Tags

Stelling: Als vervolg op de vorige blog over het linkse paternalisme en betutteling kan ook voor méér rust en effectiviteit in de Tweede Kamer worden gestimuleerd door tijdverspilling tegen te gaan door alle blaffende honden maar één minuut spreektijd te geven en alleen inhoudelijke betogen toe te laten. Het Europees Parlement (verder: EP) kent geen debatcultuur en dat klinkt vreemd omdat we vinden dat politiek gekoppeld is – lees: moet zijn – aan debat, maar dat was nuttig in het tijdperk van groeiende burgeremancipatie, waardoor burgers (sinds ‘Debat Direct’) leerden hoe met ‘het’ (tegen)argument om te gaan en hoe de politieke tegenstander te overtuigen.

Maar in ons huidige tijdperk van de sociale media-instrumenten blijkt de emancipatie voltooid te zijn en zelfs z’n doel voorbij te schieten vanwege alle regelrechte scheldkanonnades. Dat heeft niets meer met democratie te maken en dient dus ingedamd te worden. En vooral vanwege meer gezonde tijdsbenutting in de Tweede Kamer, zonder eindeloze bekvechterij en elkaar de vliegen afvangen. Dat gebeurt niet in het EP en dat is erg verfrissend. Omdat het dan weer om de argumenten gaat en bij uitzondering met (blauwe?) kaarten wordt gewerkt die de spreker toestemming geeft (of geweigerd) om hem/haar vragen te stellen.

Vragenstellen heeft daar dus geen specifieke functie en nu ‘we’ de ontstane chaos in onze Tweede Kamer al langere tijd (twee decennia) hebben kunnen waarnemen, scheelt het veel vergadertijd om de woordvoeders binnen een maximale spreektijd van twee minuten een standpunt te laten uitspreken zonder te laten interrumperen of maximaal één vraag te laten stellen. Onder het motto: ‘in de beperking van woorden schuilt de meester’. Geen meesters dus in de Tweede Kamer, maar alléén aandacht van de journalisten proberen te trekken. Zou dat een saai effect hebben? Hangt er vanaf hoe je als burger erin staat: spektakel of een zuiver debat? Het EP bewijst dat het werkt.

Met ook een digitale, en dus automatische, stemmingen en dito met hoofdelijke stemmingen, zodat iedere EP’er in zijn stemgedrag wordt vastgelegd. Een enorme tijdsbesparing. Maar met zekerheid kan afsluitend voorspeld worden dat alle vormen van volksvertegenwoordigingen binnen een decennium verdwijnen, omdat er genoeg burgers op persoonlijke titel willen gaan deelnemen via een parlement dat als ‘directe democratie’ omschreven kan worden.  

Burger moet zelf de tegenmacht claimen, vooral buiten Den Haag (Mathijs van de Sande, Opinie/Trouw, 28-5-21)

Democratie

Sinds Pieter Omtzigt het begrip in de Tweede Kamer bezigde, is ‘tegenmacht’ niet meer weg te denken uit het politieke debat. Vanuit het parlement is de roep om méér transparantie, méér dualisme tussen regering en volksvertegenwoordiging, en een betere rechtsbescherming van burgers sindsdien steeds luider gaan klinken. Vooralsnog vindt dit debat vooral in de parlementaire context plaats. Maar ware tegenmacht moet uiteindelijk ook buiten die instituties en door burgers zélf worden gevormd – niet per decreet, door politici of bestuurders.

Vanuit Den Haag zijn uiteenlopende voorstellen gekomen om de ‘bestuurscultuur’ te verbeteren. Omtzigt bepleitte de invoering van een grondwettelijk hof, een regionaal kiesstelsel, en andere institutionele hervormingen. Op het verlanglijstje van Jesse Klaver en Lilianne Ploumen staan onder meer het beschermen van de sociale advocatuur en het herstel van de informatiepositie van de Kamer. Ook Mark Rutte kwam met een aantal ideeën: het regeerakkoord moet dunner en er dient ‘een club’ te komen waar burgers zich met hun klachten over de overheid toe kunnen wenden.

Maar waar blijft de burger in al deze formele en procedurele voorstellen? Wanneer gesproken wordt over het creëren van tegenmacht zou je verwachten dat men vooral het publiek buiten de Haagse vierkante kilometer in beweging hoopt te brengen. Daar is dan ook alle reden toe. De laatste decennia is de politieke rol van burgers steeds meer gereduceerd tot het uitbrengen van een vierjaarlijkse stem. Niet voor niets typeert de Franse politiek filosoof Bernard Manin ons hedendaagse stelsel als een ‘publieksdemocratie’ waarin het electoraat vooral een passieve en reactieve functie vervult.

Deels is dat te wijten aan een veranderend medialandschap en het slinkende ledental van politieke partijen en vakbonden. Daarnaast deed reeds onder de kabinetten Lubbers en Kok een technocratisch politiek discours zijn intrede, dat bestuurders als managers voorstelde en de burger als klant. Bestuurlijke vernieuwingen die hadden moeten leiden tot meer burgerparticipatie, zoals het raadgevend referendum, zijn weer van tafel geveegd. En de Nationale Ombudsman waarschuwde in 2018 al dat sociale bewegingen steeds meer door politie en lokale bestuurders in hun demonstratievrijheid worden beperkt.

Waar het aan ontbreekt in het huidige debat over tegenmacht is een gedegen begrip van de democratische rol die burgers (vaak verenigd in actiegroepen, belangenverenigingen, vakbonden of burgerinitiatieven) juist buiten het parlement om kunnen hebben. Dit is wat de politiek historicus Pierre Rosanvallon ‘contra-democratie’ noemt. Door te mobiliseren op basis van wantrouwen vervullen burgers een belangrijke agenderende, controlerende, en sanctionerende functie – dikwijls tégen de wetgevende en uitvoerende machten in.

Rosanvallon maakt zo inzichtelijk waarom democratie nooit beperkt is tot het formele besluitvormingsproces in parlement of gemeenteraad. Het dient eerder te worden opgevat als een voortdurend getouwtrek tussen machten en tegenmachten.

Natuurlijk wijzen ook bovengenoemde politici op het belang van een onafhankelijk en slagvaardig middenveld. Maar veel van hun voorstellen dienen uiteindelijk vooral het doel om de rechtspositie of belangenbehartiging van burgers in Den Haag te verbeteren.

Wat écht ruimte biedt aan kritische tegenmacht, is een herwaardering van de essentiële en actieve rol die burgers zélf spelen in een democratie. Dit vooronderstelt niet alleen dat ze beter dienen te worden vertegenwoordigd bínnen de bestaande parlementaire instituties, maar vooral ook dat ze zich beschermd weten in hun recht om zich te mobiliseren en organiseren buiten die instituties om. Tegenmacht kan niet aan burgers worden gegund of opgelegd, maar moet uiteindelijk door hen zelf worden geclaimd.

[MATHIJS VAN DE SANDE, UNIVERSITAIR DOCENT RADBOUD UNIVERSITEIT NIJMEGEN

https://krant.trouw.nl/titles/trouw/8321/publications/1261/articles/1360112/20/1