‘Rutte en Hoekstra verklaren onder ede over toeslagenaffaire’ @anp #hoorzittingen

Tags

DEN HAAG (ANP) – Premier Mark Rutte en minister van Financiën Wopke Hoekstra staan centraal op de laatste dag van de verhoren over het toeslagenschandaal bij de Belastingdienst. De bewindspersonen zullen elk zeker twee en een half uur onder ede worden gehoord door de ondervragingscommissie.

De vragen die de commissie zal hebben voor Rutte, zullen vooral betrekking hebben op zijn rol als voorzitter van de ‘ministeriële commissie fraude’. De Kamer wil al veel langer duidelijkheid over de rol die deze commissie heeft gespeeld, en de ondervragers hebben al meer informatie over de MC Fraude. Hoeveel wist de fraudecommissie en waartoe [welke?] heeft ze opdracht gegeven, zullen de ondervragers willen weten.

Bovendien ging het vooral mis de afgelopen jaren, waarin Rutte in het Torentje zat. Hij werd ook betrokken bij de afhandeling van de toeslagenaffaire, toen de eerste slachtoffers in beeld kwamen. Hoewel veel namen van bewindspersonen de afgelopen weken al langskwamen tijdens de verhoren, werd Rutte pas prominent genoemd tijdens het verhoor van oud-staatssecretaris Menno Snel. De commissie vroeg naar hun onderlinge contact over de compensatie voor gedupeerde ouders.

Wopke Hoekstra is als minister van Financiën uiteindelijk verantwoordelijk voor de Belastingdienst, dat onder zijn departement valt. De commissie zal willen weten wanneer hij signalen van Snel of van ambtenaren heeft ontvangen over wat er zich afspeelde bij Toeslagen. Hoekstra greep overigens na het vertrek van Snel ook in bij de fiscus, en begon aan een reorganisatie, maar dat valt buiten de periode die de commissie onderzoekt.

https://www.msn.com/nl-nl/nieuws/Binnenland/rutte-en-hoekstra-verklaren-onder-ede-over-toeslagenaffaire/ar-BB1bn7vX?ocid=msedgntp

De wetten van politieke en ambtelijke ‘communicerende vaten’ stammen uit het verleden: ‘oud-denken’ @fd #reorganisatienoodzakelijk

Tags

Stelling: In één opzicht liggen de verhoren van de Toeslagencommissie in elkaars verlengde:

1. Noch overheid (als de politieke wereld van Staten-Generaal en de ambtelijke ondersteuning vanuit de ministeries) zijn op moderne bestuursbeginselen gebaseerd, zoals het in de leerboeken bestuurskunde wordt beschreven; beide werelden zijn chaotisch slecht én ondoelmatig georganiseerd.

2. Daarin ligt de basis van de oorzaak dat politieke wisselingen noodzakelijk worden omdat de Tweede Kamer vanuit volmaakt onrealistische wetgevingspraktijken er een rotzooi van heeft gemaakt, omdat het een eeuwig strijdtoneel is geworden van coalitiefractie tegenover de oppositie, die eeuwig aan de zijlijn blijven bestaan vanwege hun radicale inzet. De oppositie schakelt zichzelf door eigen doorgeslagen idealisme en ‘doordrammerigheid’ constant uit.

3. Mede veroorzaakt door de versplintering van onze pluriforme democratische bestel;

4. De informatievoorziening is daardoor tot een ‘bende’ geworden (citaat Snel) en de slag naar de toekomst is volkomen mislukt. De politieke hectiek van iedere dag is daarmee voor de ambtelijke organisatie stuurloos en ondoenlijk geworden. Beleid en uitvoering zijn een onmogelijke combinatie gebleken. Ook de ‘filosofie’ van de Bestuursdienst mag als mislukt worden aangemerkt en dient dus aan een kritisch onderzoek onderworpen te worden. Reflectie door bewindslieden is in de hectiek van onvolledige informatie en bizarre overlegstructuren of vergaderziekte onmogelijk geworden. De leidraad van alle ambtelijke toppen is geworden dat “Wat je niet weet, weet je niet omdat het niet op je bureau terechtkwam.” Ideale ambtelijke misleidingstechniek kan deze praktijk worden genoemd.

5. Het bestel dient aan een algehele reorganisatie onderworpen te worden, dat ondersteund dient te worden door de wereld van de grote adviesorganisaties, die per kwartaal hoorzittingen organiseert om ook de bevolking bij deze reorganisatie te betrokken. Alle documenten worden ook direct via internet georganiseerd te worden en aan de pers aangeleverd.

Menno Snel verloor jaar aan ‘gesteggel’ zicht op fiscus (Ulko Jonker, Overheid/fd, 26-11-20)

Kabinet verloor door ‘gesteggel’ een jaar voordat toeslagendrama doordrong (digitale kop)

In het kort:

  • De ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag hoorde woensdag Menno Snel.
  • Hij was staatssecretaris van Financiën van 2017 tot 2019.
  • Snel zei ‘consequent achter de bal’ te hebben aangelopen.

Hoe konden onschuldige burgers zo in de knel komen door optreden van de Belastingdienst? De Tweede Kamer doet tot eind november in een publieke ondervraging onderzoek naar wat er misging. Lees hier alle artikelen over het onderzoek.

Het kabinet heeft een jaar verloren met ‘bijzaken’ voordat goed en wel begon door te dringen dat de terugvordering van kinderopvangtoeslagen was doorgeslagen en de fraudeaanpak ontspoord. ‘2018 was echt een verloren jaar’, bekende Menno Snel woensdag tegen de parlementaire ondervragingscommissie die daar onderzoek naar doet.

De D66’er trad eind 2017 aan als staatssecretaris van Financiën en trad twee jaar later af. Hij vond dat hij intussen ‘onderdeel van het probleem was geworden’, in plaats van onderdeel van de oplossing. ‘Ik liep consequent achter de bal aan’, zei hij woensdag. Hij zei in zijn eerste jaar vooral over ‘bijzaken’ te hebben gesteggeld met de Kamer, terwijl bij de Belastingdienst kennis over wat er tussen 2012 en 2014 mis was gegaan kon ‘verdampen’ door personele wisselingen en een ondoorgrondelijk archief met 36 miljoen documenten.

Stekelig verhoor

In een bij vlagen stekelig verhoor moest Snel erkennen dat bij hem, net als bij zijn voorganger, ergernis optrad over de traagheid van de informatievoorziening vanuit een hele ‘defensieve’ Belastingdienst waardoor veel zaken niet scherp werden. ‘Het was gewoon een bende’ zei Snel daarover. Hij hoorde ook vaak juridische argumenten waarom iets niet kon. Pas toen hij zijn eigen ‘tunnelvisie’ medio vorig jaar losliet, vroeg hij: ‘Kan iemand me dan vertellen hoe iets wel kan?’

De kern van het probleem is volgens Snel een toeslagensysteem ‘zonder een greintje menselijke maat’. Maar af en toe zakte bij hem ook ‘de broek af’ of kreeg hij ‘koude rillingen’, toen bijvoorbeeld nog steeds schulden werden ingevorderd bij burgers die al als slachtoffer waren aangemerkt. Ze stonden om dubieuze redenen nog steeds te boek als mensen die door opzet of grove schuld niet in aanmerking kwamen voor een betalingsregeling of de door Snel gelaste stopzetting van invordering,

Afslag gemist

Net als Snel heeft ook zijn collega Tamara van Ark op meerdere momenten ‘de afslag gemist’ om in te grijpen in de doorgeslagen terugvordering van kinderopvangtoeslag. ‘Dat is frustrerend, maakt me boos en spijt me’ zei de VVD-politica woensdag tegen de ondervragingscommissie. ‘Maar daar hebben de ouders die het trof niets aan’.

Van Ark was staatssecretaris van Sociale Zaken van 2017 tot 2020. Als ze had geweten wat ze nu weet, zou ze de uitvoering van de Kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst hebben weggehaald toen ze daar in 2018 de kans voor had, zei ze.

Patroon van gemiste kansen

In de verhoren van Van Ark en Snel keerde het patroon van ‘gemiste kansen’ terug dat ook maandag al zichtbaar was over de periode van 2010 tot aan het aantreden van het huidige kabinet. Toenmalig staatssecretaris Eric Wiebes van Financiën en Lodewijk Asscher, destijds minister van Sociale Zaken, getuigden die dag dat ze momenten hadden laten passeren waarin ze hadden kunnen ingrijpen om het leed en de schulden van burgers te voorkomen of verminderen.

De wetgeving die werd gedeeld tussen beide ministeries, de uitleg daarvan en jurisprudentie daarover leidden ertoe dat ouders werden geconfronteerd met 100% terugvordering als ze hun eigen bijdrage (deels) niet hadden betaald of andere formaliteiten niet hadden voldaan.

Alles-of-niets-benadering

Ook bij Van Ark, tegenwoordig minister voor Medische Zorg, is dat wrede mechanisme lange tijd onopgemerkt gebleven. Het probleem van de alles-of-niets-benadering trof ze niet aan in de analyse die ten grondslag lag aan een voorstel om de kinderopvang direct te financieren. ‘Het zat er niet bij. Daarmee heb ik de eerste afslag al gemist’, aldus Van Ark.

Nog eind 2018 werd op haar ministerie wel degelijk een ‘politiek risico’ gesignaleerd van de aanpak door de Belastingdienst. De vrees bestond zelfs dat Sociale Zaken de schuld zou krijgen, omdat daar in het verleden was aangedrongen op strenge handhaving van de regels. Daar nam ze pas kennis van in de aanloop naar haar verhoor, moest Van Ark toegeven. ‘Je weet niet wat je niet weet’.

Geen vertrouwen meer

Van Ark zei met haar collega-staatssecretaris Menno Snel van Financiën vooral bezig te zijn geweest met de toekomst, de op Sociale Zaken bepleite overdracht van de uitvoering van de kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst naar de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Van Ark zag daar in april 2018 uiteindelijk van af onder druk van Snel en de Belastingdienst.

Zij verzekerden haar ervan dat zij de uitvoering konden verbeteren zonder het risico van een heel nieuw stelsel en een nieuwe uitvoerder. Maar met de kennis van nu zegt Van Ark dat haar besluit anders was uitgevallen. ‘Dan had ik er geen vertrouwen in gehad om het bij de Belastingdienst te houden, waar in de organisatie verschrikkelijke dingen zijn gebeurd’.

https://fd.nl/economie-politiek/1365428/ook-van-ark-miste-afslag-bij-doorgeslagen-terugvordering-opvangtoeslag

‘Vadertje Staat’ @fd

Tags

(Mathijs Bouman, COLUMN/fd, 25-11-20)

‘Het was de zomer van de effectieve overheid. Het virus had voor chaos gezorgd en de overheid had orde geschapen. Met een slimme lockdown, met gulle en snelle noodsteun voor bedrijven en met het opschalen van zorg en testcapaciteit. Het kabinet kon terugzien op een geslaagde interventie. Terwijl het virus op z’n retour was, groeide het zelfbewustzijn van de overheid. Top-down ingrijpen in de maatschappij, het kan dus toch!

