Tags

,

Stelling: Het eerste onderstaande artikel  (column uit Trouw) is typerend voor de boerenstand dat ze altijd hebben geworsteld met een politiek bestel in ons land waar het beleid altijd gebaseerd was op het naoorlogse beginsel dat er in ons land ‘nooit meer honger’ mocht voorkomen (Mansholt-doctrine), maar dat de wetgever nooit heeft gezien dat deze doctrine binnen (maximaal) twee decennia  al achterhaald was omdat de enorme subsidiestromen ons land tot een van de grootste agro-industriële produceten ter wereld hebben gemaakt, maar wel ten koste van onze bodemgesteldheid (met alle giftige mest) en natuur die uitgeput raakte.

De tweede beschouwing van afgelopen maanden werd al aangegeven dat ons land een uitzonderingssituatie heeft genoten, die dus op geen enkele grond gerechtvaardigd was. Vandaar dat met name de Rabobank grotelijks misbruik heeft gemaakt van deze faciliteiten om door te groeien naar de intensieve landbouwindustrie met een veel te grote schaal van koeien en varkens (en pluimvee) ten dienste van de export en dus de groei van ons bbp.

Maar dat ondanks onze extreem gunstige bodemgesteldheid (kenmerkend voor ‘deltalanden’). Vandaar dat de boeren zich gedwongen voldoen om mee te gaan on de extreme groei-eisen van de genoemde Rabobank.

Logisch dat de boerendeel van de bevolking zich altijd klemgezet voelde, maar het geeft hen geen recht om in het hier en nu rechten te claimen die altijd afgelopen jaren werden geaccentueerd door het misbruik van hun landbouwtraktoren, dat de indruk wekt dat ze met dit ‘visuele geweld’ hun zin konden doordrijven. Vooral met de voorheen sterke hulp van ’agrarische’ lobbypartijen CDA en VVD in hert centrum van de macht.

Het is daarom terecht dat beide visieloze partijen die zonder enig juist inzicht in de historische achtergrond van foutief landbouwbeleid hebben laten doormodderen. Lang leve het populisme.  Daarom wekt het ook geen verbazing dat beleid partijleiders Rutte en Hoekstra zich geen raad weten met deze huidige crisis, die toevalligerwijs samenvalt met de meervoudige crisissituaties in het heden op het politieke toneel.

Ter afsluiting wordt op basis van deze analyse duidelijk dat de veestapel sterk moet worden ingekrompen zodat er weer (sinds de wederopbouw na WO2 door de groeiende landbouwsector) een natuurlijk evenwicht zal ontstaan tussen agrowereld en natuurbeheer. Alle vertrekkende boeren worden ‘ruimhartig’ gecompenseerd bij het zoeken naar vervangende werkzaamheden in het binnenland of de opbouw van een boerenbedrijf in het buitenland.

Leegte’ (papierenversie) ofwel ‘Oh grote Johan Remkes, vertel ons wat we moeten doen en wij zullen regeren’ (digitale versie van Column Stevo Akkerman, vandaag/Trouw, 7-9-22)

‘Ik zat in zeer goed gezelschap aan de oever van het IJ toen maandagavond via een van onze telefoons de vraag van Henk Staghouwer binnenkwam: “Ben ik wel de juiste man op de juiste plaats?” Een belangrijke en goede vraag, vonden wij. Niet alleen voor een minister van landbouw, maar voor iedereen die verstrikt is geraakt in een positie waar hij of zij zich niet (meer) hoort – het was onszelf ook wel overkomen, in werk, relatie, waar dan ook.

Heel verstandig om je bij tijd en wijle af te vragen of de rol die je hebt wel past bij wie je bent. Is het antwoord ‘nee’, dan kan dat natuurlijk pijnlijk zijn, temeer als je een publieke figuur bent, een veronderstelde leider, en je voor het oog van het ganse land moet erkennen dat je eigenlijk niet geschikt bent voor de hoge functie die je werd toebedeeld. Tot zover hulde aan Henk Staghouwer.

Maar voor de coalitie, die toch al onder grote spanning staat door de stikstofcrisis en het gezwabber van Wopke Hoekstra daarin, is het vertrek van de landbouwminister natuurlijk een extra complicatie. Precies de bewindsman die een centrale figuur zou moeten zijn op dit explosieve terrein – wat Staghouwer overigens geheel niet lukte – ontbreekt. Het zal bij burgers het gevoel versterken dat er chaos en onmacht heerst in Den Haag. En terecht, want Staghouwers vertrek komt niet alleen voort uit diens eigen gebrek aan leiderschap, een dergelijk gebrek kleeft het hele kabinet aan, met de premier als stralend middelpunt. Uitbesteden van verantwoordelijkheid is zijn handelsmerk.

