Tags

,

Voorpublicatie woensdag 20 mei

Op 20 mei verschijnt Maar dat mag je niet zeggen, de journalistieke versie van het promotieonderzoek dat Nikki Sterkenburg (1984) deed naar extreem rechts in Nederland, en waarop ze 19 mei promoveert aan de Universiteit Leiden. Vanaf 2015 volgde ze ruim veertig radicaal- en extreemrechtse activisten. Wie zijn ze, wat beweegt ze, en hoe gaan ze te werk? Een voorpublicatie.

Gedurende mijn onderzoek zag ik vijf verschillende ‘typen’ activisten, die min of meer dezelfde (levens)weg hebben afgelegd voordat zij zich aansloten bij radicaal- en extreemrechts. Bij de openlijke straatactivisten zie ik veel Rechtvaardigheidszoekers en Politieke Zoekers. In neonazikringen zag ik veel Spanningzoekers en Sociale Zoekers, en in de nieuwe alt-right-beweging de Ideologische Zoekers.

Met name binnen de zichtbare straatactivisten die je veelvuldig bij demonstraties vooraan ziet staan, bestaat een groot deel van de activisten uit wat ik ‘Rechtvaardigheidszoekers’ ben gaan noemen. Deze Rechtvaardigheidszoekers voelen zich door de overheid in de steek gelaten of hebben geliefden, vrienden of kennissen die zich gedupeerd voelen. Ze zien hoe zijzelf en de mensen die ze kennen zich door het dagelijks leven heen worstelen: mensen die keihard werken, belasting betalen en die op de een of andere manier de dupe zijn geworden van verkeerd overheidsbeleid of falende instanties. Hierdoor kunnen ze niet de armoede ontstijgen waarin zij doorgaans leven.

Hun Eigen-Volk-Eerst-standpunt komt voort uit een hardnekkig Eigen-Volk-Komt-Nu-Als-Laatste-gevoel.

Rechtvaardigheidszoekers identificeren zich met ‘de hardwerkende Nederlander’ die volgens hen op alle manieren wordt uitgeknepen ten faveure van nieuwkomers. Hun Eigen-Volk-Eerst-standpunt komt voort uit een hardnekkig Eigen-Volk-Komt-Nu-Als-Laatste-gevoel. Alle geïnterviewde Rechtvaardigheidszoekers kunnen voorbeelden noemen uit hun eigen omgeving waar het misgaat: gezinnen die onder het minimum leven terwijl de vader keihard werkt, familieleden die ruim zeven jaar op een sociale huurwoning moeten wachten terwijl statushouders na een halfjaar een woning krijgen toegewezen, mensen die na twintig jaar hun baan kwijtraken en worden vervangen door goedkopere krachten uit Polen, ouderen die hun hele werkende leven belasting hebben betaald en nu wegkwijnen in een verzorgingshuis.

Kortom: allemaal schrijnende situaties die de overheid volgens hen had kunnen en moeten voorkomen. Wanneer ze in de media vernemen dat het goed gaat met Nederland – met name in de jaren voor covid19 – strookt dat op geen enkele manier met de maatschappelijke realiteit die zij ervaren. En dat maakt hen vervolgens nog bozer.

BAS EN ROEL

Ik zie dezelfde boosheid op de overheid ook terug bij Bas en Roel, die ik in de zomer van 2016 voor het eerst spreek in het restaurant van een Van der Valk-hotel in het midden van het land.

Ik tref Bas en Roel op het terras buiten, ze zijn vandaag met zeven mensen aan het vergaderen. De meesten dragen een zwart shirt met spijkerbroek en Nike Air Max-gympen. Om hun nekken hangen zilveren of gouden kettingen met grove schakels. De asbakken op tafel zijn inmiddels behoorlijk vol en ook de eerste lege bierglazen worden van tafel gehaald.

Bas en Roel zijn eind dertig, ik schat Wouter ergens in de vijftig en vier anderen (onder wie Mick en Colin) ergens in de twintig. Ze vergaderen over hoe ze met hun eigen groep, Nederlands Verbond, kunnen inspringen waar de overheid verzaakt: van koffie schenken in bejaardentehuizen tot tuintjes opknappen van chronisch zieke mensen en tweedehandskleding inzamelen voor gezinnen onder de armoedegrens.

Ze hebben allen gemeen dat ze zijn opgegroeid in de mindere wijken van Nederland. Maar waar anderen op een zeker moment de sociale ladder beklimmen en verhuizen naar een betere wijk, hebben zij die mogelijkheid niet. Kom bij hen niet aan met hippe concepten als ‘deeleconomie’, want auto’s delen, eten weggeven, kleding hergebruiken en vriendendiensten leveren doen ze al hun hele leven lang. Allemaal willen ze meewerken aan mijn onderzoek, dus ik stel voor aparte afspraken met iedereen te maken.

BANG OM OVER STRAAT TE GAAN

Enkele maanden na onze eerste kennismaking spreek ik Bas en Roel opnieuw in een Van der Valk, ditmaal op een andere locatie. Ze hebben weer Wouter meegenomen, over wie later meer omdat hij een ander type is dan de Rechtvaardigheidszoeker. Ik bestel een zwarte koffie en Roel zegt haast fluisterend tegen Bas: ‘Pssst… Nikki drinkt zwarte koffie. Zwart!’ Ik rol met mijn ogen en zeg dat ik best een cappuccino wil bestellen als ze zich dan minder ongemakkelijk voelen, waarna ze alle drie moeten lachen.

Roel vertelt dat hij zijn hele leven al politiek bewust was. Hij komt uit een multiculturele wijk die werd geteisterd door inbraken en vechtpartijen. Mensen waren volgens hem bang om over straat te gaan. ‘Ook de generaties daarvoor zagen het aankomen. Mijn oma is al twintig jaar dood, maar die zei al tegen mij toen ik een kind was: “Kijk uit, de Turken gaan het overnemen.” Dus het speelt wel een beetje in de familie.’

De afkeer van migranten wordt van generatie op generatie doorgegeven, dat zal ik vaker merken in mijn onderzoek.

Dat de afkeer van migranten van generatie op generatie wordt doorgegeven, zal ik vaker merken in mijn onderzoek. Het is een kwestie waar volgens racisme-onderzoeker Rob Witte weinig oog voor is, zo vertelt hij me wanneer ik hem spreek. Witte deed onder meer onderzoek naar het wegpesten van een vluchtelingengezin in Waspik en hield zich voor de gemeente Aalsmeer bezig met spanningen tussen jongeren van verschillende etnische achtergronden. ‘Wij als onderzoekers – en dat is echt geen monnikenwerk – hadden al vrij snel een chronologie die jaren terugging. Daarin bleken de ouders van de desbetreffende jongeren in het verleden ook al iets soortgelijks te hebben gedaan, maar daar wist niemand bij de gemeente of politie nog iets van. Maar je ziet gemeenschappen waarbinnen dezelfde racistische ideeën blijven circuleren.’