*Of de overheid affectief was, kan pas na een evaluatie worden vastgesteld. In de beginfase van een volkomen onbekend viruspandemie kan alles onder gegeven omstandigheden alles als ‘effectief’ worden gekwalificeerd, maar nu al is zichtbaar dat de effectiviteit te wensen overliet omdat de technocratie (OMT) veel effectiviteit onmogelijk maakte.

Juist in deze unieke periode werden de verkiezingsprogramma’s geschreven. En dat is te merken. De roes van het effectieve optreden gaf de opstellers moed om de overheid hoog op het schild te hijsen. Die moet de markt meer gaan corrigeren, werknemers beschutting bieden, het milieu en het klimaat redden, en zelfs een soort industriebeleid gaan voeren. De VVD kwam met een mea culpa waarin de partij spijt betuigt over de ‘liberale strijd tegen een te grote en betuttelende overheid’, waardoor private partijen te veel macht hebben gekregen.

De wereld is vijandig en buiten waait een ijskoude wind. Maar binnen heeft Vadertje Staat de kachel aangemaakt en staat de collectieve chocolademelk te dampen. Maakt u zich geen zorgen, wij regelen het wel.

Nog nooit waren verkiezingsprogramma’s zo snel verouderd. Want sinds de tweede virusuitbraak weten we wel beter: de overheid kan er ook niks van. Ondanks ruime voorbereidingstijd waren er toch weer te weinig testen en was er weer te weinig capaciteit om besmettingen na te bellen. Het kabinet aarzelde te lang met het nemen van maatregelen, en deed dat vervolgens twijfelend en met veel interne strijd. De ziekenhuizen bleken nog steeds niet veel meer patiënten aan te kunnen. De corona-app kwam veel later dan gepland en bracht niet de redding waarop het kabinet had gehoopt.

Tijdens de tweede golf bleek dat als je echt iets gedaan wilt krijgen, je toch gewoon bij private partijen moet zijn. Bedrijven richtten massaal teststraten in. Andere bedrijven bedachten sneltesten. Duitse bedrijven mochten eindelijk onze testen gaan analyseren. En de grote farmaceuten – toch altijd gezien als het grote kwaad van de door marktwerking bedorven zorgsector – lijken onverwacht snel met zeer effectieve vaccins te komen.

*En ook deze macro-econoom neemt het weer op voor de farmaceuten, terwijl weer bedenkelijke praktijken in deze krant werden gemeld.

Tegelijkertijd ontdekte een speciale Kamercommissie hoe slecht de overheid het eigen beleid uitvoert en nog dagelijks horen we tijdens de parlementaire ondervraging hoe de overheid een potje maakte van de kinderopvangtoeslag. Het nieuwe elan van de overheid bleek maar een zomer houdbaar. Misschien toch maar een erratum toevoegen aan de verkiezingsprogramma’s?

*Dit laatste lijkt absoluut noodzakelijk hoewel iedere toekomstplanning steeds onmogelijker blijkt te zijn. Verkiezingsprogramma’s lijken op het moment van publicatie alweer achterhaald. Ophouden met die onzin dus! En laat iedereen zich persoonlijk uitspreken via de sociale media.

https://fd.nl/opinie/1365375/vadertje-staat

Perfecte samenvatting oorzaken van falend politiek en ambtelijk bestel @fd #toeslagencrisis #geblaatvanoppositiepartijen #achteroverleunendebewindslieden #slordigdocumentbeheer @tweedekamer

Stelling: In een schitterende beschrijving (en uitleg) legt hoogleraar Pauline Meurs uit dat zorgbonusregeling waar de collectieve oppositie in het voorjaar al schreeuwend om vroeg, maar terecht niet kreeg vanwege de eeuwig durende klaagzang om het ‘verkeerde’ beleid: te ingewikkeld én te gedetailleerd was (en daarmee de eeuwige fout inging dat nu zo zichtbaar wordt via de hoorzittingen Kinderopvangtoeslagen), kortom alleen maar een aaneenschakeling van politieke en ambtelijke blunders alsmede een overbelast systeem. De wetgevende politiek als heeft nooit willen zien dat de uitvoeringspraktijk (op alle fronten en op álle ministeries) inmiddels al volkomen uit te hand liepen en dat ligt dus ook aan een falende wetenschapstak, te weten de bestuurskunde, dat gaat over overheidsorganisatie. Korte-termijn-politieke cultuur mag in dit licht als grote schuldige worden aangemerkt omdat dit bestel in verregaande mate is ‘verrommeld’ door een onhoudbare bureaucratie. De pandemie heeft kortom een allesomvattende taak aan de mensheid opgeleverd: 1. Levensstijl heeft onze beschaving verwoest en 2. Alle bestuurlijke gremia gemaakt tot sterfhuisconstructies. 3. Alles moet opnieuw worden opgebouwd, maar dan niet op basis van oud-denken, maar op basis van verantwoorde analyses die op basis van deze pandemie moeten worden opgemaakt.

Zorgbonusregeling is nauwelijks uitvoerbaar (Pauline Meurs, EXPERT/fd, 25-11-20)

In het kort:

  • Regeling zorgbonus is ingewikkeld en veel te gedetailleerd.
  • Hierdoor komt bonus niet bij de juiste zorgverleners terecht.
  • Zorginstelling kan bonus beter zelf uitreiken.

‘Een verhoging van de salarissen van het zorgpersoneel zit er voorlopig niet in. Een motie voor salarisverhoging werd weliswaar door de Tweede Kamer aangenomen, maar het kabinet zal de motie niet uitvoeren. Het wachten is op een volgend kabinet. Verschillende politieke partijen hebben een verhoging van het salaris van zorgpersoneel in hun verkiezingsprogramma opgenomen.

Dit kabinet heeft wel een gebaar gemaakt: een bonus voor het zorgpersoneel dat in het begin van de corona-uitbraak, in het voorjaar, uitzonderlijke prestatie leverde en ook nu weer vol aan de bak is. Voor veel zorgpersoneel is het een welkome aanvulling op hun salaris. Een warm applaus is fijn, maar uiteindelijk is het belangrijk dat de waardering ook in meer materiële zin zichtbaar wordt.

Subsidieregeling

‘De aangekondigde bonus heeft uiteindelijk de vorm gekregen van een subsidieregeling. In deze regeling staat onder meer beschreven wie de bonus aanvragen, wat de maximale hoogte is, wie in aanmerking komen en wie niet, wat de salarisgrens is (tweemaal modaal) en wanneer de aanvraag kan plaatsvinden. Dit zijn slechts een paar artikelen uit de regeling. Uiteraard moet over de wijze waarop de bonussen zijn uitgekeerd verantwoording worden afgelegd. Hoe dat moet is nog niet uitgewerkt.

‘Kabinet, pas de regeling daarom nu nog aan. Maak het simpel en vertrouw de uitvoerders’

Keurt het ministerie een aanvraag goed, dan krijgt de zorgorganisatie de subsidie plus een bepaald bedrag voor de verplichte heffingen. De zorgprofessional krijgt uiteindelijk maximaal €1000 netto op zijn of haar rekening. Deze constructie heeft twee voordelen. De bonus heeft geen effect op inkomensafhankelijke regelingen zoals toeslagen. En de bonus vormt voor de werkgevers geen belemmering om bijvoorbeeld een eindejaarsuitkering of kerstpakket te geven.

De vele voorwaarden en details van de regeling doen menig zorgaanbieder de moed in de schoenen zakken. Velen hebben zoveel mogelijk aangevraagd, anderen zien er juist helemaal vanaf. In beide gevallen is de onderliggende overweging: ‘een uitzonderlijke prestatie is een te vaag criterium. Wij willen niet op deze manier onderscheid maken. Het leidt tot teleurstelling en ongewenste discussie in onze organisaties over wie wel en niet de bonus ontvangen en of dat terecht is’.

Grote groep

‘Het lijkt zo eenvoudig de bonus alleen te geven aan de hulpverleners en ondersteuners die direct met het virus te maken hebben en zelf een (groot) gezondheidsrisico lopen. Maar het gaat ook om de grote groep die meer indirect op zeer uiteenlopende manieren heeft bijgedragen aan het bestrijden van corona. Soms door extra inzet voor patiëntenzorg op de non-covid-afdelingen, soms door het overnemen van administratieve taken van zorgpersoneel, soms door het bieden van psychologische steun. In de omschrijving van de regeling – die moet je er echt bijhouden – is een lijst van ongeveer vijftig beroepen en functies opgenomen die in beginsel in aanmerking komen (de ‘ja, mits’-regel) en van ongeveer 100 beroepen en functies die in beginsel niet in aanmerking komen voor de bonus (de ‘nee, tenzij’-regel). De regeling voorziet ook in een gedetailleerde uitwerking van het ‘tweemaal modaal’-principe, met cao-categorieën, correcties voor deeltijdwerk en voor uitzendkrachten.

Deze regeling is een voorbeeld van een hardnekkig mechanisme dat telkens weer de kop op steekt. Tweede Kamerleden uiten kritiek op de wijze waarop bepaald beleid wordt uitgevoerd. In reactie daarop worden wetten en regels aangescherpt, denk aan het persoonsgebonden budget, of de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst. De regels worden beoordeeld op rechtmatigheid maar gaan voorbij aan de gedifferentieerde (zorg)praktijk. Een praktijk die de wetgever niet kent. Dat deze regelingen nauwelijks uitvoerbaar zijn en vaak meer problemen veroorzaken dan oplossen, is blijkbaar niet relevant. Iedereen – beleidsmakers, politici, bestuurders, burgers– wil meer ruimte voor de professionals, meer maatwerk, meer vertrouwen in de uitvoering. Maar deze wensen worden keer op keer gelogenstraft.

Moreel aanvechtbaar

‘Ook nu weer. De bonusregeling is nauwelijks uitvoerbaar, er is minimale ruimte voor eigen invulling. De vage omschrijving van de voorwaarde ‘uitzonderlijke prestatie’ is niet houdbaar. Het onderscheid dat op deze voorwaarde tussen personeelsleden moet worden gemaakt, is moreel aanvechtbaar. De regeling suggereert een maakbare werkelijkheid die er niet is, maar wel leidt tot een disproportionele administratieve rompslomp. Het risico dat de bonusregeling in de praktijk mislukt is groot. De schuld zal dan bij de uitvoerders – in dit geval de zorgaanbieders – worden gelegd. Het zorgpersoneel om wie het allemaal is begonnen, zal het nakijken hebben met grote publieke verontwaardiging tot gevolg.

