Tags

Die kant van criminaliteit verzwijgen we liever (Herman Vuijsje, Essay, katern Letter & Geest/Trouw, 24-11-18)

Etnisch-culturele factoren spelen een grote, maar nauwelijks benoemde rol bij problemen met migratie en criminaliteit, stelt socioloog Herman Vuijsje.

Antropoloog en criminoloog Hans Werdmölder was een van de eersten die beleidmakers waarschuwden dat hun aanpak van Marokkaanse probleemjongens dreigde te mislukken. Hij is de veteraan en de Cassandra onder de Nederlandse Marokkanenwatchers. Begin jaren tachtig wist hij het vertrouwen te winnen van een groep Marokkaanse probleemjongens in de Amsterdamse Pijp. Later zocht hij ze nog twee keer op, de laatste keer in 2009 en daaropvolgende jaren. Door deze participerende benadering kon hij in zijn boek ‘Marokkanen in de marge’ een unieke blik op hun levensloop bieden. Letter&Geest publiceerde er op 24 oktober 2015 een bewerking uit: ‘Blijft Hafid op het rechte pad?’

Die beleidsmakers kregen waarschijnlijk niet de kans om een genuanceerd migratiebeleid op te zetten want het zijn altijd de politieke instructies die moeten worden opgevolgd. En als een minister bepaalt dat het een ander accent moet krijgen dan beleidsspecialisten voorstellen, dan kun je hoog of laag springen, maar voet aan de grond krijg je niet.

Vijftien van de veertig jongens, inmiddels mannen van middelbare leeftijd, zijn dankzij de drie W’s (Wijf, Werk & Woning) op hun pootjes terechtgekomen. “De rest is dood door drugs, verslaafd en crimineel, psychiatrisch patiënt, schizofreen of hangt eindeloos aan het infuus van de verzorgingsstaat.” Alle ingezette hulpverleners hebben voor deze groep dus nauwelijks iets opgeleverd, concludeert Werdmölder.

Dit beleid dient in de toekomst dus veranderd te worden en daartoe dienen onderstaande punten die uit onderstaand artikel gehaald kunnen worden.

1. Hoe kunnen we dat verklaren? De gangbare opinie luidt, ook in wetenschappelijke kring, dat de oorzaken van crimineel gedrag nooit en te nimmer bij de groep zelf kunnen liggen, schrijft Werdmölder: ‘Alleen de ongunstige leefomstandigheden komen in aanmerking als verklarende factor.’ Deze ‘vertrouwde verklaringen’ zijn: discriminatie, geen werk, slecht onderwijs en problemen thuis.

De antidiscriminatiewetgeving dient dus te worden aangescherpt en door de arbeidsinspectie te worden gecontroleerd. De sociale diensten hebben een wettelijke taak bij bestrijding van werkloosheid en dienen therapeutische hulp in te roepen als de problemen thuis te heftig zijn. Binnen – laten we zeggen – drie maanden moet een advies ter toestemming aan de gemeenteraad te worden voorgelegd.

Maar hoe kan het dan, vraagt Werdmölder zich af, dat Turks-Nederlandse jongeren veel minder in de problemen komen, terwijl zij toch ook te maken hebben met zulke problemen? De criminaliteit onder jongvolwassen Marokkanen ligt bijna drie keer zo hoog als onder vergelijkbare Turkse Nederlanders.

De culturele controle binnen de Turks-Nederlandse leefgemeenschap zijn veel strenger dan van de Marokkanen, waarbij komt dat de Marokkaanse ouders veelal slachtoffer zijn van een gebrek aan Nederlandse taalbeheersing. Binnen de Turkse gezinnen treedt de vader als patriarch op. Zijn wil is wet. Ik weet dit uit eigen ervaring met deze doelgroepen in het NT2-onderwijs. Hetgeen hieronder wordt bevestigd.

