Tags

‘Moet men de verminderde invloed der liberale partij toeschrijven aan het feit dat dit ideaal van vrijheid is verouderd? Of zou men niet ook nu nog onwrikbaar mogen vasthouden aan de regel van wijze rechtvaardigheid: gelijk recht, gelijke vrijheid voor allen, in handel en wandel, in politieke mening, of belijdenis des geloofs’? (mr G.M. van der Linden, ‘Rede bij de onthulling van het standbeeld van Thorbecke’, p.55). Men zie niet slechts over het hoofd dat wij leven in een andere tijd. Sedert Thorbecke is niet het beginsel der liberale staatkunde veranderd, maar de toestanden en omstandigheden, welke een andere toepassing eisen. Zocht hij de verwezenlijking van het recht in beperking van staatszorg, het rechtsbewustzijn der natie verwacht thans meerdere vrijheid voor een groter aantal bewegers van uitbreiding van het staatsgezag. Zag hij algemene deelneming der natie aan de regering nog in een verwijderde toekomst, die toekomst is thans heden. De liberale partij heeft behoefte ten einde haar kracht te vernieuwen, de grond te kussen, waarop zij is opgegroeid [ipv ‘opgewassen’]. Zij behoort zich rekenschap te geven van haar beginselen en in de nieuwe werkelijkheid te richten naar het oude ideaal. De beginselverklaring welke in de volgende bladzijden wordt beproefd  is het gevolg van een dieper besef dat de liberale partij meer dan vroeger behoefte heeft zelf duidelijk voor de geest te brengen [dat] de grote motieven die haar handelingen moeten besturen. Nauwgezette overweging van belangrijke vraagstukken zal zelden vruchteloos zijn. vindt het resultaat waartoe zij leidde al geen instemming, overpeinzing door beter bevoegden wordt allicht opgewerkt, en ‘door de oorlog der redenen, voor en tegen, ons een steviger vrede’ geschonken (Thorbecke Bijdrage, p.21).

(…) Alleen door onbevreesd de liberale staatkunde te verkondigen, zal men de veerkracht vinden welke nodig is voor behoedzame hervorming. (…) Maar ten aanzien van talrijke andere vragen was de liberale partij van haar zaak niet zeker. De grote vraag wat de taak van de overheid moest zijn, waar daarentegen de beste gevolgen moesten worden verwacht van het bijzonder initiatief, was door de staatkundigen van de school van Adam Smith onopgelost gelaten. Men vergenoegde zich met de formule, dat de staat moest optreden, waar de particuliere krachten tekort schoten; – de overheid moet al datgene ondernemen wat individuen, of niet, of minder goed zouden tot stand brengen. (…)

Zo is het ook met de gelijkheid. – De redenering a priori ziet in alle mensen deze éne eigenschap, dat zij met elkaar overeenkomsten hebben aangegaan; zij worden dientengevolge onware abstracties. In de werkelijkheid zijn de mensen niet alleen door aanleg, ontwikkeling en min of meer gelukkige omstandigheden zeer verschillend, maar de ervaring leert, dat hoe meer verschillend zij worden, hoe meer de arbeidsverdeling wordt voortgezet, hoe beter het allen daat en hoe hoger beschaving het gehele geslacht bereikt. (…)

Zo vinden wij dat de soevereiniteit van het volk niet is een theorie op ficties gebouwd, maar een feit, door geen redenering te verijdelen. Het volk is soeverein, niet omdat in haar de bron van macht moet (it.) liggen, maar omdat in het volk in werkelijkheid de bron van  macht ligt (it.). En hoe meer alle zegeningen van de beschaving zullen worden gevoeld, hoe meer het verkeer toeneemt, hoe meer de welvaart wordt verspreid, hoe meer het onderwijs allen verenigt, zoveel te meer zal ook de soevereiniteit van het volk een kracht worden, welke doordringt op ieder gebied. (…) De geschiedenis tekent met een duidelijkheid welke niets te wensen overlaat het grote onderscheid tussen de overtuiging van het volk en de waan der menigte. (…) Iedere regering welke wortelt in dit volksbewustzijn, is inderdaad een volksregering en het volk blijft soeverein, ook als het niet door de (it.) menigte wordt bestuurd. (Wat houdt die individuen bijeen, wat maakt ze tot een volk? Wat anders dan die gemeenschappelijke overtuiging welke uit het geloof en de gewoonte der voorvaderen ontsproot, welke de bron is van het recht en welke gewijzigd en ontwikkeld aan het nakroost overgaat?). De ware macht van ieder bestuur ligt in die duurzame (it.) gemeenschappelijke gevoelens van de natie en ter beteugeling van de driften van een tijdelijke meerderheid heeft de regering de nodige kracht, door haar trouw aan de beginselen, welke de uitspattingen van het ogenblik en de volkswaan van de dag overleven.