Deze cirkel moet worden doorbroken. Wie weet komt de parlementaire commissie die de toeslagenaffaire onderzoekt, tot zelfinzicht en met werkbare aanbevelingen. Maar daar kan het zorgpersoneel niet op wachten. Kabinet, pas de regeling daarom nu nog aan. Maak het simpel en vertrouw de uitvoerders. Bijvoorbeeld door iedere zorginstelling een budget toe te kennen en deze zelf laten bepalen op welke manier het budget onder de medewerkers wordt verdeeld. Zorginstellingen kunnen dan zonder veel gedoe en met plezier hun zorgpersoneel een welverdiende bonus geven.’

https://fd.nl/opinie/1365316/zorgbonusregeling-is-nauwelijks-uitvoerbaar

‘Het spel is voorbij voor Trump (maar dat betekent niet dat hij zich nu ook koest zal houden)’ @volkskrant

Tags

Het spel lijkt dan toch voorbij voor Trump. Zijn pogingen om de verkiezingsuitslag om te keren zijn op niets uitgelopen. Zijn verlies is onvermijdelijk geworden, al blijft het de vraag of Trump de realiteit onder ogen wil zien.

Natalie Righton, de Volkskrant, 24 november 2020, 17:34

De doodsteek voor Trump kwam maandag uit Michigan. Die staat bekrachtigde ’s avonds de winst van Joe Biden, terwijl Trump daar de afgelopen dagen maximale politieke druk heeft uitgeoefend en rechtszaken heeft aangespannen om te voorkomen dat de staat Biden zou erkennen als winnaar van de presidentsverkiezingen van 3 november.  Dinsdag bekrachtigden ook swing state Pennsylvania en Nevada de winst van Biden.

Zeker de rechtszaken waren van begin af aan een rommeltje. Hoewel Trump publiekelijk voortdurend roept dat er massaal verkiezingsfraude is gepleegd, voeren zijn advocaten dat fraudeargument niet aan bij de rechtszaken. Als je het bewijs in de rechtszaal niet naar voren brengt, zei Trumps voorheen loyale partijgenoot Chris Christie afgelopen zondag, dan moet dat betekenen dat het bewijs simpelweg niet bestaat.

Ook de rechters uitten afgelopen dagen hun ongenoegen over de knulligheid van Trumps verdedigingsteam. ‘Een Frankenstein-monster’, noemde rechter Matthew Brann in Pennsylvania de ‘aan elkaar geknoopte argumenten’ van Trumps advocaten afgelopen maandag.

Trumps juridische team had bepleit dat stemmers in Pennsylvania niet gelijk waren behandeld, omdat sommige erop waren gewezen dat ze kleine foutjes op het kiesbiljet mochten aanpassen en anderen niet. In ruil daarvoor eisten zij dat de rechtbank bijna 7 miljoen stemmen in de staat ongeldig zou verklaren. De rechter zag ‘geen rechtvaardiging’ om op basis hiervan ‘een enkele kiezer, laat staan alle kiezers’ in Pennsylvania hun stemrecht te ontnemen.

Trumps lot bezegeld

Trumps wegen naar een toch al onwaarschijnlijke overwinning raakten maandag nog verder versperd. Ook zijn pogingen om politieke druk uit te oefenen op Republikeinse parlementsleden uit Michigan om de verkiezingsuitslag in zijn voordeel om te buigen liepen toen op niets uit. De staat erkende Bidens winst en bezegelde daarmee Trumps lot.

Het maakte de weg vrij voor topambtenaar Emily Murphy om haar verzet te staken om Biden en zijn transitieteam toegang te geven tot essentiële overheidsdiensten. Murphy is de baas van de facilitaire dienst van de Amerikaanse overheid, die formeel toestemming moet geven aan een nieuw gekozen president en zijn team om gebruik te mogen maken van overheidsgebouwen, -data en -fondsen. Dat is nodig om een soepele overdracht te regelen tussen de Trump-regering en de Biden-regering. Zonder die overdracht ontstaat er bijvoorbeeld vertraging bij de distributie van een coronavaccin.

De gebeurtenissen dwongen Trump om maandag voor het eerst sinds zijn verlies drie weken geleden te erkennen dat een machtsoverdracht aan Biden onvermijdelijk is. Via Twitter stemde hij ermee in dat Murphy zou ‘doen wat noodzakelijk is volgens het protocol’, wat er feitelijk op neerkomt dat Bidens transitieteam aan het werk mag gaan.

Het neemt niet weg dat Trump voorlopig zal doorgaan met het uiten van zijn woede over de ‘meest corrupte verkiezing in de Amerikaanse geschiedenis’, zoals hij dinsdagochtend (Nederlandse tijd) nog deed op Twitter. ‘We gaan volle kracht vooruit en zullen nooit toegeven aan valse stembiljetten en Dominion.’ Dat laatste is een verwijzing naar een verondersteld technisch mankement aan stemcomputers die volgens zijn voormalige advocaat ‘miljoenen’ stemmen voor Trump heeft overgezet naar Biden-stemmen. Zelfs de conservatieve tv-zender Fox News erkent dat daarvoor geen bewijs is.

Sneeuwbal-effect

Trumps tirade over verkiezingsfraude heeft weinig zin meer. Het is wiskundig nagenoeg onmogelijk geworden om zijn huidige winst van 232 kiesmannen om te buigen naar de 270 kiesmannen die nodig zijn om formeel op 14 december tot de nieuwe president te worden gekozen. Om dat aantal alsnog te bereiken had in elk geval Pennsylvania (met 20 kiesmannen) nog moeten besluiten Trump aan te wijzen als winnaar, terwijl dinsdag het omgekeerde gebeurde, nadat Trump de cruciale rechtszaken in Pennsylvania maandag al had verloren. Bidens zege in Nevada, ook dinsdag bekrachtigd, maakt Trumps nederlaag nog groter.

Om dat aantal alsnog te bereiken zou in elk geval Pennsylvania (met 20 kiesmannen) woensdag plots moeten besluiten om Trump aan te wijzen als winnaar, terwijl er geen enkele indicatie is dat dit gaat gebeuren. Biden ligt daar met meer dan 80 duizend stemmen voor en Trump verloor de belangrijkste rechtszaken in Pennsylvania afgelopen maandag.

De kans dat Trump de verkiezingsuitslag zou kunnen keren, was al erg klein, of zoals een Amerika-correspondent van de BBC inschatte: ‘Ongeveer net groot als de kans dat de aarde wordt getroffen door een gigantische meteorietinslag of dat je wordt geraakt door de bliksem terwijl je de loterij wint.’

Het besluit van de staat Michigan (nu gevolgd door Pennsylvania en Nevada) om Biden aan te wijzen als winnaar reduceerde die kans al tot vrijwel nul. Hoewel de top van de Republikeinen zich nog achter Trump schaart, verschijnen er steeds meer gaten in zijn verdedigingswal. Alleen al op maandag riepen drie senatoren (uit Tennessee, Ohio en Virginia) hem op om met de machtsoverdracht te beginnen.  Afgelopen weekeinde vroegen de pro-Trump-presentatoren Tucker Carlson en Rush Limbaugh ook al om meer bewijzen voor massale verkiezingsfraude. Trumps steunpilaren vallen daarmee een voor een weg. Zo bezien is er een sneeuwbaleffect ontstaan dat niet meer is te stoppen.  Het wachten is op de machtige Republikeinse Senaatsleider, Mitch McConnell.

Trump, die vier jaar lang de waarheid naar zijn hand zette, zal de realiteit onder ogen moeten komen. Over twee weken, op 8 december, moeten alle staten hun definitieve stemresultaten doorgeven. Op 14 december komt het kiescollege bijeen dat de winst van Biden formeel bekrachtigt. En op 20 januari, om klokslag 12.00 uur, zal Joe Biden worden ingezworen als de nieuwe leider van Amerika.

ZIE OOK:

Uit Bidens team spreekt het verlangen naar kalmte. Dit zijn de opvallendste bestuurders

De regering-Biden gaat er heel anders uitzien dan Trumps kabinet. Meer vrouwen op hoge posten, een latino die het ministerie van Binnenlandse Veiligheid gaat besturen en een zwarte diplomate die het gezicht van de VS bij de Verenigde Naties wordt. Het hele team straalt rust en ervaring uit: terug naar normaal.

Machtsoverdracht naar Biden kan beginnen

De machtsoverdracht van de regering-Trump aan regering-Biden kan officieel beginnen, met toestemming van Trump zelf. Hoe kon dit zo gebeuren?

Hoe ziet het transitieproces in de VS er nu uit?

Joe Biden heeft de verkiezingen gewonnen, maar zit nog niet in het Witte Huis. Hij moet wachten op zijn inauguratie op 20 januari. Voor die tijd moet er nog heel wat gebeuren.

Podcast: De hoop van Trump-stemmers

Correspondent Michael Persson liep mee met de protestmarsen in Washington en zag nog steeds een ongekende felheid bij zijn aanhang over de vermeende verkiezingsfraude. Vanuit de hoofdredactionele ‘oval office’ praten Natalie Righton, Gijs Groenteman en Pieter Klok na over de naweeën van de verkiezingen.

Alles over de Amerikaanse verkiezingen verzamelen we in dit dossier.

https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/het-spel-is-voorbij-voor-trump-maar-dat-betekent-niet-dat-hij-zich-nu-ook-koest-zal-houden~b2977c8d/?

‘Moskee moet geldstroom van buiten EU openbaren’ @volkskrant #buitenlandsedonatiesmoskeeen #wiebetaaltdiebepaalt

Tags

,

Burgemeesters en het Openbaar Ministerie krijgen het recht inzage te vragen in de financiering van instellingen die geld ontvangen van buiten de Europese Unie. Toezicht op buitenlandse geldstromen, naar bijvoorbeeld de organisaties achter moskeeën, moet voorkomen dat instellingen dit geld krijgen om aan te zetten tot haat, discriminatie of intolerantie.

De wet die dit mogelijk maakt, is maandag naar de Tweede Kamer gestuurd. De parlementaire ondervragingscommissie ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen (Pocob) van de Tweede Kamer, onder voorzitterschap van CDA-Kamerlid Michel Rog, concludeerde in juni dit jaar dat er sprake is van ongewenste beïnvloeding als gevolg van buitenlandse geldstromen naar instellingen in Nederland. Het eindrapport had als titel (On)zichtbare beïnvloeding.

