Tags

, ,

Lea Ypi (1979) groeide op in het communistische Albanië van leider Enver Hoxha. Ze schrijft erover in haar boek Vrij, een internationale bestseller. ‘Als vrijheid echt alleen door instituties of de staat zou worden geregeld, dan ben je altijd overgeleverd aan ideologieën.’

Maaike Schoon, Interview/Vrij Nederland, 23-7-22)

Of de bunkers in Albanië nog werkten, wilde haar elfjarige zoon weten, daags na de inval in Oekraïne. Want dan konden ze daarheen, als de bom viel.

Hoe onwaarschijnlijk cynisch is vooruitgang, dacht Lea Ypi, als een jongetje dat is geboren in Londen nota bene Albanië ziet als een veilige haven om te schuilen voor een kernraket. Het land dat zijzelf decennia eerder achterliet, een land getekend door isolatie en burgeroorlog. ‘Ik vond het zo deprimerend. Wat zegt het over de koers van de geschiedenis als een klein kind zich anno 2022 dat soort dingen afvraagt? Hoe grimmig is dat? En ik weet het ook gewoon niet. Ik weet niet wat er moet gebeuren, al die mensen die zeker weten wat er moet gebeuren nu, ik weet het niet.’

EEN ANDER SOORT VRIJHEID

Lea Ypi (1979), hoogleraar politieke theorie aan de London School of Economics, weet uit eerste hand hoe oorlog polariseert en je leven binnendringt – ze schrijft erover in haar boek Vrij, een internationale bestseller.

Ypi groeide op in het communistische Albanië van leider Enver Hoxha, die het land tijdens zijn regeerperiode allengs verder isoleerde. In de jaren veertig verbrak hij de banden met Joegoslavië; in de jaren vijftig die met de Sovjet-Unie. Albanië trok zich terug uit het Warschau Pact, en in de jaren zeventig onderhield het ook geen betrekkingen meer met China. In die periode van totale isolatie groeide Ypi op, tot het regime viel in 1990.

Pas op dat moment leerde Ypi dat de vrijheid die ze tot dan toe kende misschien wel helemaal geen vrijheid was, of in elk geval een ander soort vrijheid. Dat het geen toeval was dat ze een achternaam deelde met de door het regime verguisde oud-minister Xhafer Ypi, net zo min als het toeval was dat haar oma Frans met haar sprak, of dat haar ouders het portret van de grote leider liever niet ophingen.

Haar familie, zo leerde ze pas toen, is verwant aan de oud-minister, haar moeder is nazaat van een familie van grootgrondbezitters; haar oma is het nichtje van een pasja (betekend generaal of hoge ambtenaar) in het Ottomaanse rijk. Ypi’s oma doorleefde oorlogen, revoluties en het uiteenvallen van een keizerrijk. Niettemin beschrijft ze zichzelf in Ypi’s boek als ‘vrij’ – als ‘auteur van haar eigen leven’.

Voor uw oma was het duidelijk: vrijheid is iets wat in je zit. Vindt u dat ook?

‘Er is altijd een innerlijke dimensie van vrijheid die nooit kapot kan. Hoe onderdrukkend de maatschappij waarin je leeft ook is. Dat is een belangrijk punt voor mij, want juist die notie van vrijheid is essentieel voor maatschappelijke kritiek. Als die er niet zou zijn, als vrijheid echt alleen door instituties of de staat zou worden geregeld, dan ben je altijd overgeleverd aan ideologieën. Dus ja, ik geloof dat dat bestaat. Ik beschouw mezelf als een Kantiaan, en ik geloof dat een mens van zichzelf weet wat het juiste is om te doen, zelfs als je dat juiste op dat moment niet doet. Het is je taak om dat innerlijke besef van vrijheid te verwezenlijken in de wereld om je heen.’

Uw oma zegt in uw boek: vrijheid is je bewust zijn van noodzaak. Wat bedoelde ze daarmee?

