Tags

[Burkens, 2.7, 35-36] In toenemende mate problematisch wordt ten slotte in het huidige tijdperk van globalisering en grensoverschrijdende migratie de vraag ten opzichte van welke personen de sociale rechtsstaat verplichtingen op zich neemt, voor het heden en in het bijzonder voor de toekomst. Globalisering en (im)migratie brengen een zodanige vervluchtiging teweeg van wat als Nederlandse bevolking kan gelden, dat de overheid steeds minder bij machte lijkt te zijn om een verzorgingsstaat op een meer dan minimaal niveau te handhaven. De verzorgingsstaat waarborgt een pakket aan voorzieningen, deels met consequenties voor wat betreft de verre toekomst (bijvoorbeeld de AOW, pensioenen en zorgvoorzieningen), aan hen die tot de statelijke gemeenschap behoren. Die groep wordt als gevolg van globalisering en (im)migratie lastiger af te grenzen. De reactie van de overheid – naast de eerder geschetste doorgaande afslanking van de verzorgingsstaat – is tweeërlei.

Om te beginnen kunnen hier een aantal kanttekeningen worden geplaatst.

In de eerste plaats de verschijnselen van globalisering en grensoverschrijdende migratie en de relatie of consequentie voor de bestaande verzorgingsstaat. Natuurlijk zijn onder de huidige bepalingen van het (internationale) Vreemdelingenverdrag alle geratificeerde staten verplicht om asielaanvragen te onderzoeken en vervolgens toe te kennen, dan wel af te wijzen. Deze hiermee gepaard gaande kosten die op de Rijksvergroting worden verhaald, hebben dus gevolgen voor het totale jaarlijkse budget van het ministerie van Sociale Zaken en Vreemdelingenbeleid in het kader van de nationale verzorgingsstaat, en daarnaast het budget voor vreemdelingenopvang, een bedrag dat noodzakelijkerwijs oploopt als de juridische procedures vertraging ‘ondergaan’.

Dit is logisch en onvermijdelijk, maar al schrijvend kom ik tot de eerste vraag, waarop ik geen antwoord weet omdat ik mij op die vraag nooit heb toegelegd. De vraag luidt namelijk of er (jaar)grenzen bestaan in verband met alle en dus totale kosten die aan vreemdelingenkosten, of -uitgaven om het positiever te formuleren, worden gereserveerd? Of is er sprake van twee afzonderlijke budgetten, die van jaar tot jaar aangepast kunnen worden, afhankelijk van de debatten na Prinsjesdag, de Algemene Politieke Beschouwingen, dan wel de Algemene Financiële Beschouwingen.

Duidelijk is dat in 2015 met de eerste omvangrijke vluchtelingenstromen (mensenhandelaars hadden deze nieuwe ‘markt’ ontdekt en te gelde gemaakt) waardoor iedereen en zeker de autoriteiten van alle EU-lidstaten (en ook elders in de wereld) verrast en overvallen werden, er ‘nood’voorzieningen getroffen werden, en het Brusselse apparaat in een hogere versnelling moest gaan om oplossingen te vinden en te realiseren.

Maar mijn vraag heeft dan ook betrekking tot de vraag of er principiële Kamerdebatten werden gewijd aan of er maximale beleidsmatiges, dan wel financiële grenzen moesten worden ingesteld, en wel in verhouding tot het draagvlak dat verondersteld werd te bestaan onder de bevolking voor een dergelijk nieuw beleid. Vooral het ‘welkom’beleid van de Duitse bondskanselier, ingegeven vanuit menselijke overwegingen, werd in eerste instantie als vanzelfsprekend ervaren, maar snel ontstond een tegenbeweging van groepen uit de samenleving die meenden dat er teveel werd aangegeven aan die opvang. Overige principiële vragen zijn naar mijn herinnering nooit gesteld. Wel voldoende gehakketak binnen de politieke debatten over waar de financiële- en draagvlakgrenzen onder de bevolking lagen en wat dies meer zij.

Ik ben er ook zeker van (omdat ik er blogs over geschreven heb) dat er nooit openbaar werd gesproken wat we precies met die vluchtelingen aan moesten, uitgaande van de veronderstelling dat

1. Er een groep denkbaar was die uit pure nood bereid was op kortste termijn aan (ongeschoold) werk kon worden geholpen, zodat de last op de Rijksbegroting binnen een half jaar kun worden verminderd. De algemene ‘bereidheid’ om een willekeurige baan te accepteren zou echter niet voor de gemiddelde vluchteling gelden en dan doet zich de vervolgvraag voor: Deze categorie van bootvluchtingen dient ervan uit te gaan dat ze (kunnen) worden teruggestuurd zodra de omstandigheden in het land van herkomst als veilig beschouwd kunnen worden. Is daarover gesproken of niet?

2. Zo niet, dan zouden er wettelijke regelingen moeten worden vastgesteld om termijn vast te leggen en op die wijze duidelijkheid te scheppen naar de bevolking toe.

3. Natuurlijk, zoals allerwege werd gesuggereerd, is er ook sprake van een grote groep economische vluchtelingen, die alleen al vanwege het forse bedrag aan de mensensmokkelaars betaald moest worden afgedragen, als zodanig moesten worden aangemerkt zodat er geen sprake kón zijn van louter en alleen maar politieke vluchtelingen. Ook dit thema is volgens mij in politieke kring – lees: Kamerdebatten – nooit aan de orde geweest. En ik heb wel alle debatten thuis via de laptop gevolgd maar werd voortdurend gehinderd door afmattingsverschijnselen vanwege het onderlinge politieke gekakel tussen de Kamerfracties onderling.

Dat houdt geen burger vol. Kortom, zo wordt en werd altijd in ons land gedebatteerd en bestond er geen enkele aanleiding onder alle fracties om eens voor ‘één keer’ zakelijk te overleggen en tot besluiten te komen. Daarom bestaat er geen draagvlak onder het electoraat, want de politiek maakt het er zelf naar.

Wordt vervolgd