Tags

Het vraagstuk van de rechtvaardige verdeling

‘Deze vrijheid ontneemt echter niets van het gewicht van de vraag of de verdeling van het product tussen werkman en kapitalist in onze vraag billijk en rechtvaardig mag worden genoemd; en doordat men aantoont dat het antwoord van de socialisten op onjuiste verklaring van verschijnsel berust, heeft men nog in geen enkel opzicht bewezen, dat de tegenwoordige regeling goed is. De meeste economisten plaatsen zich bij de beoordeling van de socialistische grieven niet op het juiste standpunt. Zij kunnen zich niet losmaken van de tegenwoordige maatschappelijke orde. Wanneer men de tegenwoordige maatschappij, de tegenwoordige verdeling van goederen, het thans geldende recht, uitdrukkelijk of alleen stilzwijgend als onaantastbaar vooropstelt, dan valt zeker niet moeilijk te voorspellen dat de socialistische grieven als hersenschimmig (…) te kenschetsen. Het is echter juist de vraag in hoever (it.) onze maatschappij en ons recht moeten worden hervormd (it.). Het is de vraag of de verhoudingen die thans ontstaan in het algemeen [als] billijk moeten worden geacht en niet door wijziging van de thans heersende inrichting de erkende onbillijkheden kunnen worden weggenomen.

(…)

Toch is de hier gegeven geschiedenis leerzaam omdat zij duidelijk de gebreken aantoont waaraan de liberale betogen maatschappelijk mank gaan.

(…)

Nog in een derde opzicht stoort het gekozen voorbeeld op de meest naïeve wijze tegen de werkelijkheid. Men stelt zich hier voor twee werklieden die beiden, de een meer, de ander minder, maat toch beiden voldoende hun brood hebben (d), twee werklieden die als vrije mannen beraadslagen over hetgeen voordelig  of nadelig is en die tenslotte als vrije mannen een overeenkomst sluiten. Maar dit nu is juist in de regel het geval niet. Er is zoveel overvloed van werkzoekenden dat zij zich tevreden moeten stellen met hetgeen nauwelijks voldoende is om hen in het leven te houden en al het andere over moeten laten aan de kapitalist.

Het is echter de vraag of deze stelling is vol te houden omdat de vorming van kleine kapitalen door het grote gros van werklieden ten enenmale [toenmalige spelling!] onmogelijk is. Gesteld echter dat deze stelling onomstotelijk vast stond dan nog zou dit niets bewijzen voor de billijkheid van de verdeling der productie. Het zou mogelijk kunnen zijn dat met een andere maatschappelijke inrichting niet zovele mensen arbeiders konden worden, terwijl toch de arbeiders meer overeenkomstig hun besteedde moeite werden beloond. De kern van het vraagstuk is of de eigendom hetzij absoluut, hetzij alleen van de productiemiddelen al of niet te verdedigen is, al of niet behouden moet blijven. Het geldt daarbij niet alleen de vraag of de tegenwoordige (it.)  verdeling van eigendommen rechtvaardig is. voor een groot deel is de grond van onze vermogens uiterst zwak. (…) toch zou langzamerhand langs volkomen wettige weg dezelfde toestand van ongelijkheid ontstaan die thans, en veelal terecht ergernis wekt. Door het privaateigendom ontstaan ongelijkheden, die door niets wat werkelijk met de persoonlijkheid in verband staat, worden gerechtvaardigd. Het is geenszins en in geen enkel opzicht verschil in vermogen of rijkdom dat tot ergernis mag aanleiding geven, maar verschil in vermogen of rijkdom dat door verschil in verdienste, hetzij van hen die thans het genot hebben, hetzij van hen van wie het genot verkregen is, niet worden verklaard, is niet rechtvaardig en op den duur onduldbaar.

Dergelijke toestand echter roept de privaateigendom in het leven. Ieder die arbeidt, heeft naar de vrijzinnige beginselen recht op de vruchten van zijn arbeid. De ervaring leert en de theorie bevestigt dat de erkenning van het bijzonder en uitsluitend recht op de vruchten van de arbeid de beste prikkel is voor inspanning, een noodzakelijke voorwaarde voor voortgezette arbeidsverdeling, de beste waarborg voor beschaving en vooruitgang. Overal waar de privaateigendom ontbrak bleef de ontwikkeling gering, waar de privaateigendom werd erkend schreed men snel voorwaarts.