‘Dat je je er altijd van bewust moet zijn dat je een actor in de geschiedenis bent. De geschiedenis raast door, ongeacht wat jij doet, je bent altijd een stukje van een puzzel. Maar binnen die omstandigheden heb je de mogelijkheid om morele keuzes te maken. Natuurlijk word je bepaald door je omgeving, je land, je klasse, je maatschappij – als al die variabelen anders zouden zijn, waren we andere mensen. En toch heb je een flintertje autonomie, binnen die beperkingen.’

‘Collectieve vrijheid bestaat bij de gratie van het feit dat je een morele band hebt met anderen. Vrijheid betekent niet dat je je gang kunt gaan ongeacht de kosten voor een ander.’

In jullie familie had iedereen een favoriet soort fruit…

Lacht: ‘…en een favoriete revolutie.’

Die van uw oma was de Franse revolutie. Waarom, denkt u?

‘Omdat ze echt iemand was van de Verlichting. Ze geloofde in ratio, in onderwijs. Voor haar was het de Franse Revolutie die de instituties mogelijk maakte, het idee dat de Staat gelijkheid en vrijheid garandeert.’

*Zo hoort het ook te zijn maar met de opkomst van populisten die in dit verband gekenmerkt kunnen worden als ‘onwetenden’, houdt iedere rede en logica op te bestaan. Iedere populist vernietigt de bestaande beschaving. Geen feiten van fictie kunnen onderscheiden.

Het was niet uw favoriete revolutie. Die van u was de Russische.

Lacht. ‘Als kind, hè! Omdat je geleerd krijgt, en dat is tot op een zekere hoogte ook wel waar, dat de socialistische revolutie een vervolg was op de Franse Revolutie. Dat de Franse revolutie slechts vrijheid en gelijkheid bracht in naam, maar niet in de praktijk. In de praktijk was er geen gelijkheid. De socialistische revolutie moest dat in de praktijk brengen.’

Beide revoluties staan ook voor twee polen van een belofte van vrijheid: individuele vrijheid en collectieve vrijheid.

‘Ze zijn intrinsiek met elkaar verbonden. Een van de dingen die we tijdens de pandemie zagen, is dat mensen in liberale samenlevingen het enorm lastig vonden dat er iets bestond als een collectieve verantwoordelijkheid. Collectieve vrijheid bestaat bij de gratie van het feit dat je een morele band hebt met anderen. Vrijheid betekent niet dat je je gang kunt gaan ongeacht de kosten voor een ander. Je hebt een verantwoordelijkheid naar anderen. Ik merkte dat vooral tijdens de pandemie omdat dat voor mij een hele vanzelfsprekende manier van denken was, door waar ik vandaan kom, maar de mensen hier vonden dat enorm lastig, bijna onmogelijk.’

*Liberalen zijn tegenwoordig allemaal klassieke liberalen die geen idee hebben hoe de wereld aan het veranderen is en dat daarom het vrijheidsbegrip volledig opnieuw gedefinieerd moet worden.

Uw moeder stelde dat de voortdurende strijd om het bestaan alleen kon worden beslecht door het reguleren van het recht op privaat eigendom. Ik kreeg de indruk dat u dat niet met haar eens was.

‘Vooral het recht hebben op dingen vond ik ingewikkeld en dat vind ik nog steeds. Kijk, het meeste private eigendom is gewoon niet eerlijk verkregen. Iemand heeft een stuk land veroverd, door een oorlog, of door kolonialisme. Een erfenis gaat over van vader op zoon, is dat eerlijk? Hoe komt de koningin van Engeland aan haar vermogen, heeft daar niemand voor geleden? Ik denk het wel. Opnieuw gaat dat idee heel erg uit van het individu, maar niet van de consequenties die zoiets heeft voor anderen.’

Zijn jullie het nog altijd oneens?

‘Soms. Ze is wel wat meer mijn kant opgeschoven, al is ze nog altijd vrij libertarisch. Maar weet je, het gaat uiteindelijk terug op de kern: wat is je mensbeeld? Geloof je in mensen, vertrouw je erop dat ze beter kunnen? Mijn moeder heeft weinig fiducie in de mensheid. Ze vindt mij altijd idealistisch. Maar ik geloof dat mensen altijd meer kunnen dan ze doen.’

