Tags

De rol van de staat

‘Naarmate de maatschappij in beschaving voortgaat, naarmate dienovereenkomstig het staatsbestuur meer en meer belangen heeft te behartigen, meer en meer alle menselijke betrekkingen tracht te brengen onder de heerschappij van het recht, zullen ook hoe langer hoe meer middelen nodig zijn om in de steeds klimmende behoeften te voorzien. En naarmate meer geldelijke offers van de ingezeten zullen moeten worden gevraagd, wordt de eis dringender dat het financieel beheer zo goed mogelijk wordt verzameld naar de strengste eisen der rechtvaardigheid, opdat niet de staat beginne met het recht te krenken in zijn streven om het recht te handhaven. (…) In de tweede plaats zal men bij een volk dat zich ontwikkelt, een voortdurende gelijkelijke vergroting [uitzetting] van alle uitgaven kunnen constateren. (…) Vanwege [Ten anders] het feit dat nieuwe werken noodwendig tot nieuwe kosten van blijvende aard aanleiding geven, zowel kosten vor onderhoud en herstel, als kosten tot verbetering. Hoe groter de omvang is van het belang, dat men verzorgt, hoe groter het jaarlijks bedrag waarop tot verbetering van het geheel moet worden gerekend. (…) De vraag in hoeverre de staat tot buitengewone uitgaven mag besluiten is, ook als men veronderstelt dat het werkelijk buitengewone uitgeven betreft [geldt], niet voor algemene beantwoording vatbaar. (…) Men heeft lange tijd gemeend vooral bij de liberale partij, dat de exploitatie van bijzondere ondernemingen door de staat hetzij door verpachting, hetzij door onmiddellijk beheer van staatsambtenaren ten enenmale zou zijn af te keuren. Waar de prikkel van het eigenbelang ontbreekt, zouden geen goede resultaten zijn te verwachten. (115) De staat presteert die diensten omdat op die wijze het einddoel dat hij voorstelt beter wordt bereikt, de diensten zijn voor de staat evenzeer nevenzaak als de inkomsten. Er is dus in zoverre geen enkele reden waarom de staat die diensten niet evenals ieder privaatondernemer zou doen betalen. Indien de staat bijvoorbeeld de tabaksverkoop neemt, dan is het doel geenszins de burger tabak te verschaffen, maar alleen om de belasting op het gebruik van tabak behoorlijk te kunnen innen. Indien de staat spoorwegen aanlegt en exploiteert, is zijn doel niet om de bijzondere personen met gratis reisgelegenheid te voorzien, maar om het verkeer onder bepaalde voorwaarden mogelijk te maken. (…) In iedere zich historisch ontwikkelende staat vindt men dergelijke omgangsvormen, dergelijke ondernemingen van halfslachtige natuur en het behoort tot een goede politiek om de hervorming noch te verhaasten, noch bovenal te belemmeren. (…) De gelijkheid van allen brengt mee dat de staat de offers die hij moet vergen, aan allen gelijkelijk oplegt. Dat is het hoofdbeginsel van alle vrijzinnige belastingpolitiek. Ieder betale naar zijn draagvermogen, het offer van de een zij niet groter dan dat van de ander.

De buitenlandse politiek valt inderdaad geheel buiten het kader van deze beschouwingen. Het ligt in den aard der zaak dat een regering, welke streeft naar een sociale wetgeving, zal trachten ook in de betrekkingen tot andere mogendheden haar denkbeelden te doen zegevieren. Niet weinige maatregelen, welke door de Staat in het belang van de werkman zouden mogen worden genomen, stuiten af op het praktische bezwaar dat de nijverheid door de buitenlandse concurrentie zou worden ondermijnd, wanneer ter wille van menselijkheid en recht enige materiële voordelen moesten worden geofferd. Alleen internationale regeling kan in zulke gevallen heilzaam zijn. Deze voor te bereiden is een taak, waarin de diplomatie van een klein volk met vrucht kan wedijveren met die van machtiger natiën. De poging van Zwitserland in die richting is weliswaar mislukt, maar men mag verwachten dat naarmate de drang tot sociale hervorming groter wordt, ook de tegenstand tegen internationale regeling van sommige grote vraagstukken tenslotte zal worden overwonnen. (…) maar een verlichte regering kan aan de wensen van de bevolking tegemoetkomen (it.). Tegenover de baatzucht der groten, tegenover de druk van overgeërfde en door de geprivilegieerde klassen zoveel mogelijk geheiligde gewoonten, kan het bestuur de wensen van het volk in bescherming nemen. Het kan het volk inlichten omtrent zijn rechten en met krachtige hand de uitoefening van die rechten verzekeren.

