Tags

PETRA VISSERS

‘De Utrechtse burgemeester Jan van Zanen laat een stilte vallen, weegt zijn woorden zorgvuldig. Ja, hij weet dat de Utrechtse moskee AlFitrah lesboekjes gebruikt uit Saudi-Arabië. En nee, daar is hij niet gelukkig mee. Maar om er nu van uit te gaan dat die lesboekjes er kwamen omdat de moskee geld ontving uit Koeweit? “Het een hoeft niet verband te houden met het ander”, antwoordt hij de ondervragingscommissie die onderzoek doet naar beïnvloeding uit ‘onvrije landen’. “Ik heb nooit kunnen vaststellen dat met subsidie uit Koeweit beïnvloeding meekwam.”

Het feit dat er lesboekjes uit Saoedi-Arabië worden gebruikt, kan die moskee ook niet kwalijk worden genomen omdat de politiek – lees: Tweede Kamer – daarmee geen raad weet, aangezien een ‘normaal’ debat over de islam constant en alleen door de PVV stelselmatig wordt getorpedeerd vanwege de dooddoener uit die hoek: islam, moskeeën en Koran verbieden.

Dat uitgangspunt kan rustig ongrondwettelijk worden genoemd, want regelrecht strijdig met art.1 Gw waarin discriminatie wordt verboden op Nederlandse bodem. Voor mij is onduidelijk of er al dan geen fundamenteel conflict ontstaat als dergelijke uitspraken vanwege de parlementaire onschendbaarheid[i] van Kamerleden enerzijds (zodat dus iedere vorm van onzin uitgebazuind kan worden), en de feitelijk bestaande jurisprudentie over de grondwetsbepalingen die met die ‘onschendbaarheid’ strijdig zijn. Dus: als discriminatie naar geloof strafbaar is, waarom worden de uitspraken van PVV dan niet vervolgd?  

Voor mij is dan de vervolgvraag waarom niemand dat dilemma durft aan te pakken. Angst om stemmen te verliezen bij verkiezingen om een nieuwe Tweede Kamer vanwege het groeiende islamitische bevolkingsdeel (met Nederlands paspoort)? Of is de uitlating ‘verbied de islam’ niet strafbaar? Vanuit de wordingsgeschiedenis van onze grondwet is duidelijk dat de islam in ons land pas sinds een twee decennia actueel is geworden vanwege het islamisme van ‘9/11’, toen we met de neus op de feiten werden gedrukt: de fundamentalistische, radicale of orthodoxe ‘jihad’ is in oorlog met het westen.

Op die grond moet een antwoord worden gevonden op de vraag hoever onze westerse tolerantie of verdraagzaamheid gaat als het om ‘dat’ terroristische islamisme (identiek aan salafisme, als middeleeuws dogmatisme). Volgens mij bestaat daar maar één antwoord op en dat is de Nederlandse traditie van godsdienstige tolerantie (sinds de Unie van Utrecht: 1579)[ii] die alleen maar is ontstaan vanwege onze religieus of kerkelijke verdeeldheid in ons land na de beeldenstorm en religieuze hervorming die daarvan het gevolg was (vanwege de afbraak van de katholieke wereld na Calvijn en Luther in Europa). Ons land had immers ook ten prooi kunnen vallen aan de Noord-Ierse toestanden ten tijde van de burgeroorlog die in de tweede helft van de 20e-eeuw heeft gewoed.

Om die burgeroorlog te voorkomen was een ‘pacificatie’-strategie tussen de godsdiensten noodzakelijk want ons nationale grondgebied was te klein om schisma’s te voorkomen. Zelfs Willen van Oranje had moeite om fondsen te werven om de strijd tegen het katholieke Spanje te winnen en daarmee onze zelfstandigheid ten tijde van de 80-jarige oorlog te veroveren en sindsdien te verzekeren.

Is het waar dat de Kamer te angstig is (en was) om de islamitische cultuur binnen de volkswijken van grote steden te bespreken in een plenair Kamerdebat? Als dat het geval is, dan houdt alles op. Er bestaat mijns inziens maar één oplossingsmodule hiervoor en dat is een grondwettelijk vastgestelde religieuze tolerantie, dat besloten is binnen het genoemde artikel 1 Gw, maar dan toegespitst op de actualiteit van de jihad die in de 21e eeuw is ontstaan. Want de ‘koloniale’ islam van Nederlands-Indië heeft ons geen parten gespeeld. Maar sinds de jihad in de praktijk van alle dag in ons straatbeeld zichtbaar werd, werd het noodzakelijk een politiek standpunt in te nemen over die jihad en onze houding naar jihadisten en salafisten. Op dat terrein geldt naar mijn beste weten een theologisch-semantisch verschil: jihadisten pakken het feitelijke bestaande strijd met ‘ijzeren zwaard’ op om de ongelovigen te bestrijden, terwijl de oorspronkelijke grondleggers van de islam ‘salafist’ kunnen worden genoemd vanwege hun zuiver geestelijke interpretatie van de islam – zoals in alle wereldreligies – zodat de strijd tegen ongelovigen met een ‘geestelijk’ zwaard bevochten moet worden en dat betekent verbale overtuigingskracht en niet via oorlogen zoals de Middeleeuwse kruistochten in het Midden-Oosten of veroveringsoorlogen zoals in Zuid-Amerika ten tijde van de Spaanse veroveringen.

Mijn stelling is dat buiten de historisch ‘erkende’ ofwel gevestigde kerkgemeenschappen’ ook sprake moet zijn van recentelijke demografische cijfers sinds de migrantenstromen vanaf de jaren ‘60 van de vorige eeuw met de komst van gastarbeiders (buiten de eerste stroom van Zuid-Europeanen, maar vervolgens Marokkanen en Turken) een omvang heeft gekregen die niet meer te negeren valt. In ieder geval is op dat thema ook jurisprudentie ontstaan vanwege de Hoge Raad, dat godsdienstvrijheid ‘niet samenvalt met eens ieders vrijheid om wettelijke voorschriften aan zijn godsdienstige opvattingen of aan zijn overtuiging te toetsen en de bepalingen van het verdrag [EVRM] mitsdien niet betekent dat het een ieder vrijstaan zich te onttrekken aan een wettelijke regeling, ook indien deze op het tot uiting brengen van godsdienst of overtuiging in enigerlei vorm geen betrekking heeft , door op grond van aan zijn godsdienstige opvattingen of overtuigingen ontleende bezwaren de nietigheid of ongeldigheid te zijnen aanzien in te roepen. Aldus werd het bezwaar van beperking van godsdienstvrijheid afgewezen met het antwoord dat deze vrijheid in het geheel niet in het geding was.’[iii].

Van der Pot/Donner gaat ook uitdrukkelijk in op ‘voorheen in ons land niet of nauwelijks beleden religies en van sekten’ die de problematiek er niet eenvoudiger op maken. Enerzijds kan de rechter niet altijd ontkomen aan de vraag of in concreto sprake is van het belijden van godsdienst of levensovertuiging, anderzijds is het niet de taak van de overheidsrechter zich over dogmatische vragen uit te laten. Wel belangrijk is dat in de literatuur is opgemerkt dat dat bij levensovertuiging in ieder geval zal moeten gaan om een ‘samenhangende levensbeschouwing, die de hele levensopvatting doortrekt en samenhangt met het geweten; het zou echter te ver voeren een niet godsdienstige kopie van een godsdienstige overtuiging te eisen.’ Een humanistische levensopvatting is zeker een ‘levensovertuiging’ maar jurisprudentie zal verder meer duidelijkheid moeten bieden.

https://krant.trouw.nl/titles/trouw/8321/publications/874/articles/1090008/8/1

[i] Omschrijving: ‘Parlementaire onschendbaarheid houdt in Nederland in dat een lid van het parlement niet strafrechtelijk kan worden vervolgd voor hetgeen in de vergadering van het parlement wordt gezegd. In Nederland geldt deze onschendbaarheid ook voor ministers, staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging. Dit is geregeld in artikel 71 van de Grondwet’ (https://nl.wikipedia.org/wiki/Parlementaire_onschendbaarheid )

[ii] Art. XIII van de UvU: zie Van der Pot/Donner, 2001; 317.

[iii] Aldaar, p.318.