaat om over de actualisering van de toen opgedane kennis, én in combinatie met alle EU-wetgeving die sindsdien is gevolgd (en gegroeid).

En juist of ook door actuele ontwikkelingen zoals conflicterende grondrechten (binnen de Grondwet) en dan specifiek over art. 6 (vrijheid van godsdienst en levensovertuiging) en 7 (vrijheid van meningsuiting en censuurverbod) Gw, en de ontstane patstelling over islamitisch en vooral het salafistisch onderwijs in ons land een staatsrechtelijk verantwoord standpunt innemen.

Op basis van deze probleemstelling kan ik daarover in de toekomst publiceren en de Kamer daarmee mogelijk een helpende hand aanreiken.

Na 25 april wordt dus de dagelijkse ‘routine’ van gewone politieke blogs hier weer met genoegen opgepakt!

Advertisements

FvD komt niet in het provinciebestuur van Noord-Holland #dehaagsestemming

Tags

FvD komt niet in het provinciebestuur van Noord-Holland en haalt uit naar de VVD. Veiligheid en Justitie heet nu Justitie en Veiligheid en dat kost miljoenen. En ook werkgevers geloven het PBL niet meer.

Wouter van Loon, nrc.nl, 2-4-19

GEEN FVD, WEL GROENLINKS: Henk Otten, lijsttrekker voor Forum voor Democratie in de Eerste Kamer, sprak direct over de “ware aard van de VVD”. Informateur Hans Smits in Noord-Holland concludeerde gisteren dat een coalitie met FvD erin geen kans maakt. De partij van Thierry Baudet is in Noord-Holland de grootste, maar de verschillen met andere partijen zijn te groot om een coalitie te vormen, concludeert Smits. Dan gaat het met name om klimaatbeleid. Onderhandelen daarover zou zinloos zijn. Wat Smits betreft komt er nu een coalitie met de VVD en GroenLinks. Koren op de molen van FvD: Thierry Baudet zag twee jaar geleden al geen verschil tussen die twee partijen. Dat de VVD nu mogelijk niet met FvD, maar wel met GroenLinks gaat samenwerken, wordt dan ook breed uitgemeten op sociale media. Een voorproefje van wat de VVD kan verwachten als het straks ook in de Eerste Kamer moet samenwerken met GroenLinks. In Zuid-Holland hoopt Hans Wiegel wél een coalitie met de VVD en FvD te kunnen smeden.

FvD heeft nog geen idee hoe het politieke spel gespeeld moet worden, of speelt bewust de rol van slachtoffer. De Forum-onderhandelaars moeten zich bewust zijn dat de verkiezingen voorbij zijn en dat de fase van onderhandelingen zijn aangebroken met andere spelregels. Door te beweren dat (Forum) al ‘twee jaar geleden geen verschil zag tussen die twee partijen VVD en GL’, is natuurlijk onzin, want overduidelijk zichtbaar. Alleen hebben beide partijen nu, na de campagne hun knopen geteld en weten dat er met de principiële houding van FvD met zijn anti-klimaat- en milieu-investeringen geen zaken zijn te doen. Doe dan dus niet precies wat zij het partijkartel aanwrijft, namelijk deze praktijken zelf kopiëren. Elkaar wederzijds beschuldigen van idiotismen.

VenJ of JenV: Het was een subtiele verandering: de naam van het ministerie van Veiligheid en Justitie werd onder Rutte III veranderd in Justitie en Veiligheid. En toch kost die naamsverandering twee miljoen euro, schrijft de Volkskrant. De belangrijkste reden: iedereen krijgt een nieuw e-mailadres – @minvenj.nl is nu @minjenv.nl. Dat moest ook worden aangepast in alle systemen. Zoiets kan simpel worden opgelost door iedereen een mailadres van de Rijksoverheid te geven – na een naamsverandering hoeft het adres dan niet te worden aangepast. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat wist kosten te besparen. Dat heette eerder nog ‘gewoon’ Economische Zaken en heeft alle enveloppen nog eens door de printer gehaald om er ‘en Klimaat’ achter te zetten. In totaal hebben de naamsveranderingen van dit kabinet ruim 26 miljoen euro gekost.

Die bedragen zijn natuurlijk voor de bureaucratie een schijntje van wat de kolossale bedragen op de Rijksbegroting als vergelijking zijn en dus wordt er luchthartig over gedaan.

