Tags

Fukushima: de jonge bewoners komen nooit meer terug (Bobbie van der List, Katern de Verdieping/Trouw, 11-3-21)

Fukushima: de jonge bewoners komen nooit meer terug

Tien jaar na de kernramp reportage

In het Japanse Fukushima is de toekomst van de lokale gemeenschappen nog uiterst onzeker. Jonge mensen zijn er niet en het gemis van oude vrienden is groot. Maar de verbondenheid is een decennium na de kernramp sterker dan ooit.

De 84-jarige rijstboer Kouichi Nemoto kletst wat met een taxichauffeur voor de stationshal van het boerendorp Odaka, in de provincie Fukushima. Om de twee uur passeert hier een lokale trein, maar zelden stapt er iemand uit. Nemoto is opgetogen, want zijn kinderen en kleinkinderen keren eindelijk, na zeven jaar afwezigheid, wél terug uit Tokio. “Ik kan het land niet in mijn eentje bewerken, ze komen terug om mij te helpen. Natuurlijk vrees ik voor de veiligheid van mijn kleinkinderen, maar mijn land is hier, ik kan niet weg.”

Vanaf Odaka is het een kwartiertje rijden naar kerncentrale Daiichi waar vandaag precies tien jaar geleden een kernramp plaatshad, als gevolg van een zeebeving en een daaropvolgende tsunami. Het dorp Odaka bevond zich destijds in de zogeheten ‘no-go-zone’, alle dorpen die binnen 20 kilometer van de kerncentrale lagen werden geëvacueerd. Van Fukushima was 12 procent onbewoonbaar.

In totaal kwamen als gevolg van de aardbeving en tsunami 15.900 mensen om het leven, 1614 daarvan kwamen uit Fukushima. Hoewel het aantal dodelijke slachtoffers in andere gebieden vele malen hoger was dan in Fukushima, hangt het stralingsgevaar nog altijd als een donkere wolk boven de gemeenschap. “Eerst was er de evacuatie, toen we terug naar het dorp mochten was ons huis een puinhoop”, herinnert Nemoto zich. “Later was er de angst voor straling.”

Het moeilijkste vindt Nemoto dat hij zijn vrienden van vroeger nooit meer spreekt. “Vrienden vertrokken en kwamen nooit meer terug, het contact is verloren, ik mis ze”, treurt hij. In totaal zijn er volgens de overheid nog altijd 36.000 mensen ontheemd. Veel mensen kunnen niet terug omdat hun huis is verwoest of het staat in de buurt van een ‘hot spot’, plekken waar lokaal verhoogde straling is gemeten.

In de meeste gevallen vertrokken mensen echter vrijwillig, met name jonge gezinnen wilden hun kinderen niet blootstellen aan de gevaren van straling. In Odaka heeft het geleid tot een leegloop: telde het dorp voor de ramp 13.000 inwoners, nu zijn dat er nog maar 3500.

Hier kan Tomoko Kobayashi over meepraten. Samen met haar man runt ze een ryokan (een traditioneel Japans hotel) aan de hoofdweg van Odaka. Het gemis van haar kleinkinderen is een hard gelag, maar ze heeft begrip voor hun besluit, zegt ze terwijl ze een kop groene thee inschenkt. “Wij zijn oud en gaan binnenkort dood, dus zijn we niet zo bang voor straling. Voor onze kleinkinderen is dat een ander verhaal, zij hebben een heel leven voor zich.”

In het ryokan zwaait ze een jong gezin uit dat in het hotel verblijft. “Die mensen gaan even kijken bij hun oude huis, ook zij wonen inmiddels ergens anders. Veel van onze gasten zijn voormalige dorpsgenoten.” Het is een bekend beeld in de regio: jonge mensen die in het weekend even komen kijken hoe hun huis erbij staat.

Als Tomoko’s echtgenoot Takenori aanschuift, deelt hij vers gebak uit. Met volle mond somt hij op waar het momenteel aan ontbreekt in Odaka: “Wat we missen in ons dorp? Ondernemers, boeren en scholen.” Wat daarvoor terugkwam is sociale cohesie, die is sterker dan ooit. “De mensen die zijn gebleven delen allemaal hetzelfde leed, mensen begrijpen elkaar. Er is een sterke band en die geeft ons rust en enige verlichting”, zegt Tomoko.