Zonder eigendom geen waarachtige vooruitgang, geen inspanning in eigen gekozen richting, geen rechtvaardige erkenning van verdienste. Zonder eigendom geen genot naar eigen goedvinden, geen zelfstandige persoonlijkheid, geen individuele vrijheid.

Maar dit alles mag niet voorbij doen zien dat de privaateigendom, hoezeer een uitstekend goed in zichzelf, daarom nog niet een volmaakt middel is om tot een behoorlijke genotsverdeling te [ge]raken. Inderdaad, hoe onmisbaar ook, de privaateigendom draagt de kiem in zich van onrecht, een kiem die aan zichzelf overgelaten, zo welig voortwoekert dat de goede vruchten dreigen te verstikken. (…) waar zulke gevolgen aan de eigendom verbonden zijn en anderdeels vaststaat dat de eigendom een goed is in zichzelf, blijft niet anders over dan zoveel mogelijk terug te eisen dat te veel is gegeven. De vermogens worden verkregen bij kleine gedeelten en een controle op de eindeloze ruiltransacties [ruilingen] waardoor de vermogens tot stand komen en onderhouden worden, is ten enemale onmogelijk. Maar het resultaat van die rusteloze beweging is althans bij benadering te kennen en de staat kan door progressieve belastingen min of meer herstellen wat door progressieve bevoordeling is misdaan. Hoe groter de eigendom, hoe meer de staat zelf voordelen heeft geschonken die niet verdiend zijn en niet bedoeld, hoe groter deel moet worden teruggevorderd om de natuurlijke orde van zaken te herstellen. (…) … dat iedere eigenaar van de staat een voorrecht krijgt, oorspronkelijk in overeenstemming met zijn verdienste, maar weldra naarmate het vermogen toeneemt, buiten alle verhoudingen tot die verdienste opklimmend [beklimmende]. Wanneer de eigendom van ieder vermogensdeel gerechtvaardigd en zichzelf was [ware], dan nog zou de eigendom van die gezamenlijke delen het doel verre voorbij streven; want juist door die cumulatie van vermogens worden voordelen geboren die in de afzonderlijke delen niet aanwezig zijn.

De belasting moet niet alleen uit burgerlijkfiscaal, maar ook uit een sociaal politiek oogpunt rechtvaardig zijn. (…) Progressieve belasting behoort daarom gepaard te gaan met andere maatregelen, waardoor de toestand van arbeiders wordt verbeterd, waardoor zij vrijer tegenover de kapitalisten kunnen optreden. Wanneer men aan de werklieden grotere zelfstandigheid verzekert, is een progressieve belasting een zeer werkzaam middel om de opeenhoping van kapitalen te beletten, zonder tevens de vorming van kapitaal te belemmeren. De werklieden zelf kunnen dan deelnemen aan de kapitaalsvorming. De liberale oplossing van het sociale raadsel komt daardoor in lijnrechte tegenstelling met de socialistische oplossing. Terwijl de socialist alle kapitalisten onmogelijk wil maken en alleen arbeiders wil erkennen, streeft de liberaal ernaar dat alle arbeiders kapitalisten worden. Hij wenst dat dezelfde massa kapitaal op niet meer bezwarende wijze beschikbaar zal zijn, maar hij moet er tevens naar trachten dat het anders wordt verdeeld. In plaats van in grote delen aanslibbend aan grote vermogens, moet het worden bijeengebracht door talloze kleine partikeltjes. (…) De progressieve belasting wordt zodoende als de dijken en dammen bij een irrigatiestelsel: terwijl de bronnen van boven worden afgedamd, worden beneden kwellen gevormd en in plaats van bruisende bergstromen, verkrijgt men talloze kleine kanaaltjes en greppels die de gehele landstreek vruchtbaar maken. De hoeveelheid water echter is dezelfde gebleven.