OP DE FIETS: Eind vorig jaar kwam de top van het bedrijfsleven nog in een geblindeerd busje naar een afspraak met Mark Rutte. Gisteren hadden de topmannen een voorbeeld aan de premier genomen en kwamen ze op de fiets naar het Catshuis. Ze hadden een dinerafspraak met Rutte en minister Wopke Hoekstra van Financiën. Onderwerp van gesprek was het vertrouwen in de financiële sector. Dat stond in oktober ook al op het programma – toen was de spanning om te snijden. ING had net een schikking voor 700 miljoen getroffen met justitie, Unilever verhuisde het hoofdkantoor tóch niet naar Nederland en het kabinet had net aangekondigd om de dividendbelasting tóch niet af te schaffen. De topmannen wilden deze keer laten zien dat het beter gaat: er wordt “hard aan gewerkt” het vertrouwen in de financiële sector te vergroten, benadrukten ze tegen een NOS-verslaggever bij het Catshuis.

ALPE D’HUEZ: Werkgeversorganisatie VNO-NCW gelooft de doorrekeningen van het Planbureau voor de Leefomgeving niet. Het planbureau berekende dat het ongeveer 15.000 euro kost om een huis energiezuinig te maken. VNO-NCW-voorzitter Hans de Boer vergelijkt zo’n investering in De Telegraaf met de beklimming van de Alpe d’Huez. “Het PBL praat alleen maar over de afdaling waarbij je je investering terugverdient. Maar je moet die Alpe d’Huez eerst nog op. Daar praten ze niet over.” Hij schat de kosten in op 60.000 euro per huis – maar dan wordt die woning helemaal klimaatneutraal én gasvrij. De Boer heeft wél vertrouwen in het Centraal Planbureau: hij wil het CPB alle klimaatmaatregelen nog eens laten doorrekenen op hun economische effecten. “Want daarin hebben we meer vertrouwen.”

Wat wordt er weer gezeurd…

EINDTOETS: Wanneer moeten basisscholieren hun advies voor de middelbare school te horen krijgen? In 2014 werd besloten dat scholieren het advies al in februari moeten krijgen, vóór de Cito-toets is afgenomen. Leraren hebben dan al een goed beeld van de scholier, een eenmalige eindtoets moet dat niet kunnen beïnvloeden, was het idee. Het advies mag na die toets alleen nog naar boven worden aangepast. D66-Kamerlid Paul van Meenen was daar voorstander van, maar hij is inmiddels van mening veranderd omdat het advies te vaak niet naar boven wordt bijgesteld als een leerling goed scoort. Nu pleit het Centraal Planbureau ervoor om die eindtoets tóch mee te nemen in het advies, schrijft Trouw. Goede kans dat het advies nu weer na de toets komt: ook VVD en CDA zijn daar voor.

QUOTE VAN DE DAG

“De grootste partij vandaag kan morgen afgebrand worden. Dat is het goed recht van de kiezer, maar het heeft gevolgen: het betekent dat ook steeds meer oud-medewerkers van politici worden afgeserveerd, waarna ze hun kennis van het wereldje op de arbeidsmarkt aanbieden.”

NRC-columnist Tom-Jan Meeus over medewerkers van politici die overstappen naar het bedrijfsleven.

Bijna een 1 aprilgrap als het niet het faillissement van het politieke bestel VK betekende/was @fd @eu

Tags

Lagerhuis wijst opnieuw alle alternatieven voor Mays brexitdeal af (Mathijs Schiffers, Buitenland/fd, 2-4-19)
https://fd.nl/economie-politiek/1295430/lagerhuis-wijst-opnieuw-alle-alternatieven-voor-mays-brexitdeal-af?utm_source=nieuwsbrief&utm_campaign=fd-ochtendnieuwsbrief_#126;SYSTEM.CAMPAIGNID126;_126;SYSTEM.MAILID126;&utm_medium=email&utm_content=20190402&s_cid=671

Globalisering

Tags

[Burkens, 2.7, 35-36] In toenemende mate problematisch wordt ten slotte in het huidige tijdperk van globalisering en grensoverschrijdende migratie de vraag ten opzichte van welke personen de sociale rechtsstaat verplichtingen op zich neemt, voor het heden en in het bijzonder voor de toekomst. Globalisering en (im)migratie brengen een zodanige vervluchtiging teweeg van wat als Nederlandse bevolking kan gelden, dat de overheid steeds minder bij machte lijkt te zijn om een verzorgingsstaat op een meer dan minimaal niveau te handhaven. De verzorgingsstaat waarborgt een pakket aan voorzieningen, deels met consequenties voor wat betreft de verre toekomst (bijvoorbeeld de AOW, pensioenen en zorgvoorzieningen), aan hen die tot de statelijke gemeenschap behoren. Die groep wordt als gevolg van globalisering en (im)migratie lastiger af te grenzen. De reactie van de overheid – naast de eerder geschetste doorgaande afslanking van de verzorgingsstaat – is tweeërlei.