De mogelijkheid van een wet was ook al opgenomen in het regeerakkoord uit 2017. Minister Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD) geeft als motivering bij het wetsvoorstel: ‘Organisaties die openstaan voor dit soort donaties mogen daar niet zomaar mee wegkomen.’ Zulke instellingen zijn volgens het kabinet een bedreiging voor de vrijheden van de democratische rechtsstaat.

In de Wet transparantie maatschappelijke organisaties, zoals hij officieel heet, krijgen burgemeester en het OM de bevoegdheid om bij een maatschappelijke organisatie navraag te doen naar buitenlandse giften. Het gaat dan om geldstromen uit landen buiten de EU of de Europese Economische Ruimte (de EU plus Liechtenstein, IJsland en Noorwegen). Als deze geldstromen substantieel blijken, dient informatie te worden verstrekt over de persoon die de donaties heeft verricht.

Geld uit Golfstaten

De ondervragingscommissie stelde vast dat geldschieters uit onder meer de Golfstaten fundamentalistische boodschappen proberen te verspreiden. Dat kan via moskeeën of daaraan verbonden informele weekendscholen. Beïnvloeding van moslimgemeenschappen in Nederland vindt ook plaats door het uitzenden en betalen van imams en predikers. ‘De betaler bepaalt’, aldus de commissie. ‘De bevindingen geven ons absoluut reden tot zorg’, zei voorzitter Rog, die zijn rapport ‘met urgentie’ aanbood aan Kamervoorzitter Khadija Arib.

Dit voor de rechtsorde ‘problematisch gedrag’, zoals Dekker het omschrijft, is al jaren onderwerp van discussie. De commissie kreeg als verwijt een onderzoek tegen de islam te verrichten en daarmee aan de vrijheid van godsdienst te tornen. Op haar beurt waarschuwde de commissie voor het gevaar van ‘parallelle samenlevingen’. Het kabinet ziet in het toezicht op en het aanpakken van geldstromen een mogelijkheid om dit laatste tegen te gaan. Een organisatie die niet meewerkt maakt zich schuldig aan een economisch delict. Dwarsliggende bestuurders riskeren een bestuursverbod van maximaal 5 jaar.

*De formulering “Dit voor de rechtsorde ‘problematisch gedrag’” is natuurlijk verhullend taalgebruik omdat het simpelweg gaat om ongrondwettelijke handelingen, waarbij alleen onduidelijk is wat voor sancties hierop staan. Het nieuwe wetsvoorstel gaat uit van een straf van een bestuursverbod van maximaal 5 jaar, terwijl het ook logisch was geweest om er een flinke boete op te leggen, maar waarschijnlijk zijn die boetes als sancties op schending van grondrechten in hoofdstuk 1 Gw ongebruikelijk, al zou art 10 Gw als voorbeeld kunnen worden aangehouden.[i] Maar nieuwe omstandigheden verdienen nieuwe precedenten.

De Europese Raad van Justitie-ministers heeft twee weken geleden besloten vergelijkbare wetgeving in Europees verband tot stand te brengen, om te vermijden dat EU-landen zonder deze wetgeving als springplank worden gebruikt. Onvrije landen staan zelf geen buitenlandse financiering van bijvoorbeeld christelijke kerken toe.

De reactie op het rapport van de commissie Pocob is door zeven ministers van vijf ministeries ondertekend: Sociale Zaken, Justitie, Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken en Onderwijs. Het kabinet zegt de ongewenste beïnvloeding ‘assertief, maar ook zorgvuldig’ te willen aanpakken. ‘De problematiek straalt negatief af op de hele islamitische gemeenschap in Nederland en leidt in potentie tot stigmatisering. Dat is niet alleen onrechtvaardig, maar ook contraproductief.’

https://krant.volkskrant.nl/titles/volkskrant/7929/publications/1113/articles/1252251/2/1


[i] DE GRONDWET

ARTIKEL 10 – EERBIEDIGING EN BESCHERMING PERSOONLIJKE LEVENSSFEER

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.

De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

WETENSCHAPPELIJK COMMENTAAR

M.M. GROOTHUIS

INHOUDSOPGAVE

Historische ontwikkeling en actuele betekenis

Betekenis van artikel 10 Grondwet

Europees- en internationaalrechtelijk kader

Voorstellen en discussie over de wenselijkheid van modernisering van artikel 10 Grondwet

Afsluiting

Literatuur

Jurisprudentie

Editie november 2019

1. HISTORISCHE ONTWIKKELING EN ACTUELE BETEKENIS

In de Nederlandse media en politiek is sprake van een actief debat over privacy en de bescherming van persoonsgegevens.[1] De rechtsontwikkeling vindt plaats op meerdere niveaus van de veel-lagige rechtsorde. Twee voorbeelden illustreren dit:

De Hoge Raad oordeelde [2] op 24 februari 2017 dat de Belastingdienst voor de controle van rittenregistraties in het kader van privégebruik van een auto van de zaak geen gebruik mag maken van met ANPR-camera’s vastgelegde beelden. De Hoge Raad toetste aan zowel artikel 10, eerste lid, Grondwet als artikel 8 EVRM en stelde vast dat in de betreffende gevallen geen sprake was van een voldoende precieze wettelijke grondslag.[3]

Het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalde[4] op 24 september 2019 dat een zoekmachine het ‘recht te worden vergeten’ niet wereldwijd hoeft toe te passen. De exploitant van een zoekmachine is naar het oordeel van het Hof niet verplicht om links te verwijderen voor alle versies van zijn zoekmachine. Hij is daartoe wel verplicht voor alle lidstaat-specifieke versies en dient maatregelen te nemen om internetgebruikers te ontmoedigen om vanuit een van de lidstaten toegang te zoeken tot de betreffende links die worden weergegeven op de niet-EU-versies van die zoekmachine.[5]

Het klassieke concept van privacy is in 1890 geïntroduceerd door de Amerikaanse auteurs Warren en Brandeis. Zij formuleerden privacy als ‘the right to be let alone’.[6] In de Nederlandse literatuur werd de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in 1965 uitvoerig belicht in de NJV-preadviezen van De Brauw en Van Veen.[7] Zij kenden aan het begrip ‘privé-sfeer’ twee componenten toe: een fysieke – de woning en andere ruimten waar een individu zich kan afzonderen – en een overdrachtelijke – het geheel van omstandigheden waaronder een individu bepaalde gedragingen en uitingen aan de waarneming van de gemeenschap wil onttrekken.[8]

Sinds 1983 beschermt artikel 10, eerste lid, van de Grondwet het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Tot 1983 werden enkel onderdelen van de persoonlijke levenssfeer – het briefgeheim en de onschendbaarheid van de woning – grondwettelijk beschermd. Artikel 10 Grondwet is sinds 17 februari 1988 volledig in werking getreden.[9]

De opneming van een zelfstandig grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in de Grondwet kan worden gezien als een uitvloeisel van protestbewegingen in de jaren zestig en de impact daarvan op de politieke besluitvorming.[10] Publicaties over de Tweede Wereldoorlog van onder meer Lou de Jong, een in de jaren 1960-1965 uitgezonden televisieserie ‘De bezetting’ en de publicatie van de tweedelige studie ‘De ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945’ van Jacques Presser (1965) leidden tot een breed maatschappelijk debat over de Jodenvervolging tijdens de Duitse bezetting.De beschikbaarheid van een deugdelijke bevolkingsboekhouding in combinatie met een door de bezetter ingevoerde identificatieplicht was bij de uitvoering van de Jodenvervolging een uiterst effectief instrument gebleken.[11] Het is deze historische ervaring die het publieke debat over nieuwe vormen van gegevensverwerking door de overheid in de jaren zestig vleugels gaf. Dit debat vond plaats tegen de achtergrond van nieuwe afluister-, beeld- en geluidstechnieken[12], een snelle groei in geautomatiseerde gegevensverwerking en een sterke uitbreiding en modernisering van de overheidsadministratie, met name door de uitbouw van de verzorgingsstaat.[13]

De volkstelling van 28 februari 1971 fungeerde als cumulatiepunt van het debat over deze ontwikkelingen[14] In 1969 had de regering het Ontwerp van Wet Regelen betreffende algemene volkstellingen (Volkstellingenwet) ingediend bij de Tweede Kamer.[15] De aankondiging van de volkstelling leidde tot een publieksdiscussie. De daarin geuite bezwaren betroffen met name de vorm en methode van gegevensverzameling, de strafbaarstelling voor het niet verstrekken van gegevens in het kader van de volkstelling, de gebrekkige anonimisering van de verkregen persoonsinformatie en de risico’s van computergebruik hierbij.[16]

Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsontwerp voor de Volkstellingenwet in 1970 en tijdens interpellatiedebatten in 1971 werden over de voornoemde bezwaren een reeks Kamervragen gesteld en moties ingediend.[17] Blijkens het Voorlopig Verslag bij het wetsontwerp bestond er bij de Bijzondere Commissie voor dit wetsontwerp grote belangstelling voor de bescherming van het recht op “privacy” van de burgers.[18] Commissieleden vroegen of er zekerheid bestond dat de gevraagde gegevens uitsluitend voor het beoogde doel zouden worden gebruikt.Concreet vroegen zij of verzekerd kon worden, dat de gevraagde gegevens niet aan de Binnenlandse Veiligheidsdienst verstrekt zouden worden en niet gebruikt zouden worden voor fiscale doeleinden of controle van vreemdelingen. Het Kamerlid Goudsmit (D’66) verwoordde de zorgen over privacy aldus: “Deelt de Minister mijn mening dat er op het ogenblik in brede lagen van de bevolking onrust over de volkstelling – o.a. twijfel over de waarborgen t.a.v. de “privacy” en twijfel over de geheimhouding onder alle omstandigheden t.a.v. persoonsgegevens – bestaat – terecht of ten onrechte – op grond van welke onrust en twijfel velen zich voornemen geen of onvolledige of onjuiste gegevens op te geven?”[19]

Tijdens een Kamerdebat op 21 oktober 1971 diende Goudsmit een motie in, waarbij zij de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht “te bevorderen dat in de Grondwet een nieuw grondrecht wordt opgenomen, inhoudende dat iedere burger het recht heeft kennis te nemen van alle op hem betrekking hebbende gegevens die de overheid over hem heeft, behoudens uitzonderingen bij de wet te stellen.”[20] Deze motie werd op 26 oktober 1971 verworpen.[21]

De voorgeschiedenis van het uiteindelijk in 1983 in de Grondwet opgenomen artikel 10 (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) ging verder in drie fasen.[22]

