Tags

[Burkens c.s., 10.7] (257) De verhoudingen tussen regering en parlement wordt vaak beschreven met behulp van de begrippen monisme en dualisme. Van een dualistische verhouding spreekt men als elk van beide een eigen bevoegdheid en beslissingsvrijheid heeft. Van een monistische verhouding wordt gesproken wanneer een van beide de ander domineert. Een presidentieel stelsel is principieel dualistisch, een conventioneel stelsel monistisch. Bij een parlementair stelsel is dit niet bij voorbaat duidelijk; de situatie kan per land en zelfs per periode verschillen. Het Verenigd Koninkrijk (…)

‘In Nederland kunnen ministers, behalve wanneer ze demissionair zijn, geen deel uitmaken van het parlement (vgl. art. 57, tweede en derde lid, Gw) Regering en parlement hebben ook eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden, waarbij die van de regering vooral op het regelgevende en besturende vlak liggen en die van het parlement vooral het nauwlettend controleren van de regering tot strekking hebben. Toch kent Nederland geen (extreem) dualistisch stelsel. Doordat de formele wetgevende bevoegdheid tezamen wordt uitgeoefend en vooral door de werking van regeerakkoorden is er veel samenwerking tussen de regering en de fracties die haar ondersteunen. In veler ogen vertoont de verhouding tussen regering en parlementaire meerderheid zelfs (te veel) monistische trekken, met als gevolg dat de kwaliteit van de controle op het regeringsbeleid te beperkt is. Bij dit alles moet bedacht worden dat de verhouding tussen kabinet en oppositie inherent dualistisch is.

‘De termen monisme en dualisme worden primair gebruikt ter beschrijving van een bepaalde feitelijke situatie. De laatste jaren worden ze ook in een normatieve betekenis gehanteerd in die zin dat de verhouding tussen kabinet en parlement (meer) dualistisch zou dienen te zijn.

Het is inderdaad pijnlijk hoe het ‘normale’ dualisme door de regeringsfracties nooit wordt toegepast en wordt overgelaten aan de oppositiepartijen en daarin zie ik ook een oorzaak dat de bevolking zo ontevreden is over de politiek in het algemeen en het Kamerwerk in het bijzonder. Er wordt simpelweg niet uitgevoerd wat er in de Gw staat voorgeschreven en dat geldt voor ieder Kamerlid dat altijd namens de gehele bevolking spreekt en niet alleen namens zijn doelgroep. Daaruit ontstaat het voortdurend gehakketak en het vliegen afvangen dat dodelijk vermoeiend is voor het electoraat.