Om te beginnen kunnen hier een aantal kanttekeningen worden geplaatst.

In de eerste plaats de verschijnselen van globalisering en grensoverschrijdende migratie en de relatie of consequentie voor de bestaande verzorgingsstaat. Natuurlijk zijn onder de huidige bepalingen van het (internationale) Vreemdelingenverdrag alle geratificeerde staten verplicht om asielaanvragen te onderzoeken en vervolgens toe te kennen, dan wel af te wijzen. Deze hiermee gepaard gaande kosten die op de Rijksvergroting worden verhaald, hebben dus gevolgen voor het totale jaarlijkse budget van het ministerie van Sociale Zaken en Vreemdelingenbeleid in het kader van de nationale verzorgingsstaat, en daarnaast het budget voor vreemdelingenopvang, een bedrag dat noodzakelijkerwijs oploopt als de juridische procedures vertraging ‘ondergaan’.

Dit is logisch en onvermijdelijk, maar al schrijvend kom ik tot de eerste vraag, waarop ik geen antwoord weet omdat ik mij op die vraag nooit heb toegelegd. De vraag luidt namelijk of er (jaar)grenzen bestaan in verband met alle en dus totale kosten die aan vreemdelingenkosten, of -uitgaven om het positiever te formuleren, worden gereserveerd? Of is er sprake van twee afzonderlijke budgetten, die van jaar tot jaar aangepast kunnen worden, afhankelijk van de debatten na Prinsjesdag, de Algemene Politieke Beschouwingen, dan wel de Algemene Financiële Beschouwingen.

Duidelijk is dat in 2015 met de eerste omvangrijke vluchtelingenstromen (mensenhandelaars hadden deze nieuwe ‘markt’ ontdekt en te gelde gemaakt) waardoor iedereen en zeker de autoriteiten van alle EU-lidstaten (en ook elders in de wereld) verrast en overvallen werden, er ‘nood’voorzieningen getroffen werden, en het Brusselse apparaat in een hogere versnelling moest gaan om oplossingen te vinden en te realiseren.

Maar mijn vraag heeft dan ook betrekking tot de vraag of er principiële Kamerdebatten werden gewijd aan of er maximale beleidsmatiges, dan wel financiële grenzen moesten worden ingesteld, en wel in verhouding tot het draagvlak dat verondersteld werd te bestaan onder de bevolking voor een dergelijk nieuw beleid. Vooral het ‘welkom’beleid van de Duitse bondskanselier, ingegeven vanuit menselijke overwegingen, werd in eerste instantie als vanzelfsprekend ervaren, maar snel ontstond een tegenbeweging van groepen uit de samenleving die meenden dat er teveel werd aangegeven aan die opvang. Overige principiële vragen zijn naar mijn herinnering nooit gesteld. Wel voldoende gehakketak binnen de politieke debatten over waar de financiële- en draagvlakgrenzen onder de bevolking lagen en wat dies meer zij.

Ik ben er ook zeker van (omdat ik er blogs over geschreven heb) dat er nooit openbaar werd gesproken wat we precies met die vluchtelingen aan moesten, uitgaande van de veronderstelling dat

1. Er een groep denkbaar was die uit pure nood bereid was op kortste termijn aan (ongeschoold) werk kon worden geholpen, zodat de last op de Rijksbegroting binnen een half jaar kun worden verminderd. De algemene ‘bereidheid’ om een willekeurige baan te accepteren zou echter niet voor de gemiddelde vluchteling gelden en dan doet zich de vervolgvraag voor: Deze categorie van bootvluchtingen dient ervan uit te gaan dat ze (kunnen) worden teruggestuurd zodra de omstandigheden in het land van herkomst als veilig beschouwd kunnen worden. Is daarover gesproken of niet?

2. Zo niet, dan zouden er wettelijke regelingen moeten worden vastgesteld om termijn vast te leggen en op die wijze duidelijkheid te scheppen naar de bevolking toe.

3. Natuurlijk, zoals allerwege werd gesuggereerd, is er ook sprake van een grote groep economische vluchtelingen, die alleen al vanwege het forse bedrag aan de mensensmokkelaars betaald moest worden afgedragen, als zodanig moesten worden aangemerkt zodat er geen sprake kón zijn van louter en alleen maar politieke vluchtelingen. Ook dit thema is volgens mij in politieke kring – lees: Kamerdebatten – nooit aan de orde geweest. En ik heb wel alle debatten thuis via de laptop gevolgd maar werd voortdurend gehinderd door afmattingsverschijnselen vanwege het onderlinge politieke gekakel tussen de Kamerfracties onderling.