De eerste, al eerder begonnen fase betrof een door het ministerie van Binnenlandse Zaken uitgebrachte Proeve van een nieuwe grondwet (1966).[23] De opzet van deze Proeve was een  actualisering van de Grondwet voor te bereiden, waaronder de grondwettelijke bepalingen over grondrechten, voor zover noodzakelijk in aanvulling op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).[24] Met betrekking tot ‘eerbiediging voor het privéleven’ bevatte de Proeve adviezen voor het herformuleren van het reeds in de Grondwet opgenomen huisrecht en het aanvullen van het ook reeds in de Grondwet opgenomen briefgeheim met een telefoongeheim.[25]

De tweede fase betrof de rapporten[26] van de Staatscommissie Cals/Donner (1967-1971). Deze Commissie was door de regering ingesteld[27] met de opdracht om te adviseren over een algehele herziening van de Grondwet. In haar op 19 september 1969 uitgebrachte Tweede Rapport adviseerde de Staatscommissie om de verschillende componenten in de waarborg tegen een inbreuk van overheidswege op de persoonlijke levenssfeer, het huisrecht, het briefgeheim en het nieuwe telefoon- en telegraafgeheim, in één artikel samen te brengen (artikel 12).[28]

In haar op 29 maart 1971 uitgebrachte Eindrapport adviseerde de Staatscommissie deze grondrechten aan te vullen met een sociaal grondrecht (artikel 84) luidende: “De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.”[29] In de toelichting overwoog de Staatscommissie dat technische en maatschappelijke ontwikkelingen het vraagstuk van de persoonlijke levenssfeer – privacy – klemmend hadden gemaakt.[30] De Staatscommissie gaf aan te hebben overwogen of aan het voorgestelde artikel 84 Grondwet een bepaling zou moeten worden toegevoegd die een grondslag zou vormen voor een regeling van rechten tot inzage en verbetering van persoonlijke gegevens. De toenemende mate waarin dergelijke gegevens werden verzameld en de betekenis die deze gegevens konden hebben voor talrijke beslissingen omtrent personen, lieten volgens de Staatscommissie de noodzaak zien van bescherming tegen fouten. De Staatscommissie kwam echter in meerderheid tot de conclusie dat opneming van een grondwettelijke bepaling die uitgaat van een aanspraak van de burger op inzage van en verbetering van over hem verzamelde gegevens, nog niet opportuun was. Wel achtte zij het wenselijk dat voor bepaalde onderdelen van het probleem een wettelijke regeling zou plaatsvinden.[31]

Enkele leden[32] van de Staatscommissie – de minderheid – achtten dit standpunt te passief. [33] Deze leden wezen op het risico dat uitwisseling en aanwending van gegevens zou kunnen plaatsvinden voor andere doeleinden dan waarvoor de gegevens waren vergaard. Er diende volgens deze leden een aanspraak voor de betrokkenen op inzage en eventuele rectificatie te worden geschapen. Zij stelden voor de volgende bepaling toe te voegen aan de Grondwet: “De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op inzage van over hen verzamelde gegevens en de bevoegdheid om daarvan verbetering te vragen.”[34]

Dit minderheidsstandpunt van de Staatscommissie kreeg ruime aandacht in een in 1974 uitgebrachte Nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid van de regering Den Uyl. [35] Daarin gaf de regering aan oog te hebben voor de bezwaren die voortvloeiden uit de omstandigheid dat in toenemende mate persoonlijke gegevens werden verzameld en verwerkt. De regering achtte de totstandkoming van een wettelijke regeling gewenst. Daarnaast was de regering van mening dat in de Grondwet een opdracht aan de wetgever om regels te stellen over het recht op inzage en op verbetering van verzamelde gegevens niet mocht ontbreken.[36] Zij concludeerde: “De Grondwet dient een bepaling te bevatten inzake het recht op inzage van persoonlijke gegevens.”[37]

De derde fase in de voorgeschiedenis van artikel 10 Grondwet betrof de indiening en behandeling, in het kader van een algehele grondwetsherziening, van een wetsvoorstel voor een nieuw grondwetsartikel inzake eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Op 2 april 1976 diende de regering een wetsontwerp in houdende Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake grondrechten.[38] Artikel 1.10 van dit wetsontwerp luidde:[39]

1. leder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen van persoonsgegevens.

3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

In de memorie van toelichting bij dit voorstel stelde de regering: “Eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer wordt in onze samenleving thans terecht beschouwd als een essentiële voorwaarde voor een menswaardig bestaan en als een van de grondslagen van onze rechtsorde. Wij zijn dan ook met de staatscommissie van mening, dat aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer een plaats onder de grondrechten moet worden toegekend.[40] Vervolgens overwoog de regering: “Reeds deze fundamentele betekenis van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer houdt een rechtvaardiging in om, anders dan de staatscommissie heeft aanbevolen, niet te volstaan met dit recht louter als een opdracht aan de wetgever bij de sociale grondrechten in te delen maar als een direct werkend recht in het onderhavige wetsontwerp op te nemen.”[41]

Tijdens de parlementaire behandeling in eerste lezing is op 23 september 1976 bij nota van wijziging in het tweede lid na het woord ‘vastleggen’ ingevoegd: ‘en verstrekken’. [42] De leden van de Kamerfracties van K.V.P., A.R.P. en C.H.U. hadden bepleit de regelingsopdracht uit te breiden met ‘het verwerken en verstrekken van persoonsgegevens’. De regering heeft in de memorie van antwoord[43] opgemerkt, dat dit inhoudelijk aan de bedoeling beantwoordde en dat een aanvulling van het voorgestelde artikel in deze geest ook naar de mening van de regering een verbetering zou zijn. Dit gold echter vooral voor het verstrekken. Een uitdrukkelijke toevoeging van het verwerken lag naar de mening van de regering minder voor de hand.[44]

Het belangrijkste discussiepunt in de parlementaire behandeling van het voorgestelde artikel 1.10 Grondwet betrof de vraag of in de Grondwet ook een bepaling moest worden opgenomen over het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.[45] In december 1976 dienden Kappeyne van de Coppello (VVD) c.s. een amendement in, waarbij werd voorgesteld na het eerste lid van artikel 1.10 Gw. een nieuw lid in te voegen, luidende: “leder heeft, behoudens bij de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.”[46] De regering had opneming in de Grondwet in de vorm van een apart grondrecht op onaantastbaarheid van het lichaam eerder ontraden, met het argument dat de lichamelijke integriteit reeds werd beschermd door het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.[47] De Tweede Kamer verwierp op 22 december 1976 het amendement Kappeyne van de Coppello c.s., waarbij de regering op verzoek van de Kamer wel toezegde een studie te zullen uitvoeren naar de problematiek van de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.[48] Die studie resulteerde in januari 1979 in de ‘Nota over de vraag of een bepaling over het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam in de Grondwet zou moeten worden opgenomen’.[49] Ook in deze nota werd afgeraden om het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam op te nemen in de Grondwet. Dat dit recht uiteindelijk toch in een afzonderlijk grondwetsartikel is opgenomen, is te danken aan de vasthoudendheid van een vrijwel unanieme Tweede Kamer.[50] Een motie Kappeyne van de Coppello c.s., die ertoe strekte “dat het beginsel van de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam zo belangrijk is, dat het als grondrecht afzonderlijk in de Grondwet behoort te worden vermeld”[51] werd in juni 1979 met algemene stemmen aangenomen.[52] Op 5 maart 1980 diende de regering een wetsontwerp in houdende Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van een bepaling betreffende het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.[53] Dat leidde, na behandeling in beide Kamers, in 1983 tot opneming van het grondrecht op onaantastbaarheid van het lichaam in de Grondwet (artikel 11).

Het voorgestelde grondwetsartikel inzake eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, Artikel 1.10, bleef na de voornoemde Nota van Wijzigingen van 23 september 1978 verder ongewijzigd.[54] Dit grondwetsartikel werd, als onderdeel van de grondwetsherziening (klassieke grondrechten), na behandeling en aanvaarding in beide Kamers in eerste lezing en tweede lezing[55], in 1983 in de Grondwet opgenomen (artikel 10). Het grondwetsvoorstel is verheven tot wet en op 17 februari 1983 in het Staatsblad bekendgemaakt.[56]  Het eerste lid trad (ingevolge additioneel Artikel VI) op 17 februari 1988 in werking; het tweede en derde lid werden op 17 februari 1983 van kracht.

2. BETEKENIS VAN ARTIKEL 10 GRONDWET

Betekenis van artikel 10, eerste lid, Gw.

De regering stelde in de memorie van toelichting (MvT) bij artikel 10 Gw voorop dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer naar zijn inhoud in de eerste plaats op de vrijheidssfeer van de burger betrekking heeft en als een direct werkend recht moet worden geredigeerd.[57] Dit vindt bevestiging in het directe verband met het huisrecht en het briefgeheim, die al eerder als klassieke grondrechten zijn beschouwd. Op de vraag wat onder de onder de persoonlijke levenssfeer en de eerbiediging daarvan moet worden verstaan, is de regering bij de grondwetsherziening van 1983 slechts in algemene zin ingegaan.[58] De regering stelde dat in elk geval tot de persoonlijke levenssfeer moeten worden gerekend: de woning, bepaalde vormen van communicatie (zoals het telefoongesprek, de briefwisseling en het buiten een woning gevoerde vertrouwelijke gesprek), sommige gewoonten, gedragingen, contacten, abonnementen, lidmaatschappen en bepaalde aspecten van het gezinsleven. De regering merkte op dat privacy derhalve niet iets is dat alleen ruimtelijk te begrenzen valt. [59] Ook de lichamelijke en geestelijke integriteit behoren volgens de regering tot de persoonlijke levenssfeer.[60] Ten slotte kunnen ook het vastleggen en gebruiken van persoonsgegevens een inperking vormen op artikel 10, eerste lid, Gw. In de MvT merkte de regering hierover op dat “door allerlei gegevens omtrent personen te registreren, deze in verband met elkaar te brengen en vervolgens bij het nemen van voor de persoon belangrijke beslissingen van die gegevens gebruik te maken, de privacy [kan] worden aangetast.”[61]

Artikel 10, eerste lid, eist, met de bewoordingen ‘behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen’, voor elke beperking een specifieke[62] formeelwettelijke grondslag.[63] Delegatie van de beperkingsbevoegdheid is daarbij toegelaten. De regering gaf in de MvT aan dat in deze grondwetsbepaling voor een “vrij ruim opgezette beperkingsbevoegdheid” is gekozen in verband met de omstandigheid dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer op uiteenlopende gebieden aan de orde kan komen. Ook woog mee dat ten tijde van de totstandkoming van deze grondwetsbepaling niet volledig was te voorzien welke beperkingen noodzakelijk zouden zijn.[64]

Het vereiste, in artikel 10, eerste lid Gw, van een formeel-wettelijke grondslag is in de jurisprudentie nader ingekleurd:[65]