Van beide zijden tegelijk moet alzo de politiek het vraagstuk ter hand nemen. Zonder sociaal politieke belasting is de verbetering van de arbeidersstand ijdel. De grote zelfstandigheid, die men in de werkman zou willen verzekeren, zou spoedig teloor gaan wanneer hij niet zelf deel krijgt in de voordelen van het kapitaal, wanneer hij niet zelf door ijver en spaarzaamheid zich naar boven kan werken en in zijn eigendom een stem kan vinden tegen hen, die zijn werk zoeken. (…) Zij waardeert de grote massa van het vermogen, maar zij scherpt tevens die heilloze kloof tussen arbeid en kapitaal, welke immer in toenemende mate de maatschappij verzwakt en tenslotte tot verderf [ten verderve voert] leidt. Iedere verbetering in het lot van de arbeiders komt neer of op een verhoging van lonen of op een perequatie [aanpassing, herziening van het kadastraal inkomen, pensioenen e.d..] van lonen.

In het ene geval kweekt men een steeds toenemende menigte van tevreden werklieden, in het andere bestendigt men een schier ondraaglijke ellende. Maar bovendien is het argument niet juist. Vermeerdering van de arbeidslonen zal ongetwijfeld ten gevolge hebben verminderde vraag naar arbeid in sommige takken van bedrijf, i.h.b. in die takken van bedrijf die [in] de behoefte voldoen van de meer gegoede standen aan artikelen van weelde. Daar tegenover staat echter iets anders, dat dikwijls over het hoofd wordt gezien of geringschat, namelijk dat de koopkracht der arbeiders zelf toeneemt in dezelfde verhouding dat hun lonen worden verhoogd. De takken van bedrijf die de behoeften van de arbeiders voldoen, zullen dus in bloei toenemen. (…) Hervorming van het belastingwezen en maatregelen om de arbeidende bevolking vrijer en onafhankelijker te maken zijn derhalve de beide grote vraagstukken waaraan een radicale politiek zich moet wijden. Ongetwijfeld is van staatshulp alleen, geen verbetering te verwachten. Het tegendeel is waar. Wanneer niet het bewustzijn bij de gehele natie ontwaakt dat allen (it.) verantwoordelijk zijn voor de rampen waaronder de maatschappij lijdt, wanneer niet meer en meer de gemeenschapszin het egoïsme intoomt en bestuurt, geen school of politie iets vermogen tot verheffing en verbetering. Men mag echter op goede gronden vertrouwen dat de steeds krachtiger drang om uitbreiding van staatszorg, wel verre van een bewijs van zwakheid, inderdaad het bewijs is van een levendig plichtsgevoel. (…) Het is een stroom van diep moreel gevoel welke onafhankelijk van de materiële gevolgen, de staat drijft om het onrecht waartoe de vrijheid al te vaak voert te herstellen en te voorkomen. (…) Slechte wetten zijn blijvende beletselen waartegen het beste streven noodzakelijk/nodig/onvermijdelijk [noodwendig] moet stuiten. Goede wetten nemen de windselen weg, waardoor de ontvouwing van individuele krachten werd tegengehouden. Het gebouw van welvaart en geluk moet door ieder voor zichzelf en door vrije samenwerking van allen worden opgetrokken. Maar de wet (it.) alleen kan het terrein vereffenen. Al te lang heeft men vooral hier te lande zich met het dogmatische laissez-nous faire tevreden gesteld, en wanneer de liberalen deze kwestie van uitgebreider staatsbemoeiing niet vooraan op hun programma brengen, zullen zij worden achteruitgedrongen en overvleugeld door anderen.

Wanneer wij (it.) niet willen zullen anderen het doen, ondanks ons, naar hun eigen inzichten. (…) De liberalen mogen echter toezien dat zij niet de ogen sluiten voor nieuwe toestanden en insluimerend op de behaalde overwinningen de oude vormen van het liberalisme als zijnde de] enige vormen vertrouwen: ‘door hetgeen gedaan is, verblind voor hetgeen de nieuwe tijd van hen eist.‘

Wordt vervolgd

 

Advertisements