Men heeft opgemerkt dat overal waar nog de gemeenschap bestaat een proletariaat onbekend is een gelijke middelmatige welstand bestaat [heerst]. De opmerking is juist. Het proletariaat is een  euvel van meerdere beschavingen. Maar dit is geen argument tegen de beschaving zelf. De kwaal moet zoveel mogelijk worden genezen, maar het geneesmiddel is zeer zeker niet de gemeenschap. De gemeenschap belet de ontwikkeling der gehele maatschappij en zij voorkomt daardoor (it.) de gebreken, die de beschaving met zich brengt. Daarbij komt dat inderdaad de ondervinding die de westerse wereld heeft opgedaan, aan de koloniën ten goede komt. Vele fouten van regering behoeven niet te worden herhaald en door betere verdeling van lasten, door krachtige maatregelen tegen privileges en monopolies kunnen vele bezwaren aan de bijzondere eigendom verbonden, worden voorkomen. (…) Maar het kost moeite om de directe winsten, die door een eenzijdige uitbuiting [uitwinning] der bevolking worden behaald, prijs te geven in ruil voor veel minder tastbare, hoewel inderdaad uit een algemeen oogpunt veel grotere voordelen. Het is liberale staatkunde om deze bekrompen eigenbaat te breken en alle inkomsten van de kolonie aan te wenden in het belang van de kolonie zelf. Behoudens een bijdrage in de kosten van algemeen bestuur, heeft het moederland geen recht enige directe bate te trekken uit de koloniën. De regering behoort zich ten doel te stellen door geleidelijke uitbreiding van het onderwijs de inlanders voor hogere ontwikkeling vatbaar te maken: door verbetering van wegen en rivieren, door havens en kanalen, door de aanleg van spoorwegen en telegrafen, het verkeer gemakkelijker te maken en de producten een vrije afvoer te verzekeren naar de kust en vandaar naar verre gewesten een omgekeerde aanvoer van producten van alle naties zonder enige beschermende tollen of tarieven toe te laten en te bevorderen. (…) Alleen door nauwgezette dienst van het algemeen belang vervult de staatsregering zijn taak ginds gelijk hier. Bevordering van ontwikkeling en beschaving door geleidelijke uitbreiding van individuele vrijheid is het doel van het gehele staatsbeleid.

Kenschetsend voor de liberale politiek zijn de bekende woorden van de heer J.C. Band “dat onder alle hemelstreken, dat onder alle omstandigheden, dat stelsel het beste is, waaronder de regering zich bepaalt tot het verlenen van bescherming, tot het maken van wijze wetten, tot het openen van middelen van gemeenschap, kortom tot bevordering middellijk (it.) van welvaart en de industrie der ingezetenen, met onthouding van alle onmiddellijke (it.) bemoeiing daarmee, onder wat [voor] vorm of benaming ook”.  [https://books.google.nl/books?id=r8dPAAAAcAAJ&pg=PA616&lpg=PA616&dq=J.C.+Band+%27dat+onder+alle+hemelstreken&source=bl&ots=heSeFgI91X&sig=J81EjMla5di9HtlfSqt4HG92XyY&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjfxIWqxLPcAhVBLlAKHZsQC1QQ6AEIJzAA#v=onepage&q=J.C.%20Band%20’dat%20onder%20alle%20hemelstreken&f=false ]

Deze woorden zijn meer dan eenmaal in verkeerde zin opgevat door hen die conservatieve politiek in bescherming namen onder de leuze dat een regeringswijze voor alle omstandigheden onder alle hemelstreken dezelfde, onmogelijk en dwaas moet zijn. Men vergeet echter het onderscheid tussen regeringswijze en beginselen. “Boven de regeringswijze staan de eeuwige beginselen die bij alle volken dezelfde zijn, geef ieder het zijne; dat wat rechtvaardig is; wil de mensen niet ontwikkelen door slagen of dwang, maar door ethische middelen; wil niet als regeerder tevens planter en koopman zijn.” (…) Een van de schoonste vruchten van de grondwetsherziening van 1848 en van de grotere macht die aan het volk werd gegeven is wel de val gewest van de oude conservatieve koloniale politiek. (…) Vrije arbeid, ontwikkeling van de landbouw, vermeerdering van productie, ruimeropbrengsten aan [der] belastingen om daaruit ruime middelen te vinden tot opening van verkeerswegen, tot opvoeding en onderwijs, dat alles blijft een illusie ook wanneer de herediensten zijn afgeschaft en het cultuurstelsel is verdwenen, indien niet gewaakt wordt tegen de willekeur van regenten en hoofden. Dat de inlander zelf besture, maar dat hij besture naar rechtvaardige beginselen. Bestuur naar eigen goedvinden is tyrannie, die elke vooruitgang fnuikt. De eerste voorwaarde van ontwikkeling is rechtszekerheid, een bestuur naar de wet. (…) “Aan de bevolking het recht van verkiezing, aan de regering dat van bevestiging der volkskeuze.” Zal een dergelijke regeling niet te kort doen aan de rust en eendracht? Ik meen dat de keuze der regenten aan alle volken toekomt en dat op iedere trap van beschaving, tenzij met behulp van wapengeweld of bijgeloof de volksgeest werd onderdrukt, de keuze van het volk is te vinden en dat zij steeds goede vruchten heeft gedragen. Maar al ware dat zo niet, aan de bevordering “van rust en eendracht mag niet alles worden opgeofferd; er staan hier grote volksbelangen op het spel”.