Gedwongen vooruitgang is schijn en de voorbode van sneller teruggang. (…) Hoe zal men in zulke tijd aan enige regeringsvorm denken dan aan de democratie? Met al haar gebreken, haar onvermijdelijk bederf, haar ruwe gelijkstelling van ongelijke krachten, schijnt zij schier onvermijdelijk.

(…)

De macht van demagogen en van lokale leiders ligt voor een groot deel in de onthouding der beteren en in de ongeoefendheid van politieke mannen in het populair debat. Wanneer echter de volksregering zich werkelijk consolideert, dan mag men verwachten dat beide kwalen voor een groot deel zullen wijken.

(…)

Publieke behandeling van de publieke zaak is de grote beweegkracht van het politieke leven. De publiciteit is niet slechts onmisbaar voor de controle der vertegenwoordigers over de waarde van de beginselen zelf. waar het volk regeert kan het niet anders dan regelen in het openbaar en iedere belemmering der publiciteit is een aanslag op de geregelde uitoefening der volkssoevereiniteit. Want de ware volksregering berust op onophoudelijke waardering van alle meningen, op vrije groeperingen van gelijkdenkende burgers, op voortdurende wisseling van denkbeelden en een verlichte belangstelling in de publieke zaak.

(…)

Hoe meer de instellingen een democratisch karakter aannemen, hoe gewichtiger het wordt, het recht der minderheden te beschermen.

(…)

De ontwikkeling van het zelfbestuur vertoont zich in vormen geheel gelijksoortig aan die waarin de ontwikkeling zich voordoet bij individuele vrijheid. Nodeloos bestier der overheid belemmert het publieke leven en onderdrukt de kiemen van weldadige regeling van eigen behoeften. Maar aan de andere kant voert onbegrensde vrijheid van beweging niet zelden tot duldeloze willekeur. De grens te vinden van het gebied der autonomie is inderdaad een uiterst tedere [precaire?] vraag van staatsbeleid.

(…)

De sociale beweging beheerst de politiek. De hervorming van de sociale toestanden van arbeiders is het vraagstuk bij uitnemendheid dat onze tijd heeft op te lossen. De drang naar meerdere staatsbemoeiing spruit voort uit het besef, dat de regeling van maatschappelijke betrekkingen in de levenskring van de werklieden, reeds al te lang op zich laat wachten. – En daarmee in onmiddellijk verband staat de beweging naar uitbreiding van het kiesrecht. Beide bewegingen ontspruiten uit dezelfde bron. Meerdere staatsbemoeiing eist om van de staat herstel van onrecht te verkrijgen en men durft het eisen omdat hoe langer hoe meer de massa der bevolking invloed krijgt op het staatsbestuur en omgekeerd eist men meer invloed op het staatsbestuur omdat men van het staatsgezag redding verwacht in de nood. Het een is de wederzijdse [component of aanvulling] van het ander. De democratie heeft beperking ten gevolge van het Laissez Faire en de uitbreiding van staatsbemoeienis vordert controle van het volk zelf. De hervorming der staatsinrichting wordt aangevuld door de hervorming van het staatsbestuur. (…) De kritiek waaraan socialisten de tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen onderwerpen, is dikwijls even juist als scherp; i.h.b. het standaardwerk van het moderne socialisme, het kapitaal van Marx. Het is inderdaad moeilijk te ontkennen, dat de liberale maatschappij de meest schrille tegenstellingen van diepste ellende en de mest verfijnde weelde in het leven heeft geroepen. Wie zal durven beweren dat behalve de zuiver orthodoxe manchestermannen, dat de arbeiders ten volle naar zijn verdienste wordt beloond? Wie zal durven volhouden dat het gros van kapitalen door spaarzaamheid wordt verkregen? Het is maar al te waar dat veel van de theorieen der economie in het dagelijks leven getoetst, niets zijn dan woorden, woorden en woorden. De grote massa der kapitalen worden verkregen door het opleggen van renten en winsten zonder noemenswaardige ontbering en opoffering, en hoe groter het kapitaalsbezit wordt, hoe gemakkelijker de kapitalisten de hoeveelheid van nieuwe kapitaalsvorming kunnen bepalen  en dientengevolge de grootte van de lonen. De arbeiders, de werklieden zijn wettelijk vrij, maar feitelijk de slaven van kapitalisten.

De huidige generatie liberalen zal hiervan opkijken of zelfs schrikken…

Advertisements