Een verklaring daarvoor is geopperd door criminoloog Frank Bovenkerk: onder Turkse (en Surinaamse) Nederlanders is de sociale controle veel sterker dan onder Marokkaanse. Sommige omgevingsfactoren kunnen volgens Bovenkerk dus worden teruggevoerd op cultuurverschillen binnen gemeenschap en gezin.

Werdmölder gaat een stap verder. Het zou onzin zijn te beweren dat de Marokkaanse cultuur crimineel gedrag voortbrengt, schrijft hij, maar we moeten ook niet onze ogen sluiten voor de mogelijke rol van culturele factoren op individueel niveau. Als voorbeelden noemt hij het sneller hanteren van geweld bij geschillen en de hoge gevoeligheid van jonge Marokkaanse Nederlanders waar het gaat om respect en eer. Crimineel en onaanvaardbaar gedrag kan ook voortkomen uit angst, achterdocht, slachtofferschap en misplaatste trots.

Als hier het accent op wordt gelegd in toekomstige migratie- en inburgeringstrajecten, dan wordt niet alleen de wind uit de zeilen gehaald voor populisten, maar de gemeentelijke overheden moeten ook nog leren om veel effectiever op te treden.

2. Werdmölder citeert Livio Sansone, een antropoloog van Italiaanse afkomst die in de jaren tachtig onderzoek deed onder laaggeschoolde Surinaamse jongeren in Amsterdam. Sansone constateerde bij veel van deze jongeren een diepgewortelde aversie tegen handarbeid in loondienst. “Een eerzaam beroep als groenteboer of dakbedekker vindt men te min en een beroep als fotograaf (zo deed Sansone zich voor) is te ingewikkeld.” Sansone had het zelfs over een ‘anti-arbeidsethos’.

Een hernieuwd inburgeringsexamen per jaar kan of dient hieraan verandering aan te brengen. De inburgeraars dienen de Nederlandse grondwet te begrijpen en te verinnerlijken of te institutionaliseren. Voorstelbaar wordt dat inburgeringsexamens ook worden ingevoerd voor hier geboren Marokkaanse- en Turkse Nederlanders. In de vervolgtrajecten staat dus de grondwetskennis voorop. Dat betekent ook dat tot tweemaal toe zakken voor een vervolgexamen het verlies van het Nederlandse paspoort oplevert en uitzending of terugsturen naar geboorteland.

In 1992 bekritiseerde ook de Surinaams-Nederlandse socioloog en econoom Ruben Gowricharn al het beeld dat problemen van immigranten per definitie voortkomen uit het racisme van Hollanders. Zelf afkomstig uit een land waar niemand omzichtig doet over cultuurverschillen, merkte hij tot zijn verbazing dat in Nederland alles wat er mis gaat met leden van minderheidsgroepen als vanzelfsprekend uit externe factoren werd verklaard. De betrokkenen waren per definitie ‘ontmoedigd, gediscrimineerd, belemmerd door de overheidsinstanties, negatief beïnvloed door hun sociale omgeving, ziek of te oud’.

Hieruit blijkt ook de noodzaak dan vernieuwd integratiebeleid noodzakelijk is en dat van alle wetenschappelijke onderzoeksrapporten gebruik moet worden gemaakt. Dat levert nieuw overheidsbeleid een breder draagvlak op. Ons integratiebeleid is tot heden veel te halfslachtig geweest en moet ook in samenspraak met de bevolking gestalte gaan krijgen.

3. Nooit mocht de cultuur van de onderzochte groep worden gezien als mogelijke medeveroorzaker van achterstanden en problemen. In de ogen van onderzoekers en beleidsambtenaren bestaan er geen werklozen die ‘indolent, werkschuw, op vertier gericht, ongeïnteresseerd en makkelijk zijn’.

Hier wordt waarschijnlijk gerefereerd aan de vroegere opvattingen zoals ‘integratie met behoud van eigen culture achtergrond’, maar die richtlijn is nu bewijsbaar foutief geweest en zal dus aangeoast moeten worden. ‘Culturele achtergronden’ dienen te verdwijnen uit de aanpassingscriteria en in plaats daarvan staat in de toekomst ‘individuele mogelijkheden en talenten’ centraal. Iedereen wordt verplicht tot het verwerven van een legaal arbeidscontract.

