Tags

Tegelijk met het afschudden van de linkse ideologische veren werden er neoliberale en anti-democratische veren opgedaan, stelt Zihni Özdil in zijn eerste maandelijkse essay voor Vrij Nederland. Zo werden de PvdA en GroenLinks partijen van marktwerking en dedain ten opzichte van de eigen achterban.

Deze laatste zin is te generaliserend geformuleerd, aangezien je nooit kunt waarmaken dat ‘zo de PvdA en GroenLinks partijen van marktwerking en dedain zijn geworden ten opzichte van de eigen achterban’. Nee, formuleer dan nauwkeuriger welk type marktwerking beide partijen hebben omarmd en waaruit dat dedain bestaat. Met mijn onderstaande argumenten geef ik aan dat je er heel anders tegenaan kunt kijken.

Tekst Zihni Özdil, Vrij Nederland, 16-8-19

‘In 2015 is de basisbeurs in het hoger onderwijs afgeschaft en vervangen door een schuldenstelsel. Dat zorgt nu al voor toenemende prestatiedruk en psychische klachten bij een groot aantal van de lenende studenten, blijkt uit onderzoek in opdracht van het Interstedelijk Studenten Overleg. De gemiddelde studieschuld is gestegen van 10.467 euro in 2009 naar 13.621 euro in 2017. Let wel: dit is het gemiddelde. Terwijl de cijfers over de schuldenlast voor studenten die volledig in het nieuwe stelsel zijn gaan studeren nog moeten komen. Onder studenten die niet uit een rijk gezin komen, loopt die schuld nog veel hoger op.

‘Zo ontstaat er een nieuw klassenonderscheid: een groep die zonder of met een kleine schuld kan afstuderen en een groep die gedwongen wordt de arbeidsmarkt op te gaan met een grote schuldenlast.

Hierop kan ik maar één enkele vraag als kanttekening stellen: hoe had de auteur dat ‘nieuwe’ klassenonderscheid willen tegengaan terwijl het zittende kabinet zijn bezuinigingsmaatregelen vanwege de achterliggende crisisperiode moest doorvoeren om niet in conflict te komen met de EMU-regels?

DEDAIN VOOR DE EIGEN ACHTERBAN

‘Het schuldenstelsel, in 2015 ingevoerd door PvdA, GroenLinks, D66 en VVD, past in een bredere trend van de afgelopen twintig jaar waarin links stap voor stap de band met de arbeiders en met de middenklasse heeft verloren.

Omdat hier erg gemakkelijk wordt vastgesteld dat het schuldenstelsel ‘past in een bredere trend van de afgelopen twintig jaar waarin links stap voor stap de band met de arbeiders en met de middenklasse heeft verloren’, en de onderstaande alinea’s daarop voortborduren, heb ik als politicoloog, maar óók principieel partijloos – stel ik dus tegenover de historisch opgeleide auteur – de vraag waarom links heeft meegedaan aan die bredere trend van de afgelopen twintig jaar. Min of meer aangepast dus aan de openlijk neoliberale partijen omdat de EMU-regels aanpassingen van het budgettaire beleid noodzakelijk maken als je de officiële normen overschrijdt. Je ontkwam er dus niet aan als je geen boetes vanuit de Commissie – ik spreek niet over het abstracte ‘Brussel’ – wenst te ontvangen.

Mijn punt aan de auteur is dat er een andere kwestie door hem niet wordt aangeroerd: Hoe hebben de linkse partijen hun eigen programma’s aangepast – zowel ideologisch als financieel – om zich in de politieke arena te kunnen handhaven? En laat ik mij beperken tot de door Özdil genoemde PvdA en GL. Bezuinigingen waren noodzakelijk vanwege de bestaande wet- en regelgeving en daarom moesten de linkse partijen – ieder voor zich – een strategie bedenken die verkoopbaar was aan hun eigen achterbannen. Daarvoor kon gezamenlijk links natuurlijk een algemene formule uitwerken en toepassen, namelijk belastingverhogingen voor hogere inkomens- en vermogensklassen. Maar zelfs die optie heb ik als ik mij goed herinner, nooit kunnen beluisteren tijdens Kamerdebatten.

Wat ik hiermee duidelijk wil maken is dat als je als welke partij, of Kamerfractie dan ook, serieus wilt meedoen aan debatten die beleidsvormend zijn, je een evenwichtig en consistent betoog moet formuleren, zodat er niet direct ‘gehakt’ van kan worden gemaakt door opponerende fracties. Ik wet natuurlijk niet hoelang Özdil al lid was van GL voordat hij toetrad tot de Kamer, maar dat zal toch al minstens enige jaren het geval zijn geweest omdat je niet zo gemakkelijk op de Kamerlijsten komt te staan. Wat ik alleen vanuit de kranten heb gelezen is dat hij zijn berichte artikel over studieschulden onaangekondigd – in zijn eigen fractie – had gedaan en dat lijkt me een doodzonde. Dat doe je ook niet in het bedrijfsleven. Dat is solistisch werken.

Maar mij is ook ontgaan welke ideologische veranderingen de linkse partijen in hun beginselprogramma’s hebben aangebracht om tot wijzigingen op hoofdpunten te komen om daarmee te voldoen aan de bestaande EU-regelgeving. Als Kamerlid heb je daarmee immers te allen tijde mee van doen. Ben je het met die regels niet eens, dan stel je in je eigen partij voor om de regels te veranderen, maar dat heb ik nooit welke fractie dan ook horen voorstellen.