Dat houdt geen burger vol. Kortom, zo wordt en werd altijd in ons land gedebatteerd en bestond er geen enkele aanleiding onder alle fracties om eens voor ‘één keer’ zakelijk te overleggen en tot besluiten te komen. Daarom bestaat er geen draagvlak onder het electoraat, want de politiek maakt het er zelf naar.

Wordt vervolgd

Monisme en dualisme

Tags

[Burkens c.s., 10.7] (257) De verhoudingen tussen regering en parlement wordt vaak beschreven met behulp van de begrippen monisme en dualisme. Van een dualistische verhouding spreekt men als elk van beide een eigen bevoegdheid en beslissingsvrijheid heeft. Van een monistische verhouding wordt gesproken wanneer een van beide de ander domineert. Een presidentieel stelsel is principieel dualistisch, een conventioneel stelsel monistisch. Bij een parlementair stelsel is dit niet bij voorbaat duidelijk; de situatie kan per land en zelfs per periode verschillen. Het Verenigd Koninkrijk (…)

‘In Nederland kunnen ministers, behalve wanneer ze demissionair zijn, geen deel uitmaken van het parlement (vgl. art. 57, tweede en derde lid, Gw) Regering en parlement hebben ook eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden, waarbij die van de regering vooral op het regelgevende en besturende vlak liggen en die van het parlement vooral het nauwlettend controleren van de regering tot strekking hebben. Toch kent Nederland geen (extreem) dualistisch stelsel. Doordat de formele wetgevende bevoegdheid tezamen wordt uitgeoefend en vooral door de werking van regeerakkoorden is er veel samenwerking tussen de regering en de fracties die haar ondersteunen. In veler ogen vertoont de verhouding tussen regering en parlementaire meerderheid zelfs (te veel) monistische trekken, met als gevolg dat de kwaliteit van de controle op het regeringsbeleid te beperkt is. Bij dit alles moet bedacht worden dat de verhouding tussen kabinet en oppositie inherent dualistisch is.

‘De termen monisme en dualisme worden primair gebruikt ter beschrijving van een bepaalde feitelijke situatie. De laatste jaren worden ze ook in een normatieve betekenis gehanteerd in die zin dat de verhouding tussen kabinet en parlement (meer) dualistisch zou dienen te zijn.

Het is inderdaad pijnlijk hoe het ‘normale’ dualisme door de regeringsfracties nooit wordt toegepast en wordt overgelaten aan de oppositiepartijen en daarin zie ik ook een oorzaak dat de bevolking zo ontevreden is over de politiek in het algemeen en het Kamerwerk in het bijzonder. Er wordt simpelweg niet uitgevoerd wat er in de Gw staat voorgeschreven en dat geldt voor ieder Kamerlid dat altijd namens de gehele bevolking spreekt en niet alleen namens zijn doelgroep. Daaruit ontstaat het voortdurend gehakketak en het vliegen afvangen dat dodelijk vermoeiend is voor het electoraat.

‘Inlichtingenplicht’ bewindslieden en de grenzen van die plicht die vaak onbekend zijn bij Kamerleden

Tags

[Burkens c.s. 10.6] (255/6) Art. 68 bevat een inlichtingenplicht voor de minister aan de Kamers der Staten-Generaal. Sinds 1987 geldt deze plicht ook ten aanzien van individuele Kamerleden. De ministers dienen alle inlichtingen te geven die door de Kamers of haar leden verlangd worden. Dat houdt in dat een minister dient te antwoorden op gestelde vragen en tevens gehouden is tot het geven van een toelichting en het argumentief verdedigen van zijn standpunten.

Dit is een actueel onderwerp en een ‘bijzondere’ want vage formulering in deze tekst van wat de wet bedoelt. Het vragen van inlichtingen is een dagelijkse praktijk en vaak dient om de minister eraan te herinneren dat er al een lange periode gewacht wordt op de gevraagde informatie.

Vaak worden de vragen ook afgedaan met alleen een ‘ja’ of ‘nee’ of hooguit een heel korte toelichting. Maar dat hangt ook waarschijnlijk samen met het feit dat er een gewoonte van is gemaakt om een stortvloed van vragen om inlichtingen aan de minister te stellen en de vraag is of dat wel zo nuttig is. Het een hangt samen met het ander en dat bewijst bijna dat de regering er in de prakrijk vaak geen serieus werk van maakt.

En dat lokt een tegenreactie van de Kamer op door onnodig veel vragen te gaan stellen door het groeiende leger van ontevreden Kamerleden. Het een lokt het ander uit en zo ontstaat een misbruik van het inlichtingenrecht. Ook het ‘argumentief verdedigen’ van standpunten van bewindslieden is vaak een lachertje. Kortom, een circusact.

