Tags

‘Voorzitter. In de samenleving moet er ruimte zijn voor verschillende vormen van onderwijs. We hebben in Nederland de vrijheid van richting en inrichting. Dat is een groot goed. Dat wordt in artikel 23 van de Grondwet gegarandeerd. Dat is een belangrijke pijler onder onze rechtsstaat. Alle Nederlanders staat het vrij om een school op te richten, of dit nou orthodox-joods, orthodox-christelijk of orthodox-islamitisch is.

Iedereen is gelijk voor de wet en de wet is gelijk voor iedereen. We hebben met z’n allen regels afgesproken en wetten gemaakt over hoe dat oprichten en het toezicht houden op scholen gaan. Allerlei instituten spelen hier een rol in. We kennen de Inspectie van het Onderwijs en de minister van Onderwijs, maar ook verschillende lagere overheden spelen daar een rol in.

Goed dat Azarkan hier onze onderwijsvrijheid benoemt, dat dus ook opgaat voor orthodox-joods, orthodox-christelijk of orthodox-islamitisch onderwijs, maar hij vergeet erbij te vermelden dat er een belangrijk onderscheid tussen enerzijds de eerste twee categorieën en anderzijds de laatste.
Wat is namelijk dat verschil? Dat de eerste twee – die feitelijk en formeel vanaf 1900 met de invoering van de schoolwet, van oudsher in ons land bestaan – zich perfect en zelfs meer dan perfect (‘Roomser dan de paus’) houden aan onze Grondwet, maar dat is met het salafistische of orthodox-islamitische (of liever islamisme) onmogelijk, want zij erkennen de westerse democratieën niet. Dat heeft te maken met islamitische cultuur dat binnen die orthodoxie geen scheiding van religie en staat bestaat. Waarom niet?
Omdat de godsdienstige eenheid binnen de islam ook betekent dat er eenheid van ‘religie/(godsdienst én maatschappij en inwoner bestaat. Alleen heeft de grondlegger van het moderne Turkije, Atatürk met zijn nieuwe grondwet van 1923 de modernisering doorgevoerd van de scheiding van religie en staat, omdat eenheid de ontwikkeling van moderniteit tegenhoudt. Dus toen is ook het Europese schrift ingevoerd.
Binnen islamitische landen bestaat dus tot heden geen scheiding tussen religie en staat en dat zal gezien de huidige opkomst van het fundamentalistische islam ook wel nooit meer gebeuren. Waarom? In de islamitische landen bestaat de ‘geestelijke eenheid van mens en ziel’ en dat betekent ook dat de islam als staatsgodsdienst tot de islamitische ziel behoort en dus eenheid van religie en staat.
Dit heeft grote consequenties voor de islamitische bevolkingsdeel in ons land en zeker voor het mindergeletterde deel (kan ik over meepraten vanwege mijn verleden als NT2-docent in het migrantenonderwijs) van de nieuwkomers in ons land. De strenge islamisten (ik heb een aantal imams in de klassen gehad; ik had echter ook een Egyptenaar die moeilijk in te schatten was) treden dwingend op tegenover hun – vaak – landgenoten met betrekking tot de interpretaties van de Koran. Ik heb dat overigens niet kunnen verbieden omdat er voor mij op die manier mogelijkheden geopend werden om de Nederlandse grondwet uit te leggen. Of dat zoden aan de dijk heeft gelegd is maar de vraag. En de betrekkelijk geringe Nederlandse taal- en spreekvaardigheid verhinderden mij daar echt diep op in te gaan.
Kortom, ik weet dat de uiterlijk bezielde islamieten in mijn klassen er vaak innerlijk andere opvattingen op nahielden, en dus veel vrijzinniger waren dan het leek, maar dat hun collectieve (verplichte) opvoedings- en gedragspatronen bijna niet te veranderen zijn. Dat is wat mij betreft een kwestie van generaties. Én dat betekent een noodzakelijke wijziging van onze onderwijswetgeving, waarin, want vreemde – lees: niet Nederlandse – grondwetten geen erkenning, dan alleen innerlijk respect, maar zeker geen gehoorzaamheid aan die wetten betekent. Daarom heb ik op deze plaats vaker gepleit voor een inburgering over meerdere jaren met jaarlijkse examens, waarbij tijdens ieder volgend examen ook gecontroleerd en dus bevraagd moet worden hoe de vorderingen zijn ten aanzien van onze eigen grondwet.
Mochten de examenklanten blijven kiezen voor hun oorspronkelijke Turkse of Marokkaanse paspoort, dan verliezen ze bij handhaving van hun opvatting bij het eerst volgende examen hun Nederlanderschap. Dat betekent óók onderwijsvrijheid: je kiest ten principale voor het Nederlanderschap én dus voor de Nederlandse Grondwet, én je moet dat tijdens het examen overtuigend kunnen verdedigen. Zo niet, dan is vertrek naar het land van herkomst noodzakelijk geworden.
Alleen met een dergelijke maatregel kan het salafisme (in de strenge versie, aangezien er ook een ‘zuiver geestelijke’ variant bestaat, maar daar komt de islam in geen velden of wegen aan toe, zoals ik ook Arib via een tweetbericht in van de achter ons liggende jaren (ook Aboutaleb) heb gemeld.
Mijn conclusie is dat langs deze weg geen strafrechtelijke vervolging hoeft te worden ingezet, want ook met de rechtszaken tegen Wilders is wat belediging betreft veel nieuw recht geschapen en dat is dan weer het prachtige van ons land dat er geen meningsverschil hoeft te ontstaat tussen godsdienstvrijheid en van meningsuiting. Als het maar via het staatsrecht wordt aangepakt. En wat de civielrechtelijke mogelijkheden betreft, tast ik (nog) in het duister.

Voorzitter. Afgelopen week lazen we in twee brieven inderdaad ernstige aantijgingen richting het bestuur van het Cornelius Haga Lyceum. In die brieven wordt gesproken van “contacten met terroristische organisaties door richtinggevende personen”. Dat roept een hoop vragen op bij de fractie van DENK. Allereerst: wie worden bedoeld met deze “richtinggevende personen”? Wanneer is dit ontdekt? Kan de minister hierin openheid geven?

Dit laatste is slechts om aan te geven dat ik deze eerste blog hierbij afsluit, maar dat er een vervolg op komt aangezien ik tijdens het debat erg veel aanknopingspunten heb gehoord die mij in staat stellen om een langdurige reflectie op dit thema te gaan beginnen en starten.
Wordt vervolgd

Advertisements