‘De beroemde uitspraak van Wim Kok in de jaren negentig over het afschudden van de ideologische veren van de PvdA wordt vaak als het startsein gezien van deze ontwikkeling. Maar een nadere blik laat zien dat niet alleen de linkse ideologische veren werden afgeschud, maar tegelijkertijd ook nieuwe ideologische veren werden opgedaan: die van marktwerking en die van dedain ten opzichte van de eigen achterban. Deze combinatie heeft gezorgd voor een neoliberaal, anti-democratisch links.

‘De antidemocratische houding van Jeroen Dijsselbloem illustreert de groeiende afstand tussen links en haar eigen achterban.

‘Eind 2017 zei Jeroen Dijsselbloem in een interview met Thijs Broer in Vrij Nederland: ‘Ik vond dat we het in het kabinet goed hebben gedaan, en dat vind ik nog steeds. We hebben op het dieptepunt van de crisis een serie moeilijke maatregelen moeten nemen en een aantal belangrijke hervormingen doorgevoerd. Ik ga daar geen afstand van nemen. Alleen: we zijn er niet in geslaagd de kiezers mee te nemen.’

‘Dat de PvdA electoraal werd afgestraft door in Rutte II ongekend hard tegen de wensen van de eigen achterban in te gaan, wordt niet per se ontkend door Dijsselbloem: dat gegeven wordt door hem irrelevant geacht. Het gaat om ‘de kiezer meenemen’ in beleid waar diezelfde kiezer tegen is. Deze antidemocratische houding illustreert de groeiende afstand tussen links en haar eigen achterban. Ook GroenLinks zet sinds de lenteakkoorden uit 2012 en het schuldenstelsel uit 2015 neoliberale maatregelen door, zonder breed draagvlak onder de eigen achterban.

Ik betwijfel ten zeerste of hier terecht wordt opgemerkt dat Dijsselbloem een antidemocratische houding heeft aangenomen. Mijn ‘twijfel’ is overigens symbolisch van aard omdat ik het daarmee pertinent oneens ben. Waarom? Als politicoloog weet ik dat ook Dijsselbloem zich als bewindspersoon moest houden aan de Unie-regels, maar daarom wordt het niet alleen ‘ondemocratisch’, sterker nog: er bestond een parlementaire meerderheid in de Kamer waardoor de maatregelen van Rutte II werden aangenomen. Hoezo dus dat Dijsselbloem ondemocratisch handelde? Volstrekte onzin. Waarbij nogmaals de aantekening dat ik hier neutraal aan het schrijven ben als geen partijlid zijnde.

Maar ik stoor mij als een historicus in alle ernst beweert dat een (goed functionerend) en inmiddels oud-bewindsman wordt verweten antidemocratisch te zijn omdat zijn partij(bestuur) heeft nagelaten om de achterban de maatregelen uit te leggen. Overigens weet ik uit dezelfde bronnen (Vrij Nederland) ook dat de toenmalige fractieleider van de PvdA, Diederik Samsom, zich een slag in de rond heeft gemaakt om alle partijafdelingen te bezoeken en tekst en uitleg te geven. Daaraan lag het dus niet, wel – mogelijkerwijs – aan het feit dat de PvdA het beginselprogramma niet heeft aangepast, mogelijk in afwachting van betere tijden waarin er geen sprake meer was financieringsproblemen.

Maar er speelt, zoals wij allen weten, nog een cruciaal ander verschijnsel, namelijk dat er sinds 2010 sprake was van een – formeel – versplinterd politiek landschap, zodat in dat jaar na de verkiezingen aan coalitie met een gedoogpartij (PVV) geformeerd moest worden. De volgende coalitie s zoals bekend in 2012 Rutte II met de ongebruikelijke combinatie van erfvijanden uit het verleden: VVD en PvdA, maar na Paars I en II noodgedwongen coalities omdat er anders geen meerderheidsformatie mogelijk was. En als ik mij niet vergis heeft geen enkele politieke partij met eigen achterband overlegd hoe die situatie ideologisch of strategisch moest worden aangepakt. Kort en bondig gesteld: oude coalities met zuiver ‘linkse’ of ‘rechtse’ partners waren niet meer mogelijk.

Daar moest dus een antwoord op worden gevonden maar ik heb ik geen enkele krant kunnen lezen dat intern partijberaad – en ik doel op het hele spectrum in de Kamer – daarmee bezig was. Dat heet in mijn visie het falen van het huidige systeem en om die reden ben ik ook partijloos, nadat ik langdurige van meerdere partijen lid ben geweest. Mijn persoonlijke conclusie is dan ook dat het huidige bestel van de representatieve democratie niet meer afdoende kan functioneren en daarom zie ik uit naar de toekomst waarin een geheel nieuw bestel is ontstaan en geformaliseerd: de directe digitale democratie (op deze site te vinden onder de categorie DDD: https://aquariuspolitiek.wordpress.com/2018/06/15/het-wordt-tijd-om-uit-te-leggen-waarom-het-stelsel-van-representatieve-democratie-vervangen-moet-worden-door-directe-digitale-democratie-dl1-tweedekamer-politiekehervormingen-staatsrecht/).

Wordt vervolgd

https://www.vn.nl/zihni-ozdil-links-middenklasse