Veel inwoners kregen volgens Tomoko last van psychische klachten, maar erover praten? Nee, dat doen ze liever niet. En zij zijn niet de enigen in de regio: “In deze regio praten we sowieso niet echt over psychische zaken”, vertelt echtgenoot Takenori. Het is een karaktertrek die wel vaker aan mensen langs de Tohoku-kust wordt toegeschreven, het is een nuchter volk.

Volgens het echtpaar worden hun zorgen over de straling gebagatelliseerd door de Japanse overheid. Tomoko rolt een grote landkaart uit en legt die op tafel. Het is het werk van de stichting waar ze zich allebei voor inzetten. Die doet onafhankelijk van de overheid onderzoek naar alles wat met straling en de ramp te maken heeft: van het testen van voedsel tot het meten van stralingswaarden in de omgeving, ook op plekken waar de overheid niet meet.

Stralingsgevaar

Vaak vielen hun metingen hoger uit dan die van de overheid. “Wij hebben dus geen enkel vertrouwen in de autoriteiten. Dat is ook waarom zoveel mensen in deze regio zich hebben verdiept in radioactiviteit.”

(…)

https://krant.trouw.nl/titles/trouw/8321/publications/1197/articles/1315189/26/1

0-0

Het trauma van Fukushima zit nog altijd in de poriën van Japan (Jeroen Visser, Donderdag/de Volkskrant, 11-3-21)

Fukushima, tien jaar na de tsunami

Het trauma van Fukushima zit nog altijd in de poriën van Japan

Seiju Nambara (61) kreeg tranen in zijn ogen toen de rechter hem drie weken geleden in het gelijk stelde. Hij balde zijn vuist en keek naar zijn vrouw, die naast hem in haar rolstoel zat. Na een jarenlange strijd oordeelde de rechter dat de Japanse overheid medeverantwoordelijk is voor de kernramp van Fukushima. Voor Nambara voelde het alsof er een last van hem af viel. ‘Ik kan eindelijk verder’, zegt hij via een videoverbinding vanaf het terras van een koffiezaak in zijn woonplaats Kimitsu. ‘Ik heb de volgende generatie een wapen gegeven tegen de overheid.’

Tien jaar geleden, Op 11 maart 2011, deed zich voor de Japanse oostkust een aardbeving voor met een kracht van 9.0 op de schaal van Richter, de zwaarste ooit gemeten in het land. De daaropvolgende tsunami verwoeste grote delen van het kustgebied en veroorzaakte een meltdown in de kerncentrale van Fukushima. Ruim 18 duizend Japanners kwamen bij de tsunami om het leven.

Een decennium na de Grote Aardbeving worstelt Japan nog altijd met de nasleep ervan. De rechtszaak die Seiju Nambara en zo’n tienduizend andere geëvacueerden aanspanden, is slechts een van de onopgeloste kwesties. In de zwaarst getroffen reactoren van de kerncentrale moet het opruimen van het nucleaire afval nog beginnen. De ramp leidde in Japan ook tot een politiek en maatschappelijk schisma over het gebruik van kernenergie. En dan zijn er nog de persoonlijke trauma’s van de slachtoffers.

Op 11 maart 2011 om 14.46 uur, een moment dat in het collectief geheugen van de Japanners staat gekerfd, reed Nambara met zijn vrouw en dochter in hun witte Suzuki richting zee. Ze waren in hun woonplaats Minamisoma op weg om hun 14-jarige zoon op te halen, die na schooltijd bij een vriendje was gaan spelen. Toen begon de grond te trillen. ‘De aarde schudde eerst op en neer en daarna heen en weer’, vertelt Nambara, een fragiele man met grijs haar. Om hen heen zakten huizen als pudding in elkaar.