(256) Er zijn twee grenzen aan de inlichtingenplicht. Allereerst zal een minister geen informatie kunnen geven die het geheim van de Kroon zou schenden; de positie van het staatshoofd moet beschermd blijven. Van groter praktisch belang is de verschoningsgrond neergelegd in art. 68 Gw. Een minister kan een antwoord weigeren met een beroep op het belang van de staat. Of een minister een beroep op het belang van de staat. Of een minister een beroep doet op deze bepaling staat primair te zijner beoordeling, hoewel op grond van een interne richtlijn deze kwestie allereerst in de ministerraad besproken zal worden. Indien de Kamer problemen heeft met het beroep op het belang van de staat, kan zij haar ongenoegen altijd laten blijken door een wantrouwensvotum uit te spreken.

Omvang verantwoordingsplicht Het staatsrecht is dus voor wat betreft de ministeriële verantwoordelijkheid duidelijk. In de praktijk wordt dit beeld echter vertroebeld doordat Kamerleden gebruik makend van hun inlichtingenrecht, ministers ook allerlei vragen stellen die geen betrekking hebben op de bevoegdheden van de minister, maar op bevoegdheden van bijvoorbeeld gemeentebesturen. Ministers geven vaak antwoord op dergelijke vragen. Hoe is nu de reactie van dit inlichtingenrecht tot de ministeriële verantwoordelijkheid? De meerderheid van de literatuur en de politieke praktijk gaat (impliciet) uit van de opvatting dat de inlichtingenplicht niet geheel parallel loopt met de ministeriële verantwoordelijkheid. Dat heeft als gevolg dat de minister alle vragen dient te beantwoorden, over welk onderwerp dan ook. [Vreemde gang van zaken] Er is echter wel een verschil in intensiteit van de antwoordplicht. Zolang er geen bevoegdheden in het geding zijn, is de minister niet gehouden tot verdediging van de gang van zaken. Op de vraag of hij zich met een individueel probleem wil gaan bemoeien dat buiten zijn bevoegdheden ligt [maar voor binnen zijn bevoegdheid geldt dat over privé personen niet gesproken wordt], bijvoorbeeld door het schrijven van een brief aan wel bevoegde autoriteiten, kan en mag de minister ontkennend antwoorden. Dit bijvoorbeeld met als argument dat er hoge kosten of grote inspanningen mee gemoeid zijn. Bij dit alles moet bedacht worden dat ook bij Kamervragen die geen betrekking hebben op concrete bevoegdheden van de minister, de ministeriële verantwoordelijkheid op de achtergrond wel een rol kan spelen. Bijvoorbeeld omdat geprobeerd wordt te achterhalen hoever de bevoegdheden van de minister strekken, wat hij binnen deze bevoegdheden wenst te doen of, indien er geen bevoegdheden zijn, om te vernemen van de minister of hij van plan is zijn algemene bevoegdheid met wetgevingsinitiatieven te komen te gebruiken, zodat hij wel specifieke bevoegdheden verkrijgt.

De conclusie van dit alles is dat het inlichtingenrecht weliswaar ruim is, maar dat de minister terughoudend kan zijn in de beantwoording van vragen en het ondernemen van actie op vragen voor zover zijn bevoegdheden niet in het geding zijn.

Een regelmatig bezoeker van de Kamerdebatten via Politiek24 zal hebben ervaren dat er met enige regelmaat botsingen plaatsvinden tussen een bewindsman en Kamerleden, en dan noem ik met name de SP-Kamerleden die geen andere middelen of methoden zien (bijvoorbeeld door de vragen anders te stellen/formuleren, meer logica in het betoog of redenering aan te brengen, of duidelijk een positieve intentie uit te spreken, in plaats van emotionele oproepen te doen, die vrij ongebruikelijk zijn of zelfs misplaatst vanwege het zakelijke karakter van het debat. Het versterkt de hulpeloosheid van een meestal op een specifiek terrein onervaren Kamerlid, die niet aanvoelt wat kan en niet kan.

Overgangspolitiek: hoe gaan we om met deze politieke transitie? Hoe vernieuwen we? @trouw #politieketransitie

Tags

Stelling: Het enige wat duidelijk is dat de oude klassieke 19eeeuwse ideologieën niet meer voldoen en een natuurlijke dood zullen sterven, hetgeen van toepassing is voor VVD, CDA, PvdA en SP als de meest uitgesproken representanten. Er komen geen nieuwe ideologieën voor terug, want het wordt nu de tijd voor nieuwe politiek van themagerichtheid. Maar er zijn wel voorbeelden traditioneel-achtige partijen zoals GL en D66 die sporen van nieuwe politiek in originele vorm met authenticiteit laten zien. En nieuwe lineair-themagerichte bewegingen als PVV, PvdD, 50Plus, Denk én FvD (en met deze laatste partij hoor ik al verbazing ontstaan; maar de impulsieve nostalgie die deze partij kenmerkt, zal maken dat het een korte-trend beweging vergelijkbaar met PVV zal blijken te zijn) zijn geen lang leven beschoren vanwege hun gebrekkige agenda, waarin niet alle politieke knelpunten adequaat kunnen worden aangepakt en overgedragen. SGP bestaat bij de gratie van de stabiele en principiële achterban.

