Tags

‘De spoedige, onverwachte, buitengewone winsten prikkelden bij talloos velen de fantasie. Men ziet om zich heen acties van allerlei aard met sprongen omhoog gaan en koopt niet meer uit berekening van goede beleggingen, maar om de kans van spoedige voordelige realisatie. En terwijl het publiek door de roes van het spel bevangen, de brandkasten wijd opent, en al wat door noeste vlijt en strenge onthouding gedurende jaren is bijeen vergaard met volle handen op straat werpt, verrijzen allerwege, als paddenstoelen uit de grond, ondernemingen zonder enige noodzakelijkheid of reden van bestaan, zonder de minste kennis ondernomen, zonder de geringste kans van slagen, met geen ander doel dan om aan de hartstocht van het speelzieke publiek voedsel te verschaffen en op de ergerlijkste wijze te oogsten van de dwaasheid der mensen. Onbekwaamheid en gewetenloosheid beleefden gouden dagen. (…) in 1883 kwam dan ook weer het keerpunt. De grote concurrentie maar veel meer nog het ergerlijke wanbestuur, de willekeur vermeerdering van aandelen, het voortdurend aangroeien van de vlottende schulden, noodzaakte weldra een aantal spoorwegen de dividendbetalingen en later ook de couponbetalingen te staken en wel in die mate dat in oktober van dit jaar op een totaal van $ 3.455.040.000 aan bonds een bedrag van 315.283.000 noodlijdend was. (…) De oorzaak van de malaise ligt, gelijk wij zagen, voor een groot deel in de wanverhouding tussen vast kapitaal en bedrijfskapitaal. Deze ziekte brengt haar eigen genezing met zich. Terwijl wij overal een betrekkelijke stilstand ontwaren, gaat de natuur haar rusteloze gang. Weldra zullen de hamers van de scheepstimmerlieden weer lustig weerklinken, om de schade te herstellen en aan te vullen met de leemten, door stormen geslagen. (…) Overal bereidt de kwaal zelf haar herstel. Zwakken, onhandigen, ongelukkigen ook, gaan ten onder, maar zij die blijven staan gaan met meer ondervinding, meer kennis, meer kracht de toekomst tegemoet. Voor dezen en genen is deze normalisering van de productie de ondergang, maar de maatschappij schrijdt voort tot beter en gezonder leven.

Een andere oorzaak van de malaise vonden wij in de al te snelle wasdom van de communicatiemiddelen [sic: dezelfde verschijnselen als in onze tijd, maar in een eerdere fase van de technische evolutie!]. Zij zijn nu echter gebouwd en zij kunnen niet nalaten de voordelen te geven die van iedere uitbreiding van de middelen van verkeer te [ver]wachten zijn. een werkman kan te lang bezig zijn aan de verbetering van zijn instrument maar wanneer eenmaal de moeilijke tijd voorbij  is en het instrument is verbeterd, plukt hij ook de vruchten van zijn arbeid.

Iedere spoorweg heeft men niet zonder grond genoemd ‘a productive machine which adds to the wealth of the whole country and especially of the region it traverses.’ De bevolking wordt nader bij [tot] elkaar gebracht, de gelegenheid geopend om elkaar over en weer beter en goedkoper diensten te bewijzen, aan talrijke tot nu toe onbruikbare zaken verbruikerswaarde verleend en de waarde van anderen verhoogd, in een woord, door de spoorweg zelf wordt op den duur vermogen in ruime mate geschapen en de weg gebaand tot veel machtiger kapitaalvorming dan voorheen.

De uitbreiding van de communicatiemiddelen moet na korter of langere tijd wanneer eenmaal het vertrouwen weerkeert, wanneer de liquidatie geheel is geëindigd, wanneer industrie en handel zich bewust beginnen te worden van de voordelen van de nieuwe gemeenschapswegen, een intensiteit van handel en verkeer teweegbrengen als wij nu ons ternauwernood kunnen voorstellen. (…)

Alle werelddelen worden hoe langer hoe meer in het algemene ruilverkeer betrokken en het is blijkbaar, dat wij ons beginnen in te richten op een veel grotere arbeid, op een veel inniger arbeidsverdeling, op een veel krachtiger wedijver en dat het gevolg van dit alles een algemene verhoging moet zijn vaan het peil der welvaart.

Twee opmerkingen ten slotte. Een aan het adres van de Malthusianen, oude en nieuwe. Hoe zou door beperking van het aantal kinderen de ellende van de crisis en van ’73 en van ’83 zijn voorkomen? Wie kon in 1860 bijvoorbeeld berekenen dat in 1872 geen handen genoeg waren voor de arbeid, wie in 1872 dat miljoenen weldra zouden hongerlijden om acht jaar later weer volop werk te vinden? En een aan het adres der socialisten. Mijne heren, die van Staatszorg alle heil verwacht, bereiken eens, niet in grote trekken, maar in detail, hoe een algemeen bestuur de bezorging van voeding, van grondstoffen, van een verkeerswegen had moeten regelen; hoe door Staatsbemoeiing de vooruitgang beter gediend ware geweest dan door de vrije concurrentie, die bij al haar feilen toch tenslotte ons steeds verder brengt en steeds meer zegeningen in ruimer kring verspreidt.

WAT BETREFT OVERHEIDSSTIMULERING:

‘In deze tijd toen de particuliere ondernemersgeest zeer gedrukt was, was het een ware uitkomst dat in verscheidene staten van overheidswege krachtig de hand aan het werk werd geslagen. Niet alleen werd het spoorwegnet voltooid, maar vele bijzondere spoorwegdiensten gingen over in handen van de Staat die de exploitatie in vele gevallen op ruimer schaal ondernam en belangrijke sommen aan uitbreiding en vernieuwing van materieel ten koste legde [dat met zware kosten gepaard ging; https://books.google.nl/books?id=aAOFphx4Z94C&pg=PA226&lpg=PA226&dq=ten+koste+legde&source=bl&ots=G10HGuGONS&sig=MJox2BuaXtVsv7xWUaHyeJXPwYg&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjTu5Gl_KzcAhWFfFAKHc-fAVYQ6AEINