Tags

Van de onafhankelijke Onderwijsinspectie is weinig meer over (Commentaar, nrc.nl, 16-12-19)

Bijzonder onderwijs

De kwestie rond het hoofdstedelijke Cornelius Haga Lyceum groeit uit tot een landelijke testcase voor tolerantie, vrijheid van onderwijs en gelijkberechtiging van de orthodoxe islamitische minderheid. Met als kern de legitimiteit van een overheid die een diep gewantrouwde school wil sluiten op zwakke feitelijke basis, via sluipwegen van de schoolinspectie en de AIVD.

Het fenomeen ‘institutionele vooringenomenheid’, eerder bij de fiscus door de commissie-Donner als oorzaak gezien van het toeslagenschandaal, lijkt ook hier actief. Dit alles onder de falende regie van burgemeester Halsema die tenslotte het tegenovergestelde bereikte van wat er kennelijk beoogd werd.

De lokale islamitische gemeenschap is nu verenigd tégen de overheid, gevoelens van discriminatie en wantrouwen zijn versterkt, de steun voor het gewraakte schoolbestuur is gegroeid, de school is in leerlingenaantal verdubbeld. De kwestie-Haga is een prestigezaak geworden. Overheidsbeleid en -communicatie faalden in alle opzichten.

Kortom, wie hoopte dat de staat succesvol zou zijn in het beperken van salafistische invloed in de moslimgemeenschap, kijkt op z’n neus. Ook is (gelukkig) gebleken hoe stevig de bescherming van het recht op vrijheid van onderwijs is – het Haga-lyceum wist zich keer op keer bij de rechter te revancheren en spon uiteindelijk garen bij de controverse. Ook de AIVD werd terechtgewezen door de eigen commissie van toezicht, omdat het de doelbewust gepubliceerde informatie onvoldoende had onderbouwd. De Onderwijsinspectie wordt in NRC verder scherp gekritiseerd door deskundigen in het onderwijsrecht. Ze trad ‘buiten haar bevoegdheden’ en ‘leed aan tunnelvisie’.

Van het beeld van een onafhankelijke en onpartijdige inspectie is na de journalistieke reconstructie inderdaad niet veel meer over. Ministers Arie Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs, ChristenUnie) en Ferdinand Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) en de Kamer wensten deze school te stoppen, nota bene ‘desnoods buiten de reguliere onderwijswetgeving om’. Dat had natuurlijk al alle alarmbellen moeten doen afgaan. Of de inspectie daar maar de munitie voor wilde aandragen. En zo schoof de inspectie aan bij de Haagse ‘Taskforce problematisch gedrag en ongewenste financiering’ – een club ambtenaren die het radicale salafisme moest ‘aanpakken’, ook als het de wet níét overtrad. Op zoek naar een stok om de hond te slaan dus. Waarbij dan al is vastgesteld dat strafrecht noch bestuursrecht mogelijkheden boden, ook omdat openbare orde en veiligheid niet acuut werden bedreigd.

Dan blijven dus ‘ongewenst’ en ‘problematisch’ over – wat binnen de toegelaten bandbreedte van de pluriforme democratische rechtsstaat valt. Ter herinnering: de vrijheid van meningsuiting omvat het recht ‘to shock, offend and disturb’. Schokken, kwetsen en verontrusten zijn volgens de rechter dus toegelaten. Minderheden en hun mogelijk afwijkende of zelfs onwelgevallige opvattingen zijn principieel beschermd. Inclusief de vrijheid om religieus geïnspireerd onderwijs voor de eigen groep te organiseren, uit culturele overwegingen.

Als dergelijk pluralisme het probleem blijkt dan dient dáár een politiek debat over te worden gevoerd. Is er nog draagvlak voor bijzonder onderwijs als dat ook ‘salafisme’ kan inhouden, terwijl het tegelijk aan alle didactische, organisatorische en burgerschapseisen voldoet ? Dat is meer ter zake dan uit ongemak het Haga bestuurlijk blijven frustreren. Zeker zolang er geen écht belastende feiten zijn aangetoond.

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/12/16/van-de-onafhankelijke-onderwijsinspectie-is-weinig-meer-over-a3984028#/handelsblad/2019/12/17/#116