Tags

,

Nieuwe industriepolitiek van kabinet berust op een misverstand (Albert Jan Hummel en Vinzenz Ziesemer, Industrie/fd, 18 juli 22)

Ook in de toekomst moet minimaal 10% van ons bbp uit de industrie komen, zo schrijft het kabinet in de nieuwe industrienota. Maar zo’n minimaal percentage stellen voor de industrie is onverstandig en berust op een misverstand, vinden Albert Jan Hummel en Vinzenz Ziesemer van het Instituut voor Publieke Economie

Nederland moet haar eigen maakindustrie koesteren. Dat was de hoofdboodschap van het kabinet toen het begin deze maand – voor het eerst in vijftig jaar – een nieuw industriebeleid lanceerde. Minister Micky Adriaansens van Economische Zaken bepleitte: ‘Wij benoemen wat het aandeel industrie in Nederland moet zijn, en dat is best baanbrekend. Het is nu ruim 12% van het bruto binnenlands product (bbp). Wij zeggen nu dat we dat tussen de 10% en 15% willen houden.’ Het stellen van een ondergrens op de grootte van de industrie is inderdaad best baanbrekend. Maar of het verstandig is, valt te betwijfelen.

Landbouw

Rond het jaar 1800 werkte meer dan 40% van de Nederlandse beroepsbevolking in de landbouw. In 2000 was dat nog maar 3%. Ging de Nederlandse economie in de tussentijd te gronde? Nee, integendeel. Omdat landbouw steeds efficiënter werd, gingen we andere dingen produceren en consumeren. Wie tien keer zoveel geld heeft, gaat immers ook niet tien keer zoveel eten.

De volgende sector die opkwam, was de industrie. Die ontwikkeling bereikte zijn piek in de jaren ’60 van de vorige eeuw. Hierna begon de industrie als percentage van het bbp te krimpen. Werden we armer? Nee, juist niet. De industriële productie werd steeds efficiënter, de welvaart nam toe en de vraag naar diensten groeide.

‘Voor de ontwikkelde landen geldt: Hoe welvarender een land wordt, hoe kleiner het aandeel van de industrie in de economie wordt’

Dit fenomeen wordt aangeduid als structurele transformatie en is van groot belang voor wie de ontwikkeling van de economie wil begrijpen. In de hele wereldgeschiedenis is er geen enkel voorbeeld van een land dat zich hieraan heeft weten te onttrekken. De ontwikkelingslanden van vandaag volgen, zonder uitzondering, dit proces van verandering: de industrie toont eerst relatieve groei, en dan relatieve krimp. Voor de ontwikkelde landen geldt: hoe welvarender ze worden, hoe kleiner het aandeel van de industrie in hun economie wordt. In plaats daarvan groeit het aandeel van diensten.

Weinig begrip

Uit de nieuwe industrienota van het kabinet blijkt weinig begrip van dit fenomeen. Daarnaast wordt niet duidelijk hoe het stellen van een ondergrens op de grootte van de industrie zal leiden tot hogere welvaart, of een eerlijkere verdeling daarvan. En hoewel in de nota terecht veel aandacht wordt besteed aan verduurzaming, zal het een stuk moeilijker zijn de klimaatdoelen te realiseren met een grotere industriële sector.

Als belangrijkste argument om de industrie te beschermen noemt de industrienota dat het ons minder afhankelijk maakt van derde landen. Een belangrijke les van de coronapandemie en de oorlog in Oekraïne is inderdaad dat grote afhankelijkheid van enkele leveranciers kan leiden tot onzekerheid en enorme verstoringen in productieketens. Zulke afhankelijkheidsproblematiek krijgt de laatste jaren steeds meer aandacht door de opkomst van China, maar is niet nieuw. Al in de Koude Oorlog werd veel geschreven over strategic denial of supply. De les uit die literatuur? Dit probleem betreft slechts zeer specifieke onderdelen van de economie, en de juiste vorm van overheidsingrijpen varieert van markt tot markt.

Gericht ingrijpen om de afhankelijkheid van derde landen te verminderen kan dus nuttig zijn. Maar sturen op de grootte van de totale industrie is geen oplossing. Daar komt bij dat de grootte van de industrie weinig zegt over hoeveel goederen we voor eigen consumptie maken. Het Centraal Bureau voor de Statistiek becijferde recent dat slechts een kwart van de toegevoegde waarde van de industrie is voor binnenlands verbruik. De rest wordt geëxporteerd. Hierbij speelt afhankelijkheid niet of nauwelijks een rol.

Nalezen

Het sturen op een industriesector van 10% tot 15% van het bbp lijkt vooral te zijn gebaseerd op een misverstand over hoe economische groei werkt. Hoe zou onze economie er vandaag uit hebben gezien als een eeuw geleden besloten was dat ten minste 40% van ons bbp voor rekening van de landbouw moest komen? We raden minister Adriaansens aan het hoofdstuk ‘Growth and Structural Transformation’ uit het in 2014 verschenen Handbook of Macroeconomics eens goed te lezen. Gelukkig bevat de industrienota dan weer weinig concrete beleidsvoornemens om het omschreven doel te bereiken, noch wordt beschreven welke maatregelen worden genomen als het doel niet wordt gehaald. Ruimschoots de tijd dus om deze doelstelling nog eens te overdenken.

[Vinzenz Ziesemer is directeur van het Instituut voor Publieke Economie en Albert Jan Hummel is universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam en adviseur van het Instituut voor Publieke Economie.]

https://fd.nl/opinie/1445223/nieuwe-industriepolitiek-van-kabinet-berust-op-een-misverstand-gsg2cabHkT8T

Advertisement