In het Zwolsman-arrest van 19 december 1995[66] betreffende de toelaatbaarheid van opsporingsmethoden die inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer formuleerde de Hoge Raad de volgende hoofdregel (r.o. 6.4.2.): “In geval de Grondwet het stellen van beperkingen aan enig fundamenteel recht toelaatbaar acht, wordt zulks slechts gelegitimeerd door of krachtens een wet in formele zin.” De Hoge Raad maakte in dit arrest een uitzondering voor ‘beperkte’ inbreuken op de persoonlijke levenssfeer, waarvoor de globale taakstelling van artikel 2 Politiewet 1993 een toereikende wettelijke grondslag bood.[67]

Het vereiste van een formeel-wettelijke grondslag brengt een beperking mee van de regelgevende bevoegdheid van lagere wetgevers. Illustratief in dit verband is een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 1995 (Drugspand Venlo)[68]  inzake de bevoegdheid tot sluiting van drugspanden op grond van de APV-Venlo. In deze zaak hadden burgemeester en wethouders van Venlo, met toepassing van artikel 35b, eerste lid, van de APV gemeente Venlo 1984, een woning met onmiddellijke ingang gesloten verklaard wegens overlast door drugshandel. De rechtbank Roermond oordeelde dat het besluit van burgemeester en wethouders van Venlo in strijd was met het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. In hoger beroep stelde de Afdeling voorop dat een woning die als zodanig in gebruik is naar haar aard behoort tot de persoonlijke levenssfeer van haar bewoners. De Afdeling overwoog dat een geslotenverklaring van een woning als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de APV-Venlo een beperking vormde van het recht, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet. De Afdeling stelde vast dat een dergelijke beperking slechts is toegestaan op basis van een wet in formele zin. De Afdeling oordeelde dat in casu zulk een grondslag ontbrak en concludeerde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het bestreden besluit van burgemeester en wethouders in strijd was met artikel 10 van de Grondwet.

Inmiddels is in dit ‘beperkingsdeficit’ voorzien door de opneming van een algemene sluitingsbevoegdheid van de burgemeester wegens verstoring van de openbare orde in artikel 174a Gemeentewet[69] en wijziging van de Opiumwet, artikel 13b.[70] [71]

Met betrekking tot de eis van een formeel-wettelijke grondslag bij inperking van een grondrecht zijn in het bijzonder drie arresten van de Hoge Raad van 24 februari 2017 van belang.[72] In deze zaken staat de vraag centraal of de Belastingdienst voor de controle van rittenregistraties in het kader van privégebruik van een auto van de zaak gebruik mag maken van beelden vastgelegd met ANPR-camera’s (snelweg-camera’s voorzien van ‘Automatic Number Plate Recognition’ (ANPR)). De Hoge Raad oordeelt dat het privéleven van de betrokkenen wordt geraakt door de manier van het verzamelen en gebruiken van de met ANPR-camera’s verkregen gegevens. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat het niet gaat om één of enkele waarnemingen in de openbare ruimte, maar om het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens over de bewegingen van voertuigen op diverse plaatsen in Nederland.[73] De Hoge Raad toetst aan zowel artikel 10, eerste lid, Grondwet als artikel 8 EVRM. Ten aanzien van artikel 10, eerste lid, Grondwet overweegt de Hoge Raaddat de woorden “behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen” in artikel 10 van de Grondwet meebrengen dat beperkingen op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer slechts kunnen worden gerechtvaardigd door of krachtens een wet in formele zin.[74] De Hoge Raad oordeelt dat in de onderhavige gevallen geen sprake was van een voldoende precieze wettelijke grondslag. Daarbij overweegt de Hoge Raad[75] dat de door het Gerechtshof in de bestreden uitspraak (ECLI:NL:GHDHA:2015:3207) genoemde ‘algemene taakstelling van de Belastingdienst’, waarmee het Gerechtshof kennelijk het oog had op artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, niet voldoet aan dit vereiste. Dat artikel bepaalt slechts in algemene zin dat de Belastingdienst is belast met de heffing en invordering van rijksbelastingen. Artikel 20 AWR, op grond waarvan de inspecteur te weinig geheven belasting kan naheffen, biedt naar het oordeel van de Hoge Raad evenmin een voldoende precieze wettelijke grondslag voor de gevolgde handelwijze. Hetzelfde geldt voor de regeling over belastingheffing wegens privégebruik van auto’s in artikel 13bis Wet LB 1964. De Hoge Raad concludeert dat de bestreden uitspraak van het Gerechtshof niet in stand kan blijven en verklaart het beroep in cassatie gegrond.[76]

Ten slotte is in dit kader een arrest van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 mei 2018[77]  van belang. In deze zaak is ten aanzien van de betrokkene, kentekenhouder, bij een traject-controle een snelheidsovertreding geconstateerd. De betrokkene heeft betoogd dat de foto’s van de trajectcontrole niet als bewijsmiddel zouden kunnen worden gebruikt, omdat het opsporingsmiddel trajectcontrole in strijd zou zijn met het recht op privacy (artikel 8 EVRM en artikel 10 Grondwet). Het Gerechtshof stelt in zijn arrest voorop dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een schending van de privacy van belang is, dat de sanctie is opgelegd met toepassing van artikel 5 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), derhalve aan de kentekenhouder. Daarbij is het voor het opleggen van de sanctie niet van belang wie de feitelijke bestuurder is geweest. Het hof overweegt dat wie de auto ten tijde van de vermeende snelheidsoverschrijding heeft bestuurd in deze zaak niet is vastgesteld en ook niet kan worden vastgesteld door middel van de bij de trajectcontrole vastgelegde gegevens. Aan het hof is ambtshalve bekend dat bij foto’s van trajectcontroles slechts de achterzijde van het voertuig op de foto wordt vastgelegd. Er is volgens het hof geen aanwijzing dat de bij een trajectcontrole vastgelegde gegevens direct herleidbaar zijn tot de bestuurder. Gelet hierop is er naar het oordeel van het hof bij de trajectcontrole geen sprake van schending van de privacy als bedoeld in artikel 8, eerste lid, EVRM of van schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10, eerste lid, Grondwet. [etc]

‘STAPJE VOOR STAPJE’ @nrc #verkiezingsuitslag #president-elect #Biden

Tags

Het is vandaag precies drie weken na verkiezingsdag en 17 dagen sinds alle grote tv-zenders Joe Biden als winnaar aanwezen. En stapje voor stapje begint president Trump zijn nederlaag onder ogen te zien. Althans: gisteren werd bekend dat het agentschapje dat presidentiële transities regelt Biden als de ‘schijnbare’ winnaar aanmerkt. En Trump, meldde hij via Twitter, zal zich daar „in het landsbelang” niet tegen verzetten. Dat heet in de pers weliswaar nog niet ‘to concede’ (zich gewonnen geven, handdoek in de ring gooien, capituleren), maar wel ‘to relent’  (toegeven, zich laten vermurwen).

Het besluit was dit weekeinde snel onvermijdelijk geworden nu op deelstaatniveau de voorlopige uitslagen steeds definitiever worden. Vrijdag werd duidelijk dat Bidens nipte winst in Georgia ook na hertelling overeind blijft. Zaterdag verloor Trumps juridische team op nogal spectaculaire wijze een rechtszaak in Pennsylvania. (Lees ook dit vernietigende vonnis waarin een conservatieve federale rechter in 37 kantjes zegt: Scheer je toch weg met je ongefundeerde beschuldigingen). Maandag stelde die staat de uitslag definitief vast. Hetzelfde geldt voor Michigan, waar lokale Republikeinen eind vorige week door Trump nog onder grote druk waren gezet om de uitslag te verwerpen.

Trumps verzet blijft zo vruchteloos. Zijn advocatenteam onder leiding van Rudy Giuliani ziet zichzelf weliswaar als ‘elite strike force team’, maar in de media werd na een nogal bizarre persconferentie, donderdag, gesproken van een ‘clownshow’. Naast de smeltende Giuliani, speelde advocaat Sidney Powell daar een opmerkelijke rol door allerlei online complottheorieën op te dissen, zonder enig bewijs. Zij botste hierover hard met een sceptische Tucker Carlson van Fox News en lijkt inmiddels op een zijspoor gezet.

Trump heeft, kortom, grote moeite om rechters, de media en zelfs partijgenoten te overtuigen van de „massale kiesfraude”. Maar zij zijn, vermoed ik, ook niet langer zijn primaire publiek. Dat is zijn electoraat. En daarvan gelooft ruim de helft dat Biden via gesjoemel won en dat Trump de rechtmatige winnaar is. Dat ondergraaft Bidens legitimiteit vanaf dag-1. En kan de basis leggen voor een doorstart voor Trump in de media of de politiek – of een combinatie van beide, zoals ik in dit stuk uitleg. 

TEAM-BIDEN. Terwijl de Republikeinen zo langzaam Trumps verlies beginnen te erkennen, komt Biden deze week met de eerste namen voor zijn regeringsploeg. In een gelikt filmpje voor de sociale media presenteerde hij ze onder het motto ‘Amerika is terug aan de tafel’. Ik som ze ook hieronder even kort voor u op:

Antony Blinken (56) als minister van Buitenlandse Zaken. Een keuze die een resolute breuk met Trumps America First-doctrine moet inluiden. Een overtuigd multilateralist, maar met een vleugje interventionisme, lees je in dit korte profiel.

Linda Thomas-Greenfield (68) als VN-ambassadeur. De voordracht van deze Afro-Amerikaanse veterane van het State Departement lijkt deels een bemoedigend signaal richting het corps diplomatique wereldwijd dat de uitholling van hun dienst onder Biden een halt wordt toegeroepen.

Jake Sullivan als Nationaal Veiligheidsadviseur. Met zijn 43 jaar vooralsnog het enige jonkie in Bidens verder nogal oude team.

John Kerry (77) wordt klimaatgezant. Met de keuze voor deze verliezend presidentskandidaat (in 2004) en oud-minister van Buitenlandse Zaken laat Biden blijken dat hij klimaatbeleid tot speerpunt wil maken. Kerry hielp het Klimaatverdrag van Parijs afsluiten en moet nu de VS weer laten aanhaken.

Alejandro Mayorkas (61) als minister van Binnenlandse Veiligheid. Als kind van Cubaanse ballingen de eerste latino die het megadepartement gaat leiden. Moet onder meer Trumps anti-immigratiebeleid van zijn ergste uitwassen gaan ontdoen.

Avril Haines (51) als Nationaal Inlichtingendirecteur. Werkte ook al onder Obama en Biden in het Witte Huis en zou als eerste vrouw de baas worden van alle inlichtingendiensten.

