Tags

Samenvatting van beginselen uit Richting en beleid der Liberale partij:

  1. Uitgangspunt: Ontwikkeling van zelfstandige kracht. Voorwaarden daartoe.
  2. Beginselen moeten beletten dat de individu door het gebruik van zijn vrijheid inbreuk maakt op de vrijheid van anderen of de overheid in haar taak belemmert.
  3. Het leven en het goed, de eer en de maatschappelijke ethiek [zedelijkheid], de vrijheid en de goede trouw tegen aanranding beveiligen. Gebruik van eigen goed wordt toegelaten, ook waar het in de ogen van machthebbers misbruik is, mits het goed of het leven of de gezondheid van anderen niet wordt geschaad.
  4. Juiste afbakening van het individuele vrijheidsgebied: De vrijheid en onafhankelijkheid te bevorderen door de arbeider de gelegenheid te geven om zichzelf te ontwikkelen, op eigen kracht te steunen en zijn eigen lot te bepalen.
  5. Bescherming van zwakken tegen misbruik der sterken: dan is de beperking van vrijheid tenslotte voor de vrijheid zelf gewin.
  6. De persoonlijkheid te vrijwaren en de kracht van het toeval te breken.
  7. Beloning naar verdienste, (dat is) het ideaal dat de liberale staatkunde tracht nader te komen.
  8. Ieder die arbeidt, heeft na de vrijzinnige beginselen recht op de vruchten van zijn arbeid.
  9. De verevenende werkzaamheid van de staat op dit gebied (wetenschappen, kunst) bestaat hoofdzakelijk hierin dat lasten en lusten over het tegenwoordige en de toekomst zo gelijk mogelijk worden verdeeld.
  10. Dat men erkent [erkenne] dat in vele gevallen de slechte neigingen, slordigheden, sleur en baatzucht de betere bedoelingen overstemmen.
  11. Neutraliteit, welke bestaat in niet zeggen, niet aanroeren, vrijlaten, is uitgesloten, waar juist alles te verkondigen het doel is.
  12. Het is niet de vraag of op een enkel beperkt gebied de regeling van de Staat ongelijkheid overlaat, maar of wanneer de gehele staatsbemoeiing in ogenschouw wordt genomen, de som van ongelijkheden door een andere bepaling kleiner of groter wordt.
  13. De eisen, die door de theorie aan de staat gesteld, zijn altijd ver verheven boven de mogelijkheid van een ogenblikkelijke uitvoering. De praktische staatkunde moet juist bepalen welke eisen van de veelvuldige idealen voor dadelijke uitvoering in aanmerking komen, welke tot een later orde moeten blijven bewaard. Zij menen – en terecht – dat het beginsel der liberale politiek is, zoveel mogelijk alles te bevredigen. Zij zien echter bij hun pogingen om rechtvaardig te zijn over het hoofd dat de Staat beperkt is in zijn handelingen en niet aan kan denken de volkomen gerechtigheid te bereiken, maar zich tevreden moet stellen met zo rechtvaardig mogelijk te zijn.
  14. Vrije concurrentie onder gelijke voorwaarden.
  15. De staat heft zorg te dragen dat de strijd die zij zullen gaan strijden, worden gestreden met gelijke wapenen, dat zij niet door omstandigheden buiten hun persoonlijkheid gelegen, reeds voor de aanvang worden buiten gevecht gesteld.
  16. Het toezicht op de zeden [door de staat] houdt het volk onmondig en belet waarachtige ontwikkeling. [Het volk bepaalt via de publieke opinie collectief de toezicht op de zeden.] Het is bovendien te enenmale in strijd met het liberale beginsel, dat tenslotte van de vrijheid der individuen kracht verwacht en vooruitgang.
  17. In de arme wijken, waar de staatsbemoeiing vooral zich zal gelden, zijn de huurders van kelders en krotten te enenmale afhankelijk van de eigenaars der woningen. Het is een slag in het aangezicht der waarheid wanneer men wil beweren dat deze onterfden der maatschappij vrij zijn om al of niet een gezonde woning te betrekken.
  18. Het recht zelf zal in overeenstemming moeten worden gehouden [gebracht] met de steeds wisselende en vooral in onze tijd zeer snel veranderende levensvoorwaarden.
  19. Vrijheid is in de moderne staat regel: iedere beperking uitzondering, iedere uitzondering alleen door vermeerdering van vrijheid voor anderen gewettigd. Daarom worden vrijheid van denken en geloven, vrijheid van spreken en schrijven, vrijheid van doen en laten als grondrechten van de burger erkend.
  20. Zedemeester mag de staat niet zijn; dat wat grove onzedelijkheid is in de ogen van de regering moet worden geduld, zolang niet onvermijdelijk door handeling of woord of geschrift het gevoel van anderen wordt geschonden. (…) De enige en uitsluitende vraag die beantwoord moet worden is deze, of de regel die men in het leven roept, of de dwang die men uitoefent – daar waar de overheid dwang mag gebruiken – de staatsinstellingen, de openbare machten, het leven en het goed, de eer en de zedelijkheid, de vrijheid en de goede trouw tegen aanranding beveiligen.
  21. Gebruik van eigen goed wordt toegelaten, ook waar het in de ogen der machthebbenden misbruik is, mits het goed of het leven of de gezondheid van anderen niet wordt geschaad.

Tot slot de bespreking van zijn boek Beginselen of formules’ (1895 in De Gids, Eerste deel, p.72-81) met de bespreking van constitutionele vraagstukken.

Wordt vervolgd

Advertisements