Amsterdams onderzoek naar overlastervaringen bevestigt dat culturele en religieuze verschillen daarbij een rol spelen. Zo zegt een kwart van de bewoners dat overlast vooral wordt veroorzaakt door jongeren uit andere bevolkingsgroepen, vooral Marokkanen. Met discriminatie van mediterrane immigranten heeft dat weinig te maken, schrijven de onderzoekers: de meeste negatieve gevoelens over jonge Marokkanen worden gemeld door Turkse Amsterdammers.

In het rapport ‘Integratie in zicht?’ (2016) oppert ook het Sociaal en Cultureel Planbureau voorzichtig dat het rijtje usual suspects wellicht moet worden uitgebreid met culturele factoren. Van de dertigjarige Marokkaanse mannen was in 2014 70 procent tenminste eenmaal verdachte geweest, tegen 28 procent van de autochtone mannen. Correctie voor economische, demografische en ruimtelijke kenmerken kan maar een deel van dat verschil verklaren. Hetzelfde geldt voor het minder grote verschil bij Antilliaanse en Surinaamse mannen. “Andere, mogelijk specifiek etnisch-culturele factoren zouden hierbij een rol kunnen spelen”, constateert het SCP.

Al deze factoren kunnen in een vervolg van de integratietrajecten worden aangepakt.

4. Een ongunstige invloed van etnisch-culturele factoren treedt op de meest schrijnende manier aan het licht bij het lot van meisjes en jonge vrouwen in een schaamtecultuur. De Kring van Veiligheid, die in 2016 een manifest publiceerde over kindermishandeling en huiselijk geweld, signaleerde een ‘keten van zwijgzaamheid’ die het melden ervan verhindert, vooral binnen “culturele groepen met hechte familiesystemen en een sterke groepsdruk, vaak nog versterkt door een schaamtecultuur. In zulke min of meer gesloten gemeenschappen stel je je bloot aan zware sociale en soms fysieke sancties als je naar buiten treedt met klachten over geweld. Vaak gaat het om partnergeweld, eergerelateerd geweld, kindhuwelijken, huwelijksdwang, gedwongen achterlating en genitale verminking.”

Deze culturele verschijnselen dienen binnen één generatie te worden verwijderd of opgeheven. Je bent ook als Marokkaanse- of Turkse Nederlander iemand die zich aan de Nederlandse waarden en normen heeft aangepast. Indien daartoe geen bereidheid bestaat, is vertrek uit ons land noodzakelijk geworden.

Er is moed voor nodig om deze praktijken aan de kaak te stellen. Dat geldt ook binnen de Hindoestaans-Surinaamse bevolkingsgroep, waar een oppressieve – [repressieve?] – familiecultuur leidt tot onderdrukking van meisjes en vrouwen, met een hoog zelfmoordpercentage als gevolg. [https://synoniemen.net/index.php?zoekterm=oppressie] Klokkenluiders uit eigen kring, zoals Sunita Biharie en Meera Nankoe, zijn de enigen die de vicieuze cirkel van schaamte en stilzwijgen kunnen doorbreken.

De grote vraag is hoe deze cultuur kan worden doorbroken. Mogelijk een thema voor staatssecretaris Volksgezondheid Paul Blokhuis.

Onder immigranten uit landen als Soedan, Somalië en Ethiopië is genitale verminking een minstens even ernstig probleem. Meisjesbesnijdenis is een diepgewortelde culturele norm, die met een enorme sociale druk wordt opgelegd. Een meisje dat niet besneden is, zal binnen de eigen groep niet gemakkelijk een huwelijkspartner vinden.

Genitale verminking is in Nederland streng verboden (er staat twaalf jaar gevangenisstraf op) maar nog nooit is in ons land iemand voor dit misdrijf vervolgd. Hoe vaak het voorkomt, weten we niet. De schattingen lopen uiteen van vijftig (Raad voor de Volksgezondheid en Zorg in 2005) tot meer dan vijfhonderd gevallen per jaar (GGD Nederland in 2009).