De geschiedenis wijst uit dat je maar één dictator nodig hebt om een einde te maken aan een hoop vooruitgang.

‘Ja, en daar moet je van leren, natuurlijk, en verstandige beslissingen nemen. Maar de fouten in het verleden moeten je niet tegenhouden in het nadenken over de toekomst. Dat vind ik echt. De mensheid evolueert.’

‘Als je gevormd wordt door trauma, in mijn geval het ineenstorten van je land, oorlog, dan weet je niet hoe het je veranderd heeft totdat je aan het einde van je leven bent.’

Hoe vond uw moeder het dat u marxisme ging onderwijzen aan de London School of Economics?

‘Ze was een beetje gegeneerd, want Marx was de vijand en nu ging ik naar bed met de vijand, in zekere zin. Maar goed, voor mij was het deels intellectuele nieuwsgierigheid, omdat ik filosofie studeerde en via Kant en Hegel bij Marx belandde. Maar het was ook, toch, een manier om te begrijpen en in het reine te komen met wat er in mijn verleden en in de geschiedenis was gebeurd.’

Werkte dat?

‘Ik begrijp wel veel beter waarom ik bepaalde denkbeelden heb, ja. Als je gevormd wordt door trauma, in mijn geval het ineenstorten van je land, oorlog, dan weet je niet hoe het je veranderd heeft totdat je aan het einde van je leven bent. Alleen dan heb je echt een compleet beeld van wat er is gebeurd. Maar ik heb wel meer helderheid over waarom ik bepaalde dingen belangrijk vind.’

Zoals?

‘Mijn fascinatie voor het concept vrijheid en eerlijk gezegd ook wel de ergernis dat dat concept hier in het liberale Westen min of meer is gekaapt door rechts. Maar vrijheid is óók democratie voor het collectief, het is een morele verantwoordelijkheid, het is niet alleen individuele vrijheden.

Mensen vragen mij vaak: had je een moeilijke jeugd? Maar ik had een heel fijne jeugd, als kind ben je a-politiek, je hebt vooral de vrijheid nodig om te kunnen spelen, om vrienden te maken, om te weten dat je beschermd bent. Ik kreeg één pop, met Oud en Nieuw, en daar was ik oprecht blij mee. Ja, we stonden in de rij voor boodschappen, maar decennia later sta ik elke dag in een file – en op de een of andere manier zien we in die rij geen reden om het systeem te bekritiseren.

In het Westen denkt men: o, het socialisme heeft niet gewerkt, het was een mislukking, zonder te kijken wat er precies niet werkte en wat wél. Binnen het socialisme bestaat de extreem democratische herverdeling van economische middelen. Dat deel is uitgeprobeerd – met zijn mankementen, maar het is geprobeerd. Wat eraan schortte, was democratisering van de macht, om allerhande – vaak historische – redenen.

Veel mensen – vooral linkse partijen in het Westen, lijkt wel – denken dat het socialisme alleen maar gaat om die economische herverdeling. Mij gaat het om radicale democratie, in alles. Doordat ik in mijn jeugd te maken heb gehad met beide systemen ken ik ze allebei, en ik ken hun tekortkomingen.’

De tekortkomingen van de westerse, liberale waarden dringen in 1997 onvermijdelijk haar leven binnen als Albanië in een bloedige burgeroorlog verzeild raakt.

De dan zestienjarige Ypi kan, ondanks de eerder vergaarde democratische vrijheid en grote beloften van vooruitgang en voorspoed, letterlijk haar slaapkamer niet meer uit door het aanhoudende geweld op straat. Duizenden mensen zijn door een complex systeem van frauduleuze beleggingen al hun spaargeld kwijtgeraakt, het land vervalt in totale chaos, kennissen vluchten, klasgenoten verdwijnen, maar Ypi wil vooral gewoon haar school afmaken.