Toen ze bij het huis van het schoolvriendje aankwamen, was er niemand aanwezig. Ook in de buurt konden ze hun zoon niet terugvinden. Uit de stadspeakers klonk het tsunami-alarm. ‘We reden snel naar een van de hogergelegen evacuatiecentra. Toen we later weer buiten kwamen, stond beneden alles onder water; huizen, auto, bomen.’

De tsunami produceerde golven van vijftien tot veertig meter hoog, die zich met snelheden van 700 kilometer per uur op het land stortten. De waterstroom vernietigde tot kilometers landinwaarts alles wat op zijn pad kwam. Minamisoma was met 1.600 slachtoffers een van de zwaarst getroffen steden.

De Nambara’s brachten de nacht door in een opvangcentrum in de stad, hun appartement was door de aardbeving niet meer bewoonbaar. ‘Het was een enorme puinzooi, alles lag door elkaar.’ De volgende ochtend vonden ze hun zoon in een evacuatiecentrum op een heuvel. ‘Ik was zó opgelucht, ik dacht echt dat hij verloren was.’

Op twintig kilometer van de kuststad voltrok zich nog een ramp. Door de aardbeving sloeg de Daiichi-kerncentrale automatisch uit, waarna het voor de stroomvoorziening overschakelde op dieselgeneratoren. Deze noodstroomvoorziening was essentieel om de drie operatieve reactoren – drie andere reactoren waren niet actief – te blijven koelen. De generatoren bezweken echter onder het geweld van de tsunami. Een meltdown was onafwendbaar.

Nambara en zijn vrouw waren in 1995 min of meer bij toeval in Minamisoma komen wonen. Hun ouders hadden zich tegen hun huwelijk gekeerd, waarop ze er met zijn tweeën vandoor waren gegaan. ‘Ik had nog wat familie in Minamisoma, dus daarom gingen we daarheen.’ Hij vond er werk als kwaliteitscontroleur bij een telefoonfabrikant. Toen de kinderen klein waren, gingen ze vaak naar het strand. ‘Minamisoma was een fijne plek.’

De dag na de aardbeving vond in de kerncentrale de eerste van twee grote explosies plaats, waarbij radioactieve stoffen vrijkwamen. De autoriteiten besloten iedereen in een straal van twintig kilometer te evacueren. In totaal zouden 160 duizend inwoners hun huis verlaten. Nambara had het bevel niet afgewacht. Nadat ze de explosie op tv hadden gezien, waren ze in de auto gestapt en weggereden.

Uit een evaluatierapport bleek later dat de regering doodsbenauwd was dat de meeste gebruikte splijtstofstaven zouden smelten, waardoor veel radioactief materiaal richting Tokio zou waaien. Door daadkrachtig handelen, waaronder het koelen van de reactoren met zeewater, bleef de schade beperkt. Tot nu toe vielen geen stralingsslachtoffers, zoals dat bij de kernramp in Tsjernobyl in 1986 wel het geval was. Een wetenschappelijke commissie van de VN concludeerde onlangs dat de kans klein is dat er in de toekomst nog slachtoffers zullen vallen.

*Afgelopen week was op NPOradio1 te beluisteren dat naar aanleiding van Tsjernobyl geen slachtoffers zijn gevallen, blijkt uit deze passage onjuist te zijn: géén directe slachtoffers, maar wel stralingsslachtoffers die zich pas na enige jaren kunnen openbaren. Dat mag dus niet vergeten worden als de wereld nog steeds niet geleerd heeft dat het kernenergie geen optie is, vooral niet als alle naties mét kerncentrales geen enkele mededelingen verschaffen over hun centrales, alsof alles onder de pet moet worden gehouden. Er bestaat op dit terrein geen enkele openheid en transparantie en dan is schandelijk.  

Dat betekent niet dat er geen problemen zijn met de nucleaire erfenis. Het opruimen van de 800 ton gloeiend en hoogradioactief afval is een zeer moeilijke klus, mede doordat veel afval onder water ligt en de straling voor mensen te hoog is. Tepco, de uitbater van de kerncentrale, laat speciale robots ontwikkelen die de gesmolten splijtstof en het overig afval moeten ophalen. De operatie moet in 2051 afgerond zijn. Daarnaast staan er op het terrein nog meer dan duizend tanks met radioactief koelwater, waarvoor nog geen oplossing is gevonden.