Een van de moeilijkste vraagstukken van Indisch regeerbeleid betreft de financiën. Op ieder gebied is de regeringszorg toegenomen en de toepassing van het liberale koloniale stelsel eist een uitbreiding van die regeringszorg veeleer dan een inkrimping. (…) Zeer juist zegt de heer Pierson : “Wij moeten of voorwaarts óf achterwaarts; stilstaan kunnen wij niet langer. Voorwaarts naar het Engelse stelsel, dat geen batig slot, maar economische ontwikkeling der koloniën beoogt; of terug naar Van den Bosch, die bovenal remises [procesrecht: uitstel voor procestermijnen] verlangde ten behoeve van de Nederlandse schatkist. Er moet eenheid zijn in onze koloniale wetgeving. Verzuimen wij een keuze te doen [maken], dan zullen ten slotte de voordelen van beide stelsels  ons ontgaan.” (…) Waar de staat het algemeen belang handhaaft, waar de staat de griote gemeenschap vertegenwoordigt  van alle burgers (it.) ligt weerbaarheid in de mogelijke samenwerking van allen. (…) Wanneer eenmaal de orlog uitgebroken is (it.) hangt de uitslag hoofdzakelijk af van de weerbaarheid van de bevolking. De  gevaren voor een toekomstige (it.) oorlog zijn echter geenszins direct evenredig aan de meerdere of mindere volmaaktheid der legerinrichting. De zelfstandigheid der volkeren, vooral van de kleinere volken, hangt integendeel hoe langer hoe meer af van hun beschaving en ontwikkeling, van de positie die zij innemen in de grote en voortdurende wedstrijd der volken. Overdreven zorg aan de verdediging, verzwakt het vermogen van het volk om behoorlijk deel te nemen aan de steeds scherper wordende concurrentie, verlamt zijn streven naar hogere vormen van beschaving, en vermeerdert de gevaren voor een zelfstandig bestaan. (…) Radicale voorstellen, die een vermeerdering van de staatszorg beogen, worden dikwijls beschouwd als nieuwigheden die op generlei wijze met de bestaande orde van zaken samenhangen. Het tegendeel is waar. De meeste, zo niet alle der verlangde hervormingen sluiten zich aan de bestaande wetgeving aan. Het is de grote fout der liberalen van de Manchesterschool  dat zij het rechtsgebied als een in hoofdzaak afgesloten  geheel beschouwen. Hier  ontgaat de historische zin, waardoor de wijzigingen in het rechtsbewustzijn van de natie worden gevoed en het recht zelf in overeenstemming moet worden gehouden met de steeds wisselende en vooral in onze tijd zeer snel veranderende levensvoorwaarden . (…) De regelen, zowel in het politierecht als in het strafrecht en civielrecht gesteld, langzamerhand ontwikkeld en door ervaring als nuttig aangewezen, hebben alle ten doel de willekeur van het individu te beperken. Zij zijn zowel onmisbaar richtsnoer voor de welwillende burger, normata waarnaar hij zijn leven gewillig richt, als grenzen die het staatsgezag tegen de onwillige handhaaft. Zij moeten beletten dat de individu door het gebruik van zijn vrijheid inbreuk maakt op de vrijheid van anderen of van de overheid in haar taak belemmert. Vrijheid is in de moderne staat regel: iedere beperking uitzondering, iedere uitzondering alleen door vermeerdering van vrijheid voor anderen gewettigd. Daarom worden vrijheid van denken en geloven, vrijheid van spreken en schrijven, vrijheid van doen en laten als grondrechten van de burger erkend. (…) Zedenmeester mag de staat niet zijn; dat wat grove onzedelijkheid is in de ogen van de regering niet worden geduld, zolang niet onvermijdelijk (it.) door handeling of woord of geschrift het gevoel van anderen wordt geschonden. (…) De eeuwige en uitsluitende vraag die moet worden beantwoord, is deze of de regel die men in het leven roept, of de dwang die men uitoefent – daar waar de overheid dwang mag gebruiken -, de staatsinstellingen, de openbare machten, het leven en het goed, de eer en de zedelijkheid, de vrijheid en de goede trouw tegen aanranding beveiligen. (…) Godsdienstleraar is de staat niet, noch dweperij noch godsloochening belet hij zolang door daden onvermijdelijk op de godsdienstzin van anderen inbreuk wordt gemaakt. Gebruik van eigen goed worde [wordt] toegelaten, ook waar het in de ogen van machthebbers misbruik is, mits het goed of het leven of de gezondheid van anderen niet worden geschaad. Deze beginselen behoren gelijkelijk de grond te zijn van de politie als van ieder der beide grote afdelingen waarin het gebied der justitie splitst.’

Het is inmiddels duidelijk geworden dat dit betoog van dusdanig fundamenteel belang is – of voor potentiele critici – blijkt te zijn geworden dat het de eeuwen overstijgt – of overstijgend is – en dat deze tekst mijns inziens ook vatbaar is voor een nieuwe uitwerking in ons huidige tijdsgewricht. Dat zal dan ook door mij worden ondernomen na afsluiting van deze serie.

Wordt vervolgd

 

Advertisements