Werk aan de winkel voor de minister van Integratie Wouter Koolmees.

De schattingen liggen zo ver uiteen doordat prevalentie-onderzoek nooit is gedaan. In 2004 bepleitte Ayaan Hirsi Ali (VVD) daarin verandering te brengen door jonge meisjes uit de risicolanden jaarlijks te controleren. In Frankrijk is dat al langer gebruikelijk, met als gevolg dat enkele tientallen malen strafvervolging is ingesteld.

Dat Franse voorbeeld mogen wij hier ook gaan volgen.
De Tweede Kamer sprak herhaaldelijk zijn steun uit voor Hirsi Ali’s initiatief, maar maatregelen bleven uit. De bestrijding van meisjesbesnijdenis blijft in Nederland beperkt tot pogingen om het onderwerp op vrijwillige basis ‘bespreekbaar te maken.’

Zinloos dus.

In haar boek ‘Witte onschuld’ besteedt Gloria Wekker zijdelings aandacht aan deze ernstigste uitwas van de masculiene verbodscultuur – maar anders dan je zou verwachten. Ze vermeldt het als een van de favoriete onderwerpen van witte mannen die het altijd maar willen hebben over de zwarte vrouwelijke seksualiteit, in hun verlangen die te beheersen.

(…)

Genitale verminking wordt verricht door zwarte vrouwen die zelf als meisje ook zijn besneden. Zij zijn dus dader en slachtoffer tegelijk, een ongemakkelijke waarheid die niet valt onder te brengen in het zwart-witframe. Daarin zijn zwarte mensen immers per definitie slachtoffers.

Waar geen racisme en geen ‘witte’ schuld kan worden geconstrueerd, kunnen problemen beter onder de pet blijven. Daarom fulmineert Wekker pagina’s lang tegen de veronderstelde seksuele obsessie van witte mannen met het zwarte vrouwenlijf. Maar zwijgt zij over de al te tastbare gevolgen van de cultureel bepaalde misogynie waarvan zwarte meisjes het slachtoffer worden.

In Wekkers beeld van een racistische samenleving zijn ‘zwarten’ hulpbehoevend, hun problemen worden per definitie verklaard uit racisme en externe omstandigheden, nooit uit problematische aspecten van de eigen cultuur. Zo blijven slachtoffers van cultureel bepaalde gebruiken als genitale verminking verstoken van hulp.

Met dit soort opvattingen schiet dus niemand iets mee op en worden cultureel bepaalde spanningen niet opgelost.

5. Bestaat er dan geen discriminatie? “Discriminatie is real”, zegt hulpverlener Boubker Chanhih, van Marokkaanse afkomst. “Mensen met een migratieachtergrond moeten harder werken, daar ben ik van overtuigd. Zelf word ik eerder positief gediscrimineerd. In de zorg wordt echt gezocht naar jongens zoals ik. Vrienden met mijn achtergrond hebben wel moeite met werk vinden. Maar dat ligt soms ook aan laksheid.”

Het merendeel komt dus ook in een parallelle arbeidsmarkt uit en dat moet maar getolereerd worden al zal de integratie daardoor niet bevorderd worden. Maar mijn ervaring binnen de migrantengemeenschap leert mij dat ware integratie pas met de aanstormende generaties gerealiseerd zal kunnen worden aangezien de bepaalde diploma’s in het hoger onderwijs alleen blijvend effect zullen oproepen.

Het is een verre echo van de bevindingen van Hans Werdmölder. Als Chanhih in het koffiehuis Marokkaanse jongens hoort klagen, ‘zoals ze daar zitten met hun petje, hun Air Maxschoenen en hun trainingsbroek’, denkt hij: trek je dat ook aan naar je sollicitatiegesprek?

