Tags

Tot aan de instroom van migranten in de jaren zestig en zeventig was de godsdienstvrijheid een kwestie van christelijke denominaties, Joodse geloofsrichtingen en het humanisme en mogelijkerwijs het atheïsme. Gelet op de vijandbeelden waarmee protestantse en katholieke bevolkingsdelen werden opgevoed – parallel aan de latere migrantengezinnen uit Marokkaanse en Turkse Nederlanders tegenover de Joodse jeugd – was de grondwetsartikel over de vrijheid van godsdienst – afkomstig uit de Unie(verdrag) van Utrecht – een logische gang van zaken.

Maar waar de huidige formulering van deze godsdienstvrijheid geen rekening mee hield – of kon houden – was dat de instroom van islamitische gastarbeiders zoals ze destijds genoemd werden, niet toepasbaar was die grondwetstekst, aangezien de fundamentalistische islamieten sinds 9/11 sterk gepolariseerd en provocatief optrad en stelling nam tegen het westen. Dat is kort samengevat het manco van het huidige grondwetsartikel 6: Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.

Dit ‘eenheidsbeleid’ wat godsdienstvrijheid betreft gold de genuanceerde verschillen tussen de christelijke (en Joodse) denominaties (en andere geloven van koloniale landgenoten zoals de voormalige Nederlands-Indiërs die vanzelfsprekend moslim waren. Dat leverde geen spanningen op; die spanningen ontstonden na groei van de arbeidsmigranten die in later tijden als gediscrimineerde bevolkingsdelen gingen organiseren en daarin past een sterker geprofileerde islamidentiteit. En vervolgens het ontstaan van het populisme en nieuwe populistische partijen die in opkomst waren. Toen ontstond het gedonder in de glazen. Waarom?

Het kernonderscheid bestaat eruit dat de westerse landen allemaal het beginsel  huldigen van het onderscheid van ‘kerk en staat’ en islamitische landen niet; sterker: eenheid tussen islam en politiek. Verlichtingsbeginselen versus pre-moderne wereld(en).