Hoog tijd voor nieuwe fusies in de politiek (Hans Goslinga, Katern de Verdieping/Trouw, 30-3-19)

‘De draad is dat de gevestigde partijen in zulke overgangstijden verzwakt zijn. Zij hebben geen antwoord op de nieuwe problemen of zijn nog uitgeput van de voorbije slagen. Of ze zijn te zelfvoldaan en argeloos. PvdA en VVD kregen hier de hardste klappen, net nadat zij in de jaren negentig de natie de ‘cultuur van tevredenheid’ hadden binnengeloodst. De sociaal-democraat Jan Pronk zei naderhand: “Wij waren zo druk bezig met de oude culturele agenda, dat we de problemen die de immigratie meebracht niet zagen.”

‘De westerse wereld zit nog midden in de overgang van de industriële naar een wereldwijde informatie-economie en kampt daarnaast met een migratie- en klimaatkwestie. De fragmentatie van het politieke krachtenveld kun je als een symptoom zien van de verwarring en onzekerheden die deze transitie meebrengt. De snelle opkomst van het Forum voor Democratie past in die dynamiek, net als de neergang van de volkspartijen die ruim een eeuw de staat droegen.

‘Het is moeilijk te zeggen of deze trend doorzet of dat het populisme voorbijgaand zal blijken en de traditionele partijen zich zullen herpakken. De culturele revolutie in de jaren zestig levert een voorbeeld dat leerzaam kan zijn. De christen-democratie, die door de ontzuiling en individualisering zwaar in het defensief raakte, kwam er dankzij een krachtenbundeling versterkt uit. Van de zeven nieuwkomers bleek alleen D66 een blijvertje. De VVD profiteerde eveneens van de culturele omwenteling en de welvaartsgroei, de sociaal-democratie hield stand.

Mijn antwoord is dat populistische partijen altijd van voorbijgaande aard zullen blijken te zijn omdat zij in dezelfde valkuil zullen vallen als de traditionele ideologische partijen: de bakens worden niet verzet vanwege die ándere verschijnselen van populisme, namelijk de angst voor de nieuw opgekomen partijen en daarmee zichzelf gevangene maken van het systeem of bestel, waartegen zij zichzelf afzetten.

Anderzijds ben ik het oneens met Goslinga over de potentie van traditionele partijen om zich te kunnen en zullen ‘herpakken’, maar dat is in ons tijdsgewricht van energie-, klimaat- en globaliserings- ofwel sociaaleconomische transitie onmogelijk vanwege de complexiteit van de huidige ontwikkelingen. Daar is geen politieke partij tegen opgewassen.

Daarom wordt dit tijdperk ook de ondergang van de georganiseerde traditionele politiek van onze partijen. Iedereen die nog op de trein ‘springt’ en meereist, maakt zichzelf tot gevangene van deze achterhaalde structuur van de representatieve democratie, die niet meer werkt. Het wordt dus een nieuw bestel van directe democratie via de digitale techniek waardoor de burger die belangstelling heeft en actieve betrokkenheid toont in mee kan draaien en ook deelneemt aan het besluitvormingsproces.

https://krant.trouw.nl/titles/trouw/8321/publications/599/articles/879051/39/1

Windmolen wekt energie op en agressie @nporadio1 #klimaatverandering @eu

Tags

Radio1, zaterdag 30 maart 2019, 09:15 uur

Wind tegen voor windmolens – MAX Nieuwsweekend – Intranet

De planning van windmolens in Groningen en Drenthe lijkt uit te lopen op een burgeroorlog.

Een indrukwekkende uitzending waarmee duidelijk wordt waar de communicatie tussen overheid en burger volledig uit de hand loopt.

Er is een ware tweestrijd aan de gang: boeren die flink verdienen aan de molens staan lijnrecht tegenover de burger die alleen maar ellende op zich af ziet komen. Bij ons is actievoerder van het eerste uur: Jan Nieboer van Tegenwind Veenkoloniën.