‘Ieder ouder iemand heeft de neiging om soms neerbuigend te doen tegen een jongere generatie. Om te zeggen: joh, you ain’t seen nothing yet.’

Ze luistert naar het nieuwe Metallica-album (‘Ik denk Load? Die ene met “The House that Jack Built” erop’) – haar familie komt klagen dat de muziek te hard staat – terwijl ze in haar dagboek woorden zoekt voor wat er buiten gebeurt. Hoe het enige wat ze boven haar eigen gesnik kan horen het ratelen van de machinegeweren is – ze hoort ze overal.

Haar moeder vlucht met haar broertje naar Italië, haar vader zit vast en ze weet niet of hij ooit terugkeert, haar grootmoeder drukt haar op het hart dat ze beter maar kan wennen aan de oorlog, aan de geluiden van kalasjnikovs, in plaats van de hele tijd te huilen.

U was puber in een burgeroorlog, maar uw familie vond dat u niet moest klagen.

‘Ha, ja! Iemand heeft het altijd erger gehad dan jij. Als jij één oorlog meemaakt, nou, dan heeft een ander er twee meegemaakt. Of drie.’

Hoe heeft het beïnvloed hoe u nu zelf tegen uw kinderen praat?

‘Ieder ouder iemand heeft de neiging om soms neerbuigend te doen tegen een jongere generatie. Om te zeggen: joh, you ain’t seen nothing yet. Dat doen we allemaal, en ik ook, je reproduceert wat je is voorgehouden in je kindertijd.

Dat is natuurlijk niet de juiste manier, maar soms is het de enige manier om je te verhouden tot je eigen angst; je wilt veiligheid bieden aan je kinderen, en dat doe je dan door te zeggen dat het wel goed komt, want jij had het erger en je leeft nog.

Wat natuurlijk niet dat effect heeft: juist door te zeggen dat jij het erger had, maak je een kind onzekerder. Maar copingmechanismen in een oorlog… ze zijn zo complex. Het is zo moeilijk.’

Denkt u dat we anders gaan denken over vrijheid, nu er een oorlog is?

‘Ja, in een oorlog gaan we daar anders over nadenken, over wat vrijheid kost, en dat het iets is dat je kunt verliezen. Maar ik ben niet per se optimistisch. Oorlog polariseert, het maakt mensen bang, defensief.’

In The Guardian schreef u eerder een pleidooi tegen de isolatie van Rusland. Waarom bent u daar zo fel op?

‘Ik maak me zorgen over het effect van isolatie op gewone mensen. Ik ben niet tegen sancties, maar ik maak me wel zorgen over wat die betekenen voor het dagelijks leven van burgers. Ik kom uit een extreem geïsoleerd land en ik weet hoe dat is, ik lééfde in zo’n land.

Je loopt het gevaar dat het averechts werkt, het systeem versterkt in plaats van verzwakt. Mensen die hun baan verliezen, wordt verteld: dat komt door het Westen. Daarom vind ik dat je te allen tijde een bepaalde vorm van communicatie moet openhouden.’

Die communicatie, onderhandelingen, die waren er. Toen werden de massagraven in Bucha ontdekt. Dan houdt een gesprek toch op?

‘Maar dat is zo’n liberale…’

Ze zucht. ‘Er is iets binnen het westerse denken dat bepaalt dat áls je dan al in een oorlog zit, dat daar dan bepaalde verwachtingen aan zitten. Alsof er iets bestaat als een nette oorlog. Maar oorlog ís het einde van het gesprek, het einde van de dialoog – it’s the break-up of everything. Het uiteenvallen van de rede. Zodra oorlog uitbreekt, kan álles gebeuren. En dat moet je ook verwachten. Verwacht nog meer situaties zoals in Bucha, het zal weer gebeuren, nog een keer, nog een keer, hoe langer de oorlog duurt, hoe erger de dingen zijn die we zullen aantreffen. En toch moet je die lijnen open houden. Misschien wel juist dan.’

*Prachtig interview!

https://www.vn.nl/lea-ypi-interview-vrij/

Advertisement