De Nambara’s mochten in 2013 voor het eerst terug naar hun appartement om wat spullen op te halen. Het gezin werd in witte beschermende pakken naar hun oude woning gebracht, waar ze onder meer fotoalbums vonden die ze destijds in de haast hadden achtergelaten. ‘Ik had ook graag wat van onze meubels meegenomen, maar dat mocht niet omdat het werd beschouwd als radioactief afval.’

Om de geëvacueerde gebieden weer vrij te kunnen geven, werd onder meer de bodem afgegraven. Na de explosies in de centrale waren in de omgeving radioactieve deeltjes – vermengd met puin – neergedwarreld. Minamisoma, waar de Nambara’s woonden, werd pas in 2017 veilig verklaard. Nog altijd is een gebied van 337 vierkante kilometer rond de centrale afgesloten.

In reactie op de kernramp sloot Japan tijdelijk alle kerncentrales in het land. Voordat de reactoren weer operationeel mogen worden, moeten ze aan nieuwe, strenge veiligheidseisen voldoen. De versterkte centrales moeten zowel een tsunami als een aanslag met een vliegtuig kunnen weerstaan. Niet alle uitbaters zagen dat zitten; 24 van de 54 bestaande reactoren worden ontmanteld.

De ramp bij Fukushima bracht landen als Duitsland ertoe te stoppen met kernenergie. Voor de Japanse regering was dat geen optie. Het land haalde voor de ramp maar liefst 30 procent van zijn energie uit kerncentrales en kan het zich simpelweg niet veroorloven alle centrales te sluiten. Zeker niet omdat Japan in 2050 een CO2-vrije energiesector wil hebben. Dat doel is volgens experts alleen realistisch door – naast meer groene energie – ook kernenergie te produceren. Volgens een regeringscommissie kan het doel alleen gehaald worden als in 2030 27 reactoren operationeel zijn. Tot nu zijn 9 reactoren herstart. 18 zitten in de toestemmingsprocedure.

Voor veel Japanners gaat dit niet ver genoeg. Uit een recente peiling blijkt dat 40 procent van de ondervraagden helemaal af wil van kernenergie. Ook prominenten als de populaire oud-premier Junichiro Koizumi ageren sinds de ramp tegen kernenergie. Koizumi pleit voor meer wind- en zonne-energie. ‘Waarom zouden we iets gebruiken dat én duurder is én minder veilig’, zei hij vorige week. Opmerkelijk is dat zijn zoon Shinjiro Koizumi als minister van Milieu nu juist de kerncentrales weer moet opstarten.

Wat meespeelt is dat kernenergie voor een eiland als Japan, dat al zijn olie en gas moet importeren, een relatief goedkope en stabiele optie is. Het kernenergie-vriendelijke beleid komt daarnaast uit de koker van regeringspartij LDP, die sinds de Tweede Wereldoorlog op twee korte perioden na altijd aan de macht is geweest in Japan. Uitgerekend het rampjaar 2011 viel in een periode waarin een andere partij, de centrum-linkse Democratische Partij, het voor het zeggen had. Na de ramp beloofde toenmalig premier Naoto Kan kernenergie uit te bannen, maar zijn partij kreeg er de kans niet voor. Bij de verkiezingen van 2012 stroomden kiezers massaal terug naar het oude nest en duikelde de DP van 230 naar 57 zetels.

De Nambara’s bouwden een nieuw leven op in Kimitsu, aan de baai van Tokio, waar zijn schoonouders woonden. De gemeente gaf hen een woning en huursubsidie. Veel inwoners waren minder hartelijk, zegt Nambara. ‘Aan ons nummerbord kon je zien dat we uit Fukushima kwamen. Als we langsreden regende het afkeurende blikken.’

De stress van de evacuatie en de nasleep ervan eiste zijn tol: zowel Nambara als zijn vrouw kreeg fysieke problemen. Zijn vrouw kampte al met beenklachten, die na de gedwongen verhuizing erger werden. Tegenwoordig zit ze in een rolstoel.

