Tags

[Burkens c.s. 10.6] (255/6) Art. 68 bevat een inlichtingenplicht voor de minister aan de Kamers der Staten-Generaal. Sinds 1987 geldt deze plicht ook ten aanzien van individuele Kamerleden. De ministers dienen alle inlichtingen te geven die door de Kamers of haar leden verlangd worden. Dat houdt in dat een minister dient te antwoorden op gestelde vragen en tevens gehouden is tot het geven van een toelichting en het argumentief verdedigen van zijn standpunten.

Dit is een actueel onderwerp en een ‘bijzondere’ want vage formulering in deze tekst van wat de wet bedoelt. Het vragen van inlichtingen is een dagelijkse praktijk en vaak dient om de minister eraan te herinneren dat er al een lange periode gewacht wordt op de gevraagde informatie.

Vaak worden de vragen ook afgedaan met alleen een ‘ja’ of ‘nee’ of hooguit een heel korte toelichting. Maar dat hangt ook waarschijnlijk samen met het feit dat er een gewoonte van is gemaakt om een stortvloed van vragen om inlichtingen aan de minister te stellen en de vraag is of dat wel zo nuttig is. Het een hangt samen met het ander en dat bewijst bijna dat de regering er in de prakrijk vaak geen serieus werk van maakt.

En dat lokt een tegenreactie van de Kamer op door onnodig veel vragen te gaan stellen door het groeiende leger van ontevreden Kamerleden. Het een lokt het ander uit en zo ontstaat een misbruik van het inlichtingenrecht. Ook het ‘argumentief verdedigen’ van standpunten van bewindslieden is vaak een lachertje. Kortom, een circusact.

(256) Er zijn twee grenzen aan de inlichtingenplicht. Allereerst zal een minister geen informatie kunnen geven die het geheim van de Kroon zou schenden; de positie van het staatshoofd moet beschermd blijven. Van groter praktisch belang is de verschoningsgrond neergelegd in art. 68 Gw. Een minister kan een antwoord weigeren met een beroep op het belang van de staat. Of een minister een beroep op het belang van de staat. Of een minister een beroep doet op deze bepaling staat primair te zijner beoordeling, hoewel op grond van een interne richtlijn deze kwestie allereerst in de ministerraad besproken zal worden. Indien de Kamer problemen heeft met het beroep op het belang van de staat, kan zij haar ongenoegen altijd laten blijken door een wantrouwensvotum uit te spreken.

Omvang verantwoordingsplicht Het staatsrecht is dus voor wat betreft de ministeriële verantwoordelijkheid duidelijk. In de praktijk wordt dit beeld echter vertroebeld doordat Kamerleden gebruik makend van hun inlichtingenrecht, ministers ook allerlei vragen stellen die geen betrekking hebben op de bevoegdheden van de minister, maar op bevoegdheden van bijvoorbeeld gemeentebesturen. Ministers geven vaak antwoord op dergelijke vragen. Hoe is nu de reactie van dit inlichtingenrecht tot de ministeriële verantwoordelijkheid? De meerderheid van de literatuur en de politieke praktijk gaat (impliciet) uit van de opvatting dat de inlichtingenplicht niet geheel parallel loopt met de ministeriële verantwoordelijkheid. Dat heeft als gevolg dat de minister alle vragen dient te beantwoorden, over welk onderwerp dan ook. [Vreemde gang van zaken] Er is echter wel een verschil in intensiteit van de antwoordplicht. Zolang er geen bevoegdheden in het geding zijn, is de minister niet gehouden tot verdediging van de gang van zaken. Op de vraag of hij zich met een individueel probleem wil gaan bemoeien dat buiten zijn bevoegdheden ligt [maar voor binnen zijn bevoegdheid geldt dat over privé personen niet gesproken wordt], bijvoorbeeld door het schrijven van een brief aan wel bevoegde autoriteiten, kan en mag de minister ontkennend antwoorden. Dit bijvoorbeeld met als argument dat er hoge kosten of grote inspanningen mee gemoeid zijn. Bij dit alles moet bedacht worden dat ook bij Kamervragen die geen betrekking hebben op concrete bevoegdheden van de minister, de ministeriële verantwoordelijkheid op de achtergrond wel een rol kan spelen. Bijvoorbeeld omdat geprobeerd wordt te achterhalen hoever de bevoegdheden van de minister strekken, wat hij binnen deze bevoegdheden wenst te doen of, indien er geen bevoegdheden zijn, om te vernemen van de minister of hij van plan is zijn algemene bevoegdheid met wetgevingsinitiatieven te komen te gebruiken, zodat hij wel specifieke bevoegdheden verkrijgt.

De conclusie van dit alles is dat het inlichtingenrecht weliswaar ruim is, maar dat de minister terughoudend kan zijn in de beantwoording van vragen en het ondernemen van actie op vragen voor zover zijn bevoegdheden niet in het geding zijn.

Een regelmatig bezoeker van de Kamerdebatten via Politiek24 zal hebben ervaren dat er met enige regelmaat botsingen plaatsvinden tussen een bewindsman en Kamerleden, en dan noem ik met name de SP-Kamerleden die geen andere middelen of methoden zien (bijvoorbeeld door de vragen anders te stellen/formuleren, meer logica in het betoog of redenering aan te brengen, of duidelijk een positieve intentie uit te spreken, in plaats van emotionele oproepen te doen, die vrij ongebruikelijk zijn of zelfs misplaatst vanwege het zakelijke karakter van het debat. Het versterkt de hulpeloosheid van een meestal op een specifiek terrein onervaren Kamerlid, die niet aanvoelt wat kan en niet kan.

Advertisements