Waar wil het kabinet naartoe? Bel de gespreksleider

Bij het vertrek van Staghouwer speelde mee, aldus Trouw gisteren, dat hij ongelukkig was met de rol die Johan Remkes is gaan spelen als ‘gespreksleider’ tussen kabinet en boeren. Remkes is veel meer geworden dan een ingehuurde neutrale voorzitter, hij probeert een rotklus te klaren waar de premier en zijn ploeg voor terugdeinzen, inclusief het schetsen van ‘perspectief voor agrarische ondernemers’. Zo’n schets had Staghouwer zullen maken – de Kamer had een eerste versie als broddelwerk teruggestuurd – maar nu heet het dat eerst de conclusies van Remkes moeten worden afgewacht. Oh grote Remkes, vertel ons wat wij moeten doen, en wij zullen regeren!

Het patroon is bekend, in coronatijd vervulde het OMT, en dan met name Jaap van Dissel, de Remkes-rol, en zo zijn er meerdere Remkessen: Stef Blok was het voor de sancties tegen Rusland, Mariëtte Hamer is het als regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en geweld, en anders zijn er altijd nog de veiligheidsregio’s, provincies en gemeenten om hete aardappels naartoe te schuiven. Ze vullen een leegte die er niet had moeten zijn. Een leegte die zich hult in de mantel van ‘nieuw leiderschap’ of een ‘nieuwe bestuurscultuur’, woorden die moeten verbergen dat het politieke uit de politiek wordt gesloopt. Waar wil het kabinet naartoe? Bel de gespreksleider.

*Hier wordt het grote probleem aangestipt waar het gaat om ‘de leegte van politiek Den Haag’,  of het nu om het kabinet gaat of om de oppositie, want de leegte is algemeen. De oppositie overtuigt namelijk ook geenszins. Het blijft een ogenschijnlijk voordeel om tegen de regering aan te slaan of te schoppen, maar het helpt geen zier omdat het ook allemaal even inhoudsloos is. Visie ontbreekt in algemene zin in de Hofstad.

Bij de 100-dagen mijlpaal van het huidige kabinet werd Mark Rutte op de radio gevraagd wat ook alweer het motto van de huidige coalitie was. Hij wist het niet meer. Iets met vertrouwen, dacht hij. Maar het was ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’. De nietszeggendheid zegt alles.

https://www.trouw.nl/opinie/oh-grote-johan-remkes-vertel-ons-wat-we-moeten-doen-en-wij-zullen-regeren~b0c02060/

~

‘In Brussel is de maat vol: mestvoordeel Nederlandse boeren vervalt definitief in 2026’ (Yvonne Hofs, Nieuws & achtergrond/de Volkskrant, 5 september 2022)

Nederlandse boeren mogen vanaf volgend jaar minder dierlijke mest over hun land uitrijden. De uitzonderingspositie die ze sinds 2006 in Europa genieten wordt in drie jaar afgebouwd. De overtollige mest moeten ze afvoeren, wat de sector honderden miljoenen per jaar zal kosten.

Minister Henk Staghouwer van Landbouw heeft dit maandag aan de Tweede Kamer geschreven. Nederlandse boeren rijden sinds 2006 bijna 50 procent meer mest uit over hun land dan agrariërs in een aantal andere Europese landen. Aan die voorkeursbehandeling komt na twintig jaar hoogstwaarschijnlijk een einde. Het Europese Nitraatcomité heeft een conceptbesluit genomen dat op 15 september door de 27 lidstaten moet worden bekrachtigd. Als de lidstaten het voorstel van het Nitraatcomité afwijzen, moet het kabinet opnieuw met de EU gaan onderhandelen. De kans dat Nederland dan een betere deal krijgt lijkt echter klein.

*Hier staat die waarheid letterlijk neergeschreven: “Nederlandse boeren rijden sinds 2006 bijna 50 procent meer mest uit over hun land dan agrariërs in een aantal andere Europese landen”. Dat is dus in geen enkele talkshow op tv ooit verteld. Ook de betrokken redacties zijn dus of onvoldoende op de hoogte geweest of hebben dit nieuws niet nagetrokken. Er mankeert dus nogal wat aan de talkshows; dat kan geen journalistiek genoemd worden. .

‘Het verdwijnen van de derogatie betekent dat melkveehouders voortaan meer mest moeten laten verwerken of exporteren. Sjaak van der Tak, voorzitter van landbouwbelangenorganisatie LTO Nederland, schatte dit voorjaar dat dit Nederlandse veehouders gemiddeld 20.000 euro per jaar extra zal kosten.

Redden wat er te redden valt

Minister Staghouwer en minister-president Mark Rutte hebben in Brussel de afgelopen maanden proberen te redden wat er te redden valt. Ze hebben bedongen dat Nederland drie jaar de tijd krijgt om de derogatie af te bouwen. Vanaf volgend jaar mogen de boeren al minder mest op hun land verspreiden en het voordeel wordt in 2024 en 2025 verder afgebouwd. In 2026 moeten Nederlandse agrariërs aan de Europese norm voldoen. Dan mogen ze maximaal 170 kilo stikstof uit dierlijke mest per hectare uitrijden. Met derogatie is dat – afhankelijk van de grondsoort – 230 tot 250 kilo per hectare.

