Tags

‘De EU als supranationale rechtsorde is vastgesteld door de constante jurisprudentie van het HvJ. [Zo overwoog het Hof al in 1964 dat met toenmalige EEG-Verdrag, ‘anders dan met gewone internationale verdragen het geval is, die bij inwerkingtreding van het Verdrag in de rechtsorde van de Lid-Staten is opgenomen’. M.a.w. het Unierecht vormt volgens het Hof een integraal onderdeel van het nationale recht. [De verhouding tussen Unierecht en nationaal recht is dus principieel monistisch, niet omdat dit uit het nationale recht voortvloeit, maar uit hoofde van het Unierecht zelf. Deze jurisprudentie ligt op zich wel voor de hand. Zou de gelding van het Unierecht afhangen van het nationale recht, dan zou de werking van dat recht per lidstaat anders kunnen zijn. Met name zouden staten met een dualistisch stelsel dan het (tot nationaal recht getransformeerde) Unierecht door latere wetgeving opzij kunnen zetten. Dat zou onaanvaardbaar zijn, omdat ‘indien de werking van het gemeenschapsrecht van Staat tot Staat zou verschillen op grond van latere nationale wetten, dit de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag (…) in gevaar zou brengen en een (…) verboden discriminatie in het leven zou roepen’.

Op basis van deze jurisprudentie kan vastgesteld worden dat verandering van verdragen, zoals door de opkomst van diverse populistische partijen binnen de EU, op zichzelf niet onmogelijk is, maar niet per uitroepen ‘We gaan dit veranderen’, want dat is juridisch een onmogelijke route. Dergelijke regeringen die de structuur van de Unie willen hervormen en aanpassen, kunnen dat alleen door een meerderheid van 2/3e in het Europees Parlement en binnen alle nationale parlementen van de lidstaten voor elkaar te krijgen; kortom door de vastgestelde procedures te volgen. Anders niet. Wat op korte termijn wel mogelijk is, is uit te EMU te treden, zodat dat land – bijvoorbeeld Italië, na de Brexit, als die plannen worden geconcretiseerd. Maar ook landen buiten de EU of euro dienen de jurisprudentie te volgen, zoals Zwitserland en Noorwegen.

‘Hieruit vloeien logischerwijs aantal belangrijke verschillen voort tussen ‘gewoon’ internationaal recht en ‘buitengewoon’ Unierecht.

1. Ten eerste werkt het ‘gewone’ intern recht slechts in de nationale rechtsorde indien nat constit dat bepaalt, althans toelaat. Het Unierecht daarentegen werkt – ongeacht de constit – uit eigen kracht in de nat rechtsorde.
2. Voorts prevaleert internat recht slechts in de nat rechtsorde voor zover de constit dat bepaalt. Het Unierecht echter heeft vanuit zichzelf voorrang.
3. En bovendien bepaalt nat constit recht – veelal bij monde van de nat rechter – of en op welke wijze het intern recht toegepast moet worden. De vraag of en hoe het Unierecht in de nat rechtsorde toegepast moet worden, is echter een vraag van het Unierecht zelf, welke in laatste instantie door de rechter van de EU, het HvJ, wordt beslist. Voor zover nat rechters Unierecht toepassen, zijn zij dan ook te beschouwen als organen vd Unie, die daarbij de uitleg vh HvJ hebben te volgen, en die zich bij twijfel omtrent de juiste uitleg vh Unierecht zekerheid moeten verschaffen via de zogenoemde prejudiciële procedure bij het Hof op grond van art. 267 VWEU.

Verdragsschending
‘Tenslotte wordt gewezen op de supranationale rechtsorde die door het EU-recht is geschapen, en die is niet vrijblijvend. Indien lidstaat verplichtingen die bij of krachtens het Unierecht op hem rusten, niet nakomt, kan de Commissie of een ander lidstaat hem voor het HvJ dagen in de verdragsschendingsprocedure van art. 258-260 VWEU. Acht het Hof een schending aanwezig dan stelt het dit bindend vast en moet de lidstaat maatregelen nemen om aan die schending een einde te maken. Doet lidstaat dit niet, dan kan het Hof een tweede procedure aan de lidstaat een dwangsom en/of een forfaitaire som (boete) opleggen. Uit de rechtspraak blijkt dat het Hof niet terugschrikt voor forse sancties. Zo werd Frankrijk wegens het na een eerdere veroordeling nog niet naleven van Europese regels omtrent de beperking van visvangst, in een uitspraak van 12 juli 2005 veroordeeld tot een boete van € 100 miljoen en een dwangsom van € 60 miljoen voor elk half jaar dat het land in gebreke zou blijven. Aldus kan het niet naleven van Europese regels voor lidstaten ingrijpende fin. consequenties hebben.’

Wordt vervolgd