Janet Yellen (73) als minister van Financiën. De oud-voorzitter van de Federal Reserve zou hiermee een sleutelrol krijgen in de aanpak van de coronarecessie. En zal haar ervaring binnen de centrale bank goed kunnen gebruiken om dit onder Trump gepolitiseerde instituut weer op te schonen. Tevens de eerste vrouw op deze post.

GEORGIA ON MY MIND. Toen ik in verkiezingstijd in Georgia rondreisde, moest ik bij campagnebijeenkomsten vaak mijn e-mailadres opgeven. Nu wordt ik dagelijks bedolven onder meerdere bedelmailtjes van de kandidaten in de dubbele Senaatsrace in de zuidelijke staat. Wat daarbij opvalt: de Republikeinse kandidaten (David Perdue en Kelly Loeffler) reppen met geen woord over Trumps vermeende kiesfraude. Direct na de stembusgang gingen ze nog wél mee in alle aantijgingen. Zo bekritiseerden ze hun partijgenoot en secretary of state Brad Raffensperger dat hij geen eerlijke en transparante verkiezingen had georganiseerd. Maar de afgelopen dagen waarschuwen hun mailtjes alleen nog voor „the radical left”, „socialisme”, „Antifa” en „linkse plunderaars”.

Het doet mij vermoeden dat Loeffler en Perdue inzien dat de retoriek over gesjoemel bovenal goed is voor Trumps eigen populariteit – en minder voor die van henzelf. Want: als de president meent dat stemcomputers gemanipuleerd worden vanuit Venezuela of Cuba of China, waarom zou je als Republikein dan nog gaan stemmen?  Zo bezien zou Trumps geklaag kunnen leiden tot voter surpression van zijn eigen Republikeinse electoraat. In november was de uitslag in Georgia zeer nipt. Als de president ook maar een paar duizend kiezers weghoudt bij de stembus, kan dit de Democraten beide zetels opleveren, waarmee ze de Senaat winnen.

Let de komende weken dus op de Republikeinen in de Senaat. Vorige week waren er al een paar senatoren die kritiek uitten op Trumps verdachtmakingen van de democratie en het kiesstelsel. Mitt Romney, uiteraard, maar ook Ben Sasse, die sneerde dat we „een land van wetten zijn, niet van tweets”. Maar echt interessant wordt het pas wanneer fractieleider Mitch McConnell of andere prominente senatoren als Ted Cruz of Lindsey Graham mochten gaan inzien dat Trumps slachtofferrol voor hen geen winnende strategie is.

Verder lezen over de Verenigde Staten…

Trump mag zijn verlies nog niet officieel erkennen, hij lijkt er wel rekening mee te houden dat hij het Witte Huis moet verlaten. Dat blijkt wel uit de tactiek van de verschroeide aarde die hij toepast op verschillende beleidstereinen (van milieubeleid tot recessiebestrijding), zoals dit stuk handzaam samenvat.

En ook op het Midden-Oosten probeert zijn regering op de valreep nog een stempel te drukken, merkt NRC-columnist Carolien Roelants op.

Ook deze verkiezingen lieten weer een groot geografisch verschil zien tussen de rode (conservatieve) plattelandsstem en de kiezer in de blauwe (progressieve) stad. Die gespletenheid treedt ook in Europa al op, waarschuwt Coen Teulings in dit opinie-artikel.

Ondertussen raast de corona-epidemie in de VS door. De ziekenhuizen liggen in veel staten vol, maar president Trump lijkt zijn interesse voor het virus te hebben verloren.

nrc.nl/amerika, https://www.nrc.nl/nieuws/2020/11/23/vs-verkiezingsblog-2020-tien-a4021150

‘President Trump schaart zich achter machtsoverdracht aan regering-Biden’ @ad

Tags

De machtsoverdracht in de Verenigde Staten aan de nieuwe regering van de verkozen president Joe Biden kan officieel beginnen. Dat schrijft Emily Murphy, het hoofd van de Amerikaanse overheidsdienst General Services Administration (GSA), in een brief.

Buitenlandredactie AD, 24 nov. 2020

De federale overheidsdienst weigerde tot voor kort nog Bidens verkiezingszege te erkennen, waardoor de Democraat geen toegang had tot federale overheidsmiddelen.

Bidens overgangsteam zegt dat het snel ontmoetingen zal organiseren tussen de aankomende president en federale overheidsfunctionarissen over de corona-epidemie en de nationale veiligheid. Tot dusver moest Biden het vooral doen met onofficiële briefings en had hij geen toegang tot relevante geheime informatie. Bidens overgangsteam noemt het besluit van de GSA een cruciale gebeurtenis voor een goede en vreedzame machtsoverdracht.

De door president Trump aangestelde ambtenaar Murphy zei lang te hebben gewacht met het tekenen van de overdrachtspapieren omdat ze eerst ‘verzekerd’ wilde zijn van Bidens verkiezingszege. Ze ontkent daarbij onder druk te zijn gezet. ‘Ik neem deze rol serieus en, vanwege recente ontwikkelingen rondom rechtszaken en de certificering van de verkiezingsuitslagen, stuur ik u vandaag deze brief om deze middelen en diensten aan u beschikbaar te stellen’, schrijft GSA-hoofd Murphy aan Biden.

Steun van Trump

Ook president Donald Trump laat in een tweet weten dat hij Murphy toestemming heeft gegeven de overdrachtspapieren te tekenen. Volgens hem is ze zo onder druk gezet en bedreigd, dat hij zich daartoe genoodzaakt zag ‘in het belang van het land’. Hij geeft wel aan dat de juridische strijd rond de verkiezingsuitslag wat hem betreft nog niet voorbij is, maar de tweet is een eerste openlijk signaal dat Trump zijn verkiezingsnederlaag mogelijk zal erkennen.

Op Twitter werd Murphy geprezen door president Donald Trump. Zij en haar team moeten volgens Trump ‘doen wat er gedaan moet worden’. De president schrijft tevens dat hij zijn eigen team dezelfde instructie heeft gegeven. Het groene licht van de GSA voor de machtsoverdracht is van groot praktisch belang voor Biden. Die dienst moet het team van de verkiezingswinnaar toegang geven tot zaken als kantoorruimte, apparatuur en geld om salarissen te kunnen betalen. Daar zijn miljoenen dollars mee gemoeid.

Biden klaagde eerder ook dat het uitblijven van een machtsoverdracht de corona-aanpak van zijn toekomstige regering in gevaar bracht. ,,Er kunnen meer mensen sterven als we niet coördineren’’, zei Biden over kwesties als het zo snel mogelijk verspreiden van Covid-19-vaccins onder Amerikanen.

In de aanloop naar de Amerikaanse verkiezingen maakte correspondente Karlijn van Houwelingen een roadtrip door het land. Ze bezocht verschillende plekken, die allemaal de naam ‘Hope’ dragen. Bekijk hieronder de video’s.

https://www.ad.nl/buitenland/president-trump-schaart-zich-achter-machtsoverdracht-aan-regering-biden~a537fc3f/?

Vanuit uitstekende verslagen van hoorzittingen gisteren in o.m. @volkskrant zijn belangrijke conclusies zichtbaar geworden, maar óók een opvallende leemte #archiefwet @tweedekamer dl 1

Tags

We beginnen met een uitstekend voorstel van de oud-chef politieke redactie NOS-Journaal en oud-directeur van de RVD (Rijksvoorlichtingsdienst) Jaap van der Ploeg met ook de enige ‘bevinding’ die direct opvallend is: ‘Maak van deze hoorzittingen een *realitycheck* met de burger want dan weet iedere bewindspersoon dat hij vroeger of later altijd met de burger te maken krijgt: door die realitycheck kan simpelweg geen brief of mail verloren gaan. Bovendien wordt de ‘twee handen op één buik’-situatie tussen ambtelijke ambities en beleidsvoering door de bewindspersoon vermeden worden:

Maak van hoorzitting een realitycheck met burger (JAAP VAN DER PLOEG, Opinie & Debat/de Volkskrant, 24-11-20)  met als kernthema dat de parlementaire controle op de uitvoering van beleid moet worden versterkt. En dat kan op een nieuwe manier, volgens de schrijver.

Kindertoeslag-affaire

‘In het hoofdredactioneel commentaar van vrijdag 20 november schrijft Raoul du Pré dat ambtenaren buitenshuis – bijvoorbeeld bij Kamerleden – alarm moeten kunnen slaan als zij binnenskamers zaken mis zien lopen. Aanleiding: de Kamercommissies die onderzoek doen naar de uitvoering van wetten zoals die rond kinderopvangtoeslag en uitvoeringsorganisaties.

‘De analyse van Du Pré – veel ellende kan worden voorkomen als ambtenaren mogen vertellen wat ze mis zien gaan – is juist, maar bij de manier waarop hij dat wil doen, zet ik grote vraagtekens.’

*Terecht zet Van der Ploeg ‘grote vraagtekens’ bij de manier waarop De Pré meent dat veel ellende kan worden voorkomen, omdat één aspect helemaal niet aan de orde is geweest tijdens de hoorzittingen, namelijk de verhoudingen tussen de politieke leiding (bewindslieden én topambtenaren), die vanuit de gegroeide politieke cultuur zich heeft ontwikkeld naar een planmatige carrière van die beleidsambtenaren naar een topfunctie binnen ‘het apparaat’ om hun carrière een vervolg te geven door ofwel opklimmende functies en zodoende burgemeester te worden, ofwel naar een topambtenaarsfunctie die alom gezag oplevert. Met andere woorden, het komt altijd neer op een baantjescarrousel en als dat heel handig wordt gespeeld word je ooit een sublieme robotambtenaar die alles controleert. En die ook een belangrijke sleutel in handen heeft, namelijk welke post en nota tot de minister doordringt en welke niet. Amerikaanse praktijken kortom zoals het bekende Watergateschandaal.

*Nu weet ik niet hoe het Amerikaanse ambtelijke wereldje precies verschilt van de onze, maar één ding is wel duidelijk dat we ‘hier’ uitgaan van beroepscarrières, met een gedegen vooropleiding met noodzakelijke professionele kennis en vaardigheden. In de VS is na de presidentswissel sprake van een complete vervanging van het hele ambtelijke apparaat. En zo wordt op een andere manier gewerkt aan ambtelijke ‘verkokering’ dan bij ons. Maar hier kunnen door een verkeerd gehanteerde en/of toegepaste archiefwet stukken kwijtraken, zoals ook tijdens deze hoorzittingen gebeurde en zoals berichte bonnetjes zoals onder Rutte 2 uiteindelijk weer boven water kwamen. Onze archiefwet is dus een archaïstische toestand die voorkomen had kunnen en moeten worden. Daarover later meer. Eerst een verdere bespreking van Van der Ploegs tekst.       

