Tags

Sociaal liberalisme

‘Dat verandering van de werktijd voor de arbeidende bevolking een grote weldaad zou zijn, kan moeilijk worden betwist. Dat zij evenzeer op den duur ten goede zou komen aan de ondernemers is zeer waarschijnlijk. Intussen mag men niet verwachten dat het eigen belang de ondernemers tot beperking van de arbeidstijd zal drijven. De voordelen die zij te wachten hebben zijn zeer indirect en van dien aard dat alleen enkele zeer verlichte en verziende ondernemers ze zullen weten te waarderen. (…) Het is daarom ook een dwaling (…) tot gevolg zal hebben dat de vraag naar arbeiders zal toenemen en de lonen zullen stijgen. Deze verwachting die in sommige arbeidsorganen wordt uitgesproken, berust op een miskenning van de wet van vraag en aanbod. (…) In plaats van door vrijheid en onafhankelijkheid te bevorderen de arbeider de gelegenheid te geven om zichzelf te ontwikkelen, op eigen kracht te steunen en zijn eigen lot te bepalen, zou dergelijke vaderlijke zorg slechts leiden tot verslapping en vernedering van de werkman. Derhalve niet als een maatregel om inbreuk te maken op de vrije regeling der lonen verdient beperking der werktijden, allereerst van vrouwen, later ook van mannen zeer ernstige overweging. Het motief dat bij de wetgever mag wegen, is de noodlottige invloed van overmatige arbeid op de gezondheid, op het gehele fysieke en geestelijke leven van de werkman. (…) Maar bij de waardering van het arbeidscontract mag één gewichtige omstandigheid niet over het hoofd worden gezien. Overmatige arbeid te vorderen, is van de zijde der ondernemers een aanslag op de werkman, een roekeloos misbruik maken van zijn toestand van nood. Wanneer het vaststaat dat arbeid boven zekere grenzen geen voordelen oplevert, maar in ieder opzicht schaadt, dan kan het vorderen van die schadelijke arbeid niet anders zijn dan ongeoorloofde lichtvaardigheid. In een beschaafde maatschappij worden stokslagen of andere lichamelijke tuchtigingen niet geduld, ook al zou schijnbaar een werkman zich vrijwillig aan dergelijke behandeling onderwerpen. Men neemt terecht aan dat zulke spoorslagen nutteloos en de vrije man onwaardig zijn; dat de toestemming van hem die ze ondergaat alleen door de nood afgedrongen kan zijn, maar niet het uitvloeisel kan wezen van een brij besluit. Welnu, hetzelfde geldt bij voortgezette ontwikkeling, van overmatige arbeid. Gevaren te trotseren welke onvermijdelijk zijn bij de behartiging van waarachtige belangen, is geenszins in strijd met de menselijke natuur. Maar wanneer gezondheid en leven worden opgeofferd als het noodlottig gevolg van ongezonde maatschappelijke toestanden, dan is beperking van de exploitatie der individuele krachten een bescherming van zwakken tegen de misbruiken der sterken. Dan is de beperking der vrijheid tenslotte voor de vrijheid zelve gewin: de ketenen van de werkman, door de nood gesmeed, worden geslaakt waar de wet de werkgever aan banden legt. Slechts hij zal de vermeerdering der vrijheid niet zien, die niet kan beseffen dat door onze wetten, door onze gehele maatschappelijke inzichten, vele indirect in hun vrijheid worden gekrenkt. (…) Maar de scherpe concurrentie maakt alleenstaande pogingen om de toestand te verbeteren onmogelijk en gemeenschapszin en mededogen worden overstemd door de noodzakelijkheid van de strijd om het leven. Waar alzo het rechtsbewustzijn ontwaakt, en bij de arbeiders en bij de ondernemers, is de staat gerechtigd en geroepen tussen beiden te treden opdat door zijne regelen allen gebonden worden, waar enkelen zouden falen. Dan geldt het niet meer bezorging van bijzondere belangen, maar handhaving van grenzen van individuele willekeur die erkend worden in het belang van aller vrijheid. (…) Het is mogelijk (it.) dat de wet langs die weg wordt ontdoken. Maar is dit een reden de wet niet tot stand te brengen?  (…)

Allereerst is het echter nodig de aandacht te vestigen op die grote geconcentreerde arbeidsinrichtingen, die zo’n overwegende invloed uitoefenen op de gehele werkende stand en welke hun eigenaardig stempel drukken op onze gehele maatschappij. Het is een ongezonde politiek wanneer een zich van het goede dat voor de hand ligt, laat afbrengen door de moeilijkheden, die verwijderde consequenties zullen opleveren. (…) Een werkelijk hervormende politiek streeft naar verbeteringen, die kunnen worden bereikt zonder al te angstvallig naar consequenties om te zien. Alleen dan ware het beroep op de niet geregelde analoge gevallen afdoende, wanneer de beperkte regeling een beperking van de vrijheid teweegbracht, terwijl men een uitbreiding bedoelde. Eén stap te doen mag men echter niet nalaten omdat men nog niet bereid is tien stappen te doen. (…) De preventieve staatszorg heeft geen ander doel dan de repressieve handhaving van vrijheid van het individu en van de overheid. De preventieve staatszorg is echter terecht beschouwd als zeer gevaarlijk voor de individuele vrijheid. Zij leidt licht tot bemoeizucht en nodeloos bestier. Toch is zij niet alleen te vermijden, maar in menig opzicht heilzaam.

Eindelijk zal in de regel de ongezondheid van een woning een bedreiging zijn voor de algemene gezondheid, omdat men juist daarin vindt, de broeiplaatsen voor de kiemen der meest verderfelijke ziekten.

Het schaadt aan de zelfstandigheid van het volk, wanneer het voortdurend aan de leiband wordt gehouden. Het toezicht op de zeden houdt het volk onmondig en belet waarachtige ontwikkeling. Het is bovendien te enenmale in strijd met het liberale beginsel, dat tenslotte van de vrijheid der individuele kracht verwacht en vooruitgang. Meesterachtige leiding der zedelijkheid verweekt niet alleen het karakter, maar houdt wat door eigen schuld en zwakheid in stand, ten onder behoorde te gaan.  Alleen voor zover de verkoop van sterken drank een verleiding is voor onmondigen of door de nood verzwakten, kan een beperking gewettigd zijn.’

Wordt vervolgd

 

Advertisements