Daar wil ik bij aantekenen dat de ‘ontvangende’ Nederlandse samenleving zich dit tekortschieten in soft skills mede mag aanrekenen. Zo constateerde Frank Bovenkerk uit vergelijkend onderzoek dat Marokkaanse jongens het in Duitsland een stuk beter doen dan in Nederland: meer diploma’s, vaker een baan, minder criminaliteit. Een belangrijke oorzaak van dat verschil zoekt hij in de uiteenlopende arbeidscarrière van hun vaders: in Nederland werden velen van hen in de jaren tachtig werkloos of arbeidsongeschikt verklaard, in Duitsland gingen ze na de crisis weer aan het werk. Daardoor kregen hun zoons meer respect voor een reguliere baan bijgebracht.

Hierbij speelde dus niet racisme of discriminatie een rol, maar eerder het tegenovergestelde: de angst daarvan te worden beschuldigd. Tientallen jaren van overmatig respect voor veronderstelde culturele eigenheden, van onderwijs in ‘eigen taal en cultuur’ en van angst om aan te sturen op aanpassing hebben allochtonen opgescheept met een extra achterstand in integratiekansen.
Hier stuiten we op een opvatting van de zwart-witpredikers als Anousha Nzume (‘Hallo witte mensen’), Sylvana Simons, Quinsy Gario en Sunny Bergman, die haaks staat op de werkelijkheid.

Toch verklaar ik hierbij Sylvana Simons tot een uitzondering in dit rijtje na haar film op IDFA over haar gemeenteraadsverkiezingen waarbij zij een raadszetel wist te bemachtigen. Deze vrouw is zo scherp en goed van de tongriem gesneden dat Nederlandse mannen zich door haar ‘verbale geweld’ bedreigd voelen. Mensen, en vooral mannen, die zich bedreigd voelen, kampen zelf met een persoonlijke disbalans. Maar ook wordt zichtbaar hoe moeilijk hoe moeilijk een entree van een nieuweling op de politieke markt verloopt en hoe je gehinderd kunt worden door de regionale zenders.

Gloria Wekker bespeurt in Nederland een ‘mono-etnicistisch’ assimilatiemodel: alles wat herinnert aan een herkomst van elders moet worden uitgewist. Was er maar iets van waar! Dan zouden de achterstanden van allochtonen een stuk kleiner zijn en hun arbeidsmarktkansen een stuk groter.
Een toekomstig ‘assimilatiemodel’ is dus niet zoals het hier beschreven staat, maar is een model van’ samenwerking en samenspraak’ tussen de bevolkingsgroepen, allochtoon en autochtoon (in die volgorde omdat aanpassing van allochtonen moeilijker is dan voor de laatst genoemden, maar van hen wordt dus gevraagd om meer respect voor de inspanningen van de ‘nieuwelingen’ . Daartoe is verandering van denken noodzakelijk.

(…)

“Assimilatie wordt tegenwoordig vaak gezien als verraad”, zegt Hans Moll, zelf van Indische afkomst. “Als je je aanpast aan de dominante cultuur, verloochen je je eigen cultuur. Dan buig je voor de blanke. Ik heb dat altijd zo merkwaardig gevonden. Bij etnische groepen die zich opsluiten in hun eigen cultuur, wordt het altijd bedompt.”

Ook dit wordt onderdeel van het verlengde inburgeringstraject.

Kritiek op misstanden in eigen kring als genitale verminking, het terroriseren van meisjes op straat, antisemitisme, jeugdcriminaliteit en de vroegere en nog bestaande slavernij in ‘zwarte’ delen van de wereld, is heulen met de vijand en moet dus onder de pet blijven.”

Zinlozer opvattingen in een nieuw wereldbeeld en dichter bij huis: nieuw mensbeeld waarin afkomst niet meer van belang is. Laten we ons ontwikkelen als een kosmopolitisch mens die zich overal thuis kan voelen, ook in Nederland.

[Zwartkijkers, Herman Vuijsje, Prometheus; 184 blz. € 19,99]

https://krant.trouw.nl/titles/trouw/8321/publications/494/articles/813149/80/1

Advertisements