Brussel heeft Nederland deze uitzondering op de Europese Nitraatrichtlijn vanaf 2006 gegund, omdat een groot deel van de Nederlandse weidegrond (klei en veen) weinig ‘uitspoelingsgevoelig’ is. Meststoffen die op het land worden gebracht, zouden daardoor minder snel in het grond- en oppervlaktewater terechtkomen. Het toekennen van het extra mestverspreidingsquotum (‘derogatie’) is wel aan voorwaarden gebonden. Zo mag de waterkwaliteit er niet onder lijden.

Afschaffing uitzonderingspositie hing langer in lucht

De afschaffing van de derogatie hangt al jaren in de lucht, maar Nederland wist in Brussel keer op keer uitstel te bedingen. Dit keer is de Europese Commissie onvermurwbaar. Nederland houdt zich slecht aan de voorwaarden die de EU aan de derogatie stelt. De grootschalige mestfraude die de NRC in 2017 aan het licht bracht, is een van de redenen dat Brussel van mening is veranderd.

De landelijke mestgegevens die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) verzamelt, die maatgevend zijn voor de EU-regelingen, zijn mogelijk onbetrouwbaar. Met de officiële administratie waarin de Nederlandse landbouwsector bijhoudt hoeveel mest er wordt uitgereden, afgevoerd, verwerkt en geëxporteerd, wordt gefraudeerd. Anonieme mestverwerkers zeiden in 2014 tegen het landbouwvakblad Boerderij dat een kwart van de mest die op papier verwerkt wordt, in werkelijkheid ‘illegaal verhandeld en gedumpt’ wordt. Hun brancheorganisatie Cumela stelde in datzelfde artikel dat 30 tot 40 procent van het totale mestvolume in Oost-Brabant en Limburg in het illegale circuit verdwijnt.

Er komt dus meer mest (nitraten, fosfaten en ammoniak) in het milieu terecht dan de officiële cijfers van de overheid aangeven. Er is weinig reden om aan te nemen dat de mestfraude in Nederland de afgelopen vijf jaar in omvang is afgenomen. Een rapport over milieucriminaliteit dat in juni uitkwam schetst een alarmerend beeld: er wordt amper op gecontroleerd en gehandhaafd. De pakkans voor overtreders is erg klein, terwijl de potentiële winsten in de miljoenen lopen. ‘Mestfraude is nog steeds een probleem’, schrijven de opsporingsdiensten in het rapport.

In Brussel worden dit soort berichten ook gelezen. Bovendien heeft Nederland diverse keren het door de EU opgelegde fosfaatplafond overschreden en voldoet Nederland niet aan de afspraken over verbetering van de waterkwaliteit. Na jaren van soebatten en zaken door de vingers zien, is de maat in Brussel vol.

Compensatieregeling moet de pijn iets verzachten

Door het verdwijnen van de derogatie stijgt het aanbod van koeienmest op de mestmarkt. Mestverwerkers zullen hun prijzen dus kunnen verhogen. Daarvan kunnen ook varkenshouders last krijgen. Koeienmest is namelijk van betere kwaliteit dan varkensmest. Akkerbouwers gebruiken daarom liever koeienmest om hun land te bemesten. Ook varkenshouders zullen daardoor straks hogere afzetprijzen moeten betalen om hun mest kwijt te kunnen.

Om de financiële pijn iets te verzachten komt het kabinet met een compensatieregeling voor rundveehouders die hun derogatie kwijtraken. Het kabinet vergoedt de komende drie jaar een deel van de extra kosten van mestverwerking. Staghouwer heeft hier 130 miljoen euro voor uitgetrokken. Dat is niet genoeg om alle boeren volledig te compenseren, erkent de minister. Deze transitieregeling vervalt in 2026 en staat niet open voor varkenshouders wier mestafzetkosten stijgen.

De derogatie geldt voor rundveebedrijven met minstens 80 procent grasland (van hun totale grondoppervlakte). Ongeveer 16.500 veehouderijen maken gebruik van deze voordeelregeling. Zij moeten daarvoor jaarlijks een aanvraag indienen bij de overheid. Veehouders die de komende jaren intekenen op derogatie en aanspraak willen maken op compensatievergoeding, moeten beloven dat zij hun grasland in stand houden. Zonder derogatie is het namelijk financieel aantrekkelijk om weiland in maïsakkers om te zetten en zo te besparen op veevoer. Het kabinet wil dat voorkomen, omdat maïsteelt slecht is voor het milieu en beschermde weidevogels dan nog minder geschikte broedplaatsen kunnen vinden. Vanaf 2026 moet er nieuwe landelijke wetgeving van kracht zijn die het behoud van graslanden veilig stelt, maar het kabinet moet die nog ontwerpen.

https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/in-brussel-is-de-maat-vol-mestvoordeel-nederlandse-boeren-vervalt-definitief-in-2026~b32b0ceb/

Advertisement