Bredere aanpak

‘Ook moest de overheid [in de jaren van Paars 1 en 2] voortaan worden gerund door ‘managers’, wat betekent dat onze topambtenaren om de vier jaar van post wisselen en nauwelijks inhoudelijke kennis hebben van hun terrein [Dat werd zichtbaar toen de topambtenaren werden gehoord]. Gelukkig zien de meeste politieke partijen nu wel, zelfs de VVD, dat de relatie markt-overheid veranderd moet worden ten gunste van de overheid.

‘Maar hoe kunnen we het nu geschetste dan beter oplossen? De ‘oekaze Kok’ kan grotendeels van tafel. Maar ongecontroleerd contact tussen ambtenaren en Kamerleden heeft de geur van achterkamertjes en is niet transparant. Het bijhouden van registers van wie met wie sprak en waarover (zoals bij lobbyisten) werkt totaal niet.

*Wat hier door Van der Ploeg volkomen vergeten wordt is dat de overheidsvoorlichting met de dag slechter wordt, zoals nu zichtbaar wordt door de covidpersconferenties, die voor de gewone burgers nauwelijks te volgen zijn vanwege het academische en management-taalgebruik. En het ‘bijhouden van registers’ was ook zo’n laboratoriumexperiment, die natuurlijk niets kon uithalen, maar dat zelfstandige en kritische denkvermogen bestaat binnen de Haagse kaasstolp niet meer want daar is iedereen en alles gericht op marktconform politiek ‘winstdenken’ (lees: stemmenwinst genereren via  opinie ‘peilingen’).

‘Ik pleit voor een veel bredere aanpak, waarbij niet alleen ambtenaren worden betrokken maar ook uitvoeringsorganisaties en de misdeelde burger zelf. De parlementaire controle op de uitvoering van beleid moet worden versterkt.

*Hier bestaan nog andere alternatieven die uitgeprobeerd kunnen worden op basis van deze veel bredere aanpak van Van der Ploeg: alleen de begrotingsdebatten worden nog aangehouden omdat de grote lijnen van het te voeren beleid op die manier via het uitwisselen van visies op de grote lijnen kan worden gefocust, en vervolgens de budgetten voor het nieuwe seizoen worden vastgelegd.

Maar alle thema’s van het ‘mondelinge vragenuur(tje)’ op de dinsdagmiddag kunnen een ander karakter krijgen omdat daarmee de verdergaande ‘versplintering’ van de politiek alleen maar wordt bevorderd, en verder niets. Selecteer tijdens dat vragenuur alleen de heel belangrijke thema’s of knelpunten die zich goed lenen voor het voorbereiden van hoorzittingen, want daarmee worden de pietluttigheden uit de persrubrieken van het afgelopen weekend gepasseerd, want ze leveren toch niets op dan alleen ‘platte publiciteit’ voor de betrokken vragenstellers. Meestal zinloos gedoe.      

‘Dat kan door het invoeren van regelmatige hoorzittingen van Kamercommissies over de uitvoering van de wet- en regelgeving op hun beleidsterreinen. Deze hoorzittingen zijn openbaar voor media en burgers, en dus hoort dan iedereen wat er werkelijk in de praktijk gaande is.

*Dit is een uitstekende suggestie om regelmatige – en wat mij betreft zelfs steeds doorlopende – hoorzittingen te houden. Hiervoor zal grote belangstelling onder het publiek bestaan. Alles beter dat het gemiddelde geleuter tijdens gemiddelde Kamerdebatten.

‘De Kamerleden komen daar om te luisteren en vragen te stellen. De antwoorden komen van de ambtenaren, de uitvoerders en de betrokken burgers die zich voor de hoorzitting hebben opgegeven.

‘En dat moet vooral niet in Den Haag, maar in het land. Ik denk aan een keer in de maand – tien keer per jaar. Het lijkt mij ook een prachtige manier om de kloof tussen burger en overheid te verkleinen. En wie wil dat niet.

‘Een mooi onderwerp voor de verkiezingsprogramma’s en de daaropvolgende campagne.

*Ook dat!

En tot slot van dit eerste deel van de evaluatie van deze tot heden gehouden hoorzittingen, zoals aangegeven in de kop van deze blog, te weten de archiefwet:

https://krant.volkskrant.nl/titles/volkskrant/7929/publications/1113/articles/1252251/24/1

Overeenkomst tussen Toeslagencrisis en het Bindend studieadvies @fd #warrigepolitiekebesluitvorming

Tags

Geef ons politici die analyseren voordat ze besluiten (Harry Garretsen en Janka Stoker, EXPERT/fd, 23-11-20)

In het kort:

  • Bindend studieadvies afschaffen zoveelste voorbeeld impulsieve politiek.
  • Uitvoerder is hierdoor weer de klos.
  • Evaluatie en analyse moeten in Kamer voorop staan.

Tot veler verbazing steunde een meerderheid van de Tweede Kamer recent een motie van GroenLinks voor afschaffing van het bindend studieadvies (bsa). Momenteel krijgen studenten in het hoger onderwijs dit advies aan het einde van het eerste studiejaar. Bij te weinig studiepunten moet een student stoppen met de studie. In een reactie op Twitter verzuchtte de doorgaans goed geluimde (scheidende) rector magnificus en voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Leiden, Carel Stolker: ‘Ik maak het gelukkig niet meer mee. Maar het is wel heel erg.’

Hoe zat het ook alweer met dat bsa? Mede vanwege de slechte studierendementen in het hoger onderwijs in Nederland, zeker ook in vergelijking met andere landen, maakte toenmalig onderwijsminister Ronald Plasterk het ruim 10 jaar geleden mogelijk voor universiteiten en hogescholen om studenten na hun eerste jaar een bindend studieadvies te geven. Wij waren in die tijd zelf bestuurders aan de faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen, twee vakgebieden waar studievoortgang al jarenlang een probleem was. Er liepen bij ons talloze langstudeerders rond. Naast dat dit voor die studenten zelf vervelend was, was het voor opleidingen dramatisch, omdat vanuit het ministerie geen vergoeding meer kwam voor deze studenten, terwijl zij wel onderwijs bleven volgen.

Geschokt

De invoering van het bsa leidde tot een significante verbetering van het studiesucces. Bij onze faculteit daalde het aantal langstudeerders spectaculair. Het aantal studenten dat binnen vier jaar de bachelor haalde, steeg bijvoorbeeld bij onze opleiding Bedrijfskunde met zo’n 20%. Dergelijke resultaten werden ook elders geboekt. Maar de Tweede Kamer stelt nu voor om het bsa weer af te schaffen, omdat het zou leiden tot stress bij studenten, en een ultiem voorbeeld zou zijn van het verwerpelijke ‘rendementsdenken’. Minister Ingrid van Engelshoven reageerde via een tweet verheugd op de motie, terwijl bestuurders in het hoger onderwijs geschokt waren. ‘De Tweede Kamer kiest voor langstudeerders, worstelende studenten in een verkeerde studie, en voor nog meer werkdruk voor onze docenten: de verkiezingen komen eraan’, reageerde bestuurder Stolker.

Dat zou inderdaad wel eens een verklaring kunnen zijn voor dit onverwachte cadeau van de Kamer richting stemgerechtigde studenten. Maar er is meer aan de hand dan alleen makkelijk politiek scoren. De motie is namelijk het zoveelste voorbeeld van de neiging van politici tot impulsief handelen als het om besluiten gaat met een grote impact op de uitvoeringspraktijk. In dit verband levert het parlementaire onderzoek naar waarom er zoveel misgaat bij uitvoeringsorganisaties zoals de Belastingdienst uiterst relevante inzichten op. Oók voor het hoger onderwijs.

‘Laat je leiden door analyse en evaluaties, en niet door de scoringsdrang om lukraak beleid aan te passen’

Een cruciale constatering is namelijk dat de meeste problemen hun oorsprong niet vinden bij de uitvoeringsorganisaties, maar bij het kabinet en de Tweede Kamer zelf. Volgens ambtenaren van Financiën wordt de politieke agenda vooral door incidenten gedreven, en de ‘keiharde maatregelen’ die politici vervolgens nemen, lossen niets op. Roel Bekker, oud-secretaris-generaal van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, stelt dat het de Tweede Kamer simpelweg ontbreekt aan kennis om goed beleid te kunnen maken.

Te korte bochten

Dat gebrek aan kennis betreft niet alleen beleid maken, maar juist ook evalueren. Het voorstel om het bsa af te schaffen, is hier bij uitstek een voorbeeld van. In plaats van grondig te analyseren wat nu echt het probleem is, wordt het hele systeem bij het grofvuil gezet. Dit gedrag is illustratief voor de neiging van bestuurders, niet alleen bij de overheid maar ook in het bedrijfsleven, om strategie en beleidsbepaling belangrijker (en makkelijker) te vinden dan implementatie en evaluatie. Het lijkt daadkrachtig leiderschap, maar betekent helaas vooral beleid met haakse en te korte bochten, onder het motto ‘we gaan het nu helemaal anders doen’. Het is vast moeilijk om de veranderdruk vanuit de buitenwereld te weerstaan met de dooddoener ‘ik wil dit eerst goed onderzoeken’. Maar het is, in het geval van het bsa, wél het leiderschap dat verwacht mag worden, bij uitstek van de minister die ‘wetenschap’ in haar portefeuille heeft.

Het goede nieuws is dat de rijksoverheid wel degelijk weet dat het gebrek aan monitoring en evaluatie een groot probleem is. Zo heeft minister Wopke Hoekstra in 2018 de ‘Operatie Inzicht in Kwaliteit’ gelanceerd, om meer inzicht in de impact van beleid te krijgen en daar vervolgens ook naar te handelen. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap maakt zelf met grote regelmaat een ‘monitor beleidsmaatregelen hoger onderwijs’. Aan de ambtenaren op de ministeries ligt het dus niet, maar het is dweilen met de kraan open.

We hebben politici nodig die, uiteraard met voldoende inhoudelijke ondersteuning, pas na een goede probleemanalyse én evaluatie tot vergaande beleidsmaatregelen besluiten. Daarom een welgemeend beleidsadvies alvast aan het nieuwe parlement en kabinet: laat je leiden door analyse en evaluaties, en niet door de scoringsdrang om lukraak beleid aan te passen. Als eerste stap vergt dat een investering in capaciteit, om daarmee Tweede Kamerleden inhoudelijk te kunnen faciliteren bij het evalueren van beleid.

[Harry Garretsen is hoogleraar International Economics & Business en Janka Stoker is hoogleraar Leiderschap en Organisatieverandering aan de Rijksuniversiteit Groningen.]

https://fd.nl/opinie/1365024/geef-ons-politici-die-analyseren-voordat-ze-besluiten