Tags

[Bron: Ian Buruma, God op zijn plaats. Het kruispunt van religie en democratie. 2010; 104-108]

Deel Drie: De waarden van de Verlichting

‘De visie van Tocqueville op de combinatie islam en democratie is nog steeds dat de conventionele visie. Mohammed, schreef hij, ‘heeft niet alleen een religieuze leer uit de hemel laten dalen en in de Koran gezet, maar ook politieke stellingen, burgerlijke voorschriften, strafwetten en wetenschappelijke theorieën. Het Evangelie spreekt daarentegen slechts over de algemene betrekkingen van de mens met God en tussen de mensen onderling. Daarbuiten bevat het geen lering [behalve dan de Liefdewet van Christus: ‘keer de vijand uw andere wang toe’, jw] en legt het geen verplichting op iets te geloven. Dat alleen, van duizenden redenen, laat voldoende zien dat de islam in tijden van verlichting en democratie zijn macht zal verliezen, terwijl het christendom in zulke tijden, als in alle andere, voorbestemd is tot heerschappij [sic].

De grote Franse katholieke denker was geen islamoloog. En een vergelijking maken tussen enkel de Koran en de evangeliën is echt niet voldoende. Tocqueville noemde gemakshalve maar even niet dat er in het Oude Testament (en niet te vergeten de Talmoed) wel degelijk politiek en wetgeving te vinden is. Bovendien, en dat heeft Tocqueville zelf waargenomen in de Verenigde Staten, kunnen de meest irrationele en onverlichte ideeën de ingezetenen van democratieën heel gemakkelijk in hun ban houden. En de burgers die hij aantrof waren geen moslims. De vraag is of mensen die dergelijke ideeën aanhangen er nog mee kunnen instemmen zich aan de spelregels van een democratisch bestuur te houden. Amerikaanse christenen konden dat over het algemeen wel en kunnen dat nog steeds. Zijn er redenen om aan te nemen dat moslims dat niet kunnen?

De denkers van de Verlichting waren het op dit punt niet met elkaar eens. Maar sommige radicale spinozisten, zoals Pierre Bayle, waren van mening dat de islam superieur was aan het jodendom en het christendom omdat het toleranter zou zijn en minder bijgeloof kende. Achttiende-eeuwse filosofen herinnerden zich ook dat het geleerden uit de islamitische wereld waren – niet allemaal moslims, trouwens, soms waren het joden – die verantwoordelijk waren geweest voor het doorgeven van de klassieken uit de Griekse filosofie in het Arabisch. Net als Confucius werd de twaalfde-eeuwse filosoof Ibn Rushd (Averroes) zelfs met Spinoza vergeleken als een toonbeeld van rede.

In ieder geval is de democratie veel moslims niet onbekend of vreemd. De Indiase bevolking telt ongeveer 150 miljoen moslims. Zoals de meeste democratieën is het Indiase bestuurssysteem verre van volmaakt, maar de onvolkomenheden ervan – corruptie, demagogie, misdaad, haat tussen de kasten, enzovoort – hebben niets van doen met de inhoud van de Koran. De Turkse democratie is net zo onvolmaakt, maar de ideologische ‘secularisten’ zijn even schuldig aan de misstanden erin als de islamisten, misschien zelf wel meer. En Indonesië, het land met de grootste bevolkingsmeerderheid van moslims ter wereld, is tegenwoordig een van de weinig goed functionerende democratieën in Zuidoost-Azië.

Toch is het beslist zo dat overwegend islamitische landen in het Midden-Oosten over het algemeen autocratisch bestuurd worden. Daar zijn vel mogelijke oorzaken voor – culturele, historische en politieke – maar we moeten wel in gedachten houden dat behalve Iran en korte tijd ook Afghanistan, de dictaturen in het Midden-Oosten seculier zijn. Het [Egyptische] ‘nasserisme’ ontleende zeer veel aan het marxisme. Saddam Hoessein was een Arabische fascist. De sterke leiders van Egypte en Syrië hebben islamitische bewegingen, zoals de Moslimbroederschap, even meedogenloos de kop ingedrukt als een negentiende-eeuws Europees regime dat had kunnen doen. Het voornaamste doelwit van het radicale religieuze activisme is de corruptie, seculiere politiestaat geweest. Omdat de corruptie van autocratische elites in het Midden-Oosten geassocieerd wordt met het decadente, ongelovige Westen (niet geheel ten onrechte, omdat het Westen deze elites, wellicht bij gebrek aan beter, blijft steunen) zijn Europa en de Verenigde Staten de voornaamste doelwitten geworden van de religieuze radicalen. Hierdoor is vervolgens het heilige vuur ontbrand in de harten van jonge moslims in Europa, die voor deze kant-en-klare goede zaak wel willen doden en sterven.

De angst voor de islam onder de Europeanen betreft echter niet alleen het revolutionaire islamitische geweld. Het gaat meer om wat Tocqueville omschreef: dat de islam onverenigbaar is met wat we nu ‘de waarden van de Verlichting’ of ‘westerse waarden’ noemen (alsof die identiek zouden zijn), en dat de aanwezigheid van een grote islamitische minderheid in het Westen de waarden die wij vanzelfsprekend zijn gaan vinden zal schaden, of zelfs tenietdoen (waarbij vergeten wordt hoe kortgeleden zijn nog maar verworven zijn) zoals de vrije meningsuiting en gelijke rechten voor vrouwen en homoseksuelen. Omdat aangenomen wordt, zoals van oudsher gebruikelijk bij impopulaire minderheden, dat moslims consequent meer kinderen zullen voortbrengen dan niet-moslims, bestaat er een angst om ‘overspoeld’ te worden, om de eigen Europese identiteit te verliezen, om het continent te zien veranderen in Eurarabie’. Veel Europeanen zijn niet alleen bang voor religieus geweld, ze zijn bezorgd dat ze ‘geïslamiseerd’ zullen worden.

De paniek over minderheden die van de rest van de samenleving zijn afgesneden is wijdverbreid – dat wil zeggen, paniek over moslims: op Chinese en chassidisch-joodse gemeenschappen wordt met onverschilligheid gereageerd. De laatstgenoemde is vreedzaam en te klein om zorgen te baren. De zorgen betreffen datgene waar filosofen en denkers al eeuwen mee worstelen, zeker sinds de tijd van Confucius: hoe er een politieke gemeenschap tot stand kan worden gebracht op basis van gemeenschappelijke ethiek, mores, ideeën of wetten. In de taal van vandaag: als burgers geen gemeenschappelijke waarden hebben, hoe kan de democratie dan overleven? Ook als men gelooft, zoals ik, dat het voor het functioneren van een democratie het essentieel is dat mensen dezelfde waarden delen, zolang men zich maar aan de wet houdt, dan is het terecht dat men zich zorgen maakt als een aanzienlijk aantal mensen bereid is die wet om ideologisch redenen te overtreden. Aangezien enkele van de felste vijanden van de vrije democratie nu toevallig revolutionaire islamisten zijn, is de bezorgdheid ten aanzien van moslims met ideeën die vijandig staan tegenover de westerse maatschappij begrijpelijk, en moet die ook onderkend worden. Het probleem is des te prangender omdat de gewelddadige revolutionairen niet langer vreemdelingen uit verre landen zijn, maar jonge mensen die in Europa zijn geboren en getogen en van wie d moedertaal niet Arabisch, maar Engels, Frans of Nederlands is.’

Wordt vervolgd