Persoonlijk ben ik voorstander van de energietransitie van fossiel naar duurzaam en waarin horen ook windmolens. Maar als deze techniek zo moeizaam ligt bij de bewoners en bewoners, dan moet daar echt met empathie naar geluisterd worden. En er zullen oplossingen gezocht moeten worden, linksom of rechtsom.

https://www.nporadio1.nl/nieuwsweekend/onderwerpen/495948-windmolen-wekt-energie-op-en-agressie

‘Nu is de steun voor Europa vanwege de brexit in veel EU-lidstaten het laatste jaar flink gegroeid, wil dat nog niet zeggen dat de liefde is toegenomen’ @fd @eu #frissegeluidennieuwehoogleraar

Tags

Deze analyse op basis waarvan hoogleraar VU vandaag haar oratie uitspreekt, is belangrijk genoeg deze geheel hierbij over te nemen opdat de lezer weet voor welke concrete uitdagingen de kiezer en dus het electoraat staat.

‘Je kunt niet van alle mensen kleine Europeaantjes maken’ (Han Dirk Hekking, Europa/fd, 29-3-19)

Pro-Europeanen die doof zijn voor het eurosceptische geluid, scheppen hun eigen nederlaag. Daarom heeft de Europese Unie dringend een debat tussen voor- en tegenstanders nodig over de toekomst van het samenwerkingsverband.

Dat zegt Catherine de Vries, hoogleraar politiek gedrag in Europa aan de Vrije Universiteit (VU) te Amsterdam, in een gesprek met deze krant. Vrijdag spreekt De Vries haar oratie uit getiteld Euroscepticisme en de toekomst van Europa.

Europa is een beetje slachtoffer van haar eigen succes, zo stelt De Vries daarin. Uit onwetendheid schrijven burgers de voordelen van EU-lidmaatschap aan nationaal beleid toe. Zeker in de EU-lidstaten waar het economisch en politiek goed gaat, zetten ze daardoor vraagtekens bij nut en noodzaak van de Europese samenwerking.

Nu is de steun voor Europa vanwege de brexit in veel EU-lidstaten het laatste jaar flink gegroeid, maar dat wil niet zeggen dat de liefde is toegenomen. Peilingen voor de Europese verkiezingen wijzen op grote winst voor eurosceptische partijen.

‘De Europese verkiezingen zullen dezelfde fragmentatiegolf tonen die je in de nationale politiek in veel EU-lidstaten ziet’, denkt De Vries. Maar van een eurosceptische machtsgreep zal geen sprake zijn, meent ze. ‘Als je alle eurosceptici bij elkaar optelt, krijg je waarschijnlijk de tweede groep in het parlement. Maar ze zitten niet allemaal bij elkaar; er is veel verdeeldheid.’

‘De Europese verkiezingen zullen dezelfde fragmentatiegolf tonen die je in de nationale politiek in veel EU-lidstaten ziet’• Politicoloog Catherine de Vries

Eurosceptici zijn er immers in soorten en maten. In haar oratie onderscheidt de politicologe drie stromingen. Er is het kamp dat van de Europese Unie af wil (neem Rassemblement National van Marine Le Pen of de PVV), er is een variant die sceptisch is over het Europese beleid (bijvoorbeeld het Spaanse Podemos), en een stroming die sceptisch is over Europese regels en procedures.

Het gaat erom om die oppositie constructief te krijgen, schetst De Vries. ‘Je loopt er nu tegen aan dat veel eurosceptici helemaal niet willen dat Europa functioneert. De brexit laat zien dat uitstappen niet fantastisch is. Dus krijg je ‘remain-sceptici’, mensen zoals de Italiaanse politicus Matteo Salvini die het systeem van binnenuit proberen uit te hollen.’

Was Brexit te voorkomen?

Had een breder debat over Europese integratie de brexit voorkomen? ‘Misschien, met de nadruk op misschien had het anders kunnen zijn als premier Cameron een positief beeld had geschapen over de EU’, zegt Catherine de Vries. ‘Zijn beeld was nu dat brexit een gemiddeld gezin £4300 per jaar zou kosten. Dat moet je niet doen: het is niet hetzelfde als voor Europa staan.’ De Vries, die tot vorig jaar in Oxford doceerde, vertrok zelf uit het VK vanwege brexit. ‘Het Home Office weigerde mijn dochter een Brits paspoort, op basis van een vormfout. Dat had ik juridisch kunnen aanvechten, maar daar had ik gezien alle polemiek omtrent EU-burgers geen zin in. Dus het werd Amsterdam.’

Zij denkt dat er meer debat tussen pro-Europese politici en sceptici nodig is, waarbij beide kampen duidelijk maken wat ze met Europa willen. ‘Want als je het niet over Europa hebt, speelt dat de niet zo constructieve eurosceptici in de kaart. Het debat met critici gaat nu niet over wat zij nou precies willen, het blijft bij ‘ik wil Europa niet’. Daar heb je niet zo veel aan. Je moet vragen: Oké Baudet (leider van Forum voor Democratie, red.), wat wil je dan wel? Wil je eruit, of misschien niet? En wat dan?’