Ook hun zoon kreeg het zwaar te verduren. Op zijn nieuwe school werd hij van meet af aan gepest door zijn klasgenoten. ‘Niet dichtbij komen hoor, je bent radioactief’, riepen ze tegen hem. En niemand greep in, zegt Nambara. Zijn zoon wordt nog altijd achtervolgd door het idee dat mensen hem afwijzen. ‘Hij is nu 25 en begint over trouwen na te denken, maar hij is bang dat hij niemand zal kunnen vinden omdat hij uit Fukushima komt.’

Mede vanwege wat zijn zoon doormaakte, besloot Nambara zich aan te sluiten bij een collectieve rechtszaak die evacueés in zijn prefectuur hadden aangespannen tegen Tepco en de Japanse overheid. In dertig andere regio’s dienden gedupeerden, in totaal zo’n tienduizend, vergelijkbare aanklachten in.

De zaak draait om de vraag of Tepco meer had moeten doen om de kerncentrale te beschermen tegen een tsunami. Uit een risicoanalyse van het bedrijf uit 2002 bleek dat het bedrijf wist dat de kerncentrale gevaar liep bij een zware aardbeving. Een van de adviezen was om een hogere zeewal te bouwen. Dat liet de directie na. Ook de controlerende overheidsinstantie drong niet aan op extra maatregelen.

De meeste rechters oordeelden tot nu toe dat Tepco had moeten ingrijpen. Over de verantwoordelijkheid van de staat bestaat meer discussie. In de drie zaken die tot nu toe in hoger beroep werden afgehandeld, waaronder Nambara’s zaak, werd de overheid twee keer verantwoordelijk gesteld. In het derde geval oordeelde de rechter dat de staat niet had kunnen voorspellen dat een tsunami van deze omvang zou voorkomen. En zelfs al was er een zeemuur gebouwd, dan nog was het water er waarschijnlijk overheen gespoeld. De drie zaken zijn doorverwezen naar de Japanse Hoge Raad, die waarschijnlijk ergens in de komende twee jaar een oordeel zal vellen.

Door de uitspraak van vorige maand heeft Nambara recht op 23 duizend euro compensatie. Eenzesde daarvan moet hij afdragen aan de advocaten. Het geld kan Nambara goed gebruiken. De fabriek waar hij voor de ramp werkte, stond ook in het evacuatiegebied. Hij verloor direct zijn inkomen. Sindsdien leeft het gezin van een uitkering.

Nadat Minamisoma in 2017 weer was vrijgegeven, werd Nambara actief aangemoedigd terug te keren. In Kimitsu verloor hij zijn huursubsidie, en in Fukushima zou hij op een vestigingsbonus kunnen rekenen. Met dergelijke maatregelen probeerde de overheid de bewoners weer terug te lokken naar de oostkust.

Dat was boven op het lopende herstelprogramma voor de regio ter waarde van 250 miljard euro. Van dat geld liet Japan onder meer vierhonderd kilometer aan zeemuren aanleggen aan de oostkust. De muren zijn tussen de 12,5 en 24 meter hoog en moeten kustdorpen en -steden als Minamisoma beschermen tegen een volgende tsunami. Het gevolg is wel dat het aanzicht van de oostkust radicaal is veranderd: bewoners kunnen vanaf de straat de zee vaak niet meer zien.

Nambara zal daar geen last van hebben, hij gaat niet terug naar Fukushima. Zijn zoon is blij met zijn baan als bagageverwerker op de internationale luchthaven Narita. Zelf gelooft hij niet dat het in Fukushima weer veilig is, ondanks de garanties van de overheid. ‘Voor ons gevoel is het in ieder geval onmogelijk daar ooit weer te leven.’

Jarenlang moest Seiju Nambara (61) ervoor vechten: maar nu heeft de rechter bepaald dat de Japanse overheid mede schuld draagt aan de ramp met de kerncentrale bij Fukushima, tien jaar geleden. Kan het verwerken van de ramp dan echt beginnen?

https://krant.volkskrant.nl/titles/volkskrant/7929/publications/1202/articles/1315196/13/1