Als Europese politici de oppositie ‘niet institutionaliseren’, en dus niet luisteren, ‘dan krijgt Europa de ene klap na de andere klap’, waarschuwt De Vries. ‘Er is geen uitlaatklep voor euroscepsis op Europees niveau’, analyseert ze. ‘Er is heel lang geen plek geweest voor discussie over modellen van integratie. Als je met de club meedoet, en je hebt bedenkingen, dan krijg je wat opt-outs, en dat is het dan.’

Een mooie en terechte uitspraak maar bijna zou je vergeten dat er een Europees Parlement bestaat, maar die functioneert niet zoals zou kunnen en dat moet dus ook gaan veranderen. Móet veranderen en niet ‘gewoon’ uitproberen want de Europese ambtenarij en diplomatie zou dit onzin vinden, maar dat is ook een vastgeroest bestuurlijk labyrint geworden waar niemand – behalve zijzelf – wat aan heeft. Een onwerkbare moloch.

Dat volstaat niet, vindt ze. De politicoloog heeft lovende woorden voor de aanpak van de Franse president Emmanuel Macron. Die durfde de verkiezingen uitgesproken pro-Europees in te gaan en maakte zo duidelijk waar hij stond. ‘Macron heeft voor de pro-Europese casus in twee jaar meer gedaan dan menig nationale politicus in vijftien jaar’, zegt ze. ‘Als je als politicus niet over de toegevoegde waarde van Europa wilt praten, dan krijgen mensen het gevoel dat de populisten een punt hebben.’

De Vries: ‘Je kunt niet van alle mensen kleine Europeaantjes maken. Maar als je pro-Europese politicus bent, moet je de hele tijd bezig zijn met het tonen van de directe meerwaarde van lidmaatschap van de EU.’

In Nederland valt het politieke engagement aan de pro-kant evenwel tegen, vindt de politicoloog. ‘Als je naar Nederland en Europa kijkt, gaat het om een verstandshuwelijk. We gaan er niet uit, want dat is te heftig. FvD, PVV en SP leveren veel kritiek op Europa, maar partijen aan de andere kant tonen ook weinig liefde. Het is allemaal heel voorzichtig. Burgers voelen dat. Als jij je als politicus terughoudend opstelt, komt het over alsof je het project toch niet helemaal ondersteunt.’

Dat heeft ook zijn weerslag op de Europese verkiezingen. ‘Heel veel mensen hebben het gevoel dat die er niet toe doen. Het ergste voor het parlement nu is dat het overkomt als een soort praatclub die niet relevant is. Ik zeg niet dat dat klopt, maar dat krijg je uit heel veel enquêtes terug. Mensen hebben niet het idee dat stemmen zin heeft, en weten niet wat je ermee moet.’

Machtspolitiek versterkt dat beeld. ‘Uiteindelijk zet de Raad (de vergadering van de EU-lidstaten, red.) het parlement toch vaak buitenspel.’

Maar het parlement is toch het beste vehikel om de binding met burgers te verbeteren, denkt De Vries. Een tweekamerig Europees parlementair stelsel zou een optie kunnen zijn, denkt ze. ‘Je kunt dan mensen kiezen op basis van ideologische lijsten, maar voor de andere kamer kandidaten selecteren op basis van een duidelijke binding met regio’s.’

In zo’n model komt de Europese Commissie, het dagelijkse bestuur van de Europese Unie, voort uit dat tweekamerige parlement. De Commissie zal dan ook veel meer een politiek lichaam zijn, aldus De Vries, en dat schept ook duidelijkheid richting de burger. ‘Brussel’ staat nu nog vooral voor technocratie.

Wat mijzelf betreft is het de vraag of de Commissie ‘veel meer een politiek lichaam’ moet zijn, aangezien je dan toch weer verwarring kweekt over de taakverdeling tussen Commissie en Raad. Zolang de Commissie wordt bevolkt door ongekozen, want aangewezen Commissarissen per lidstaat, zal die huidige constructie van de Commissie als een technocratisch orgaan blijven werken bij gebrek aan politieke legitimiteit, die de Raad wel heeft vanwege alle verkozen staatslieden. Dat is en blijft essentieel voor democratische legitimiteit.

[Catherine de Vries verzorgt met ingang van 8 april maandelijks een bijdrage over Europa op de opiniepagina’s van Het Financieele Dagblad]

https://fd.nl/economie-politiek/1294661/je-kunt-niet-van-alle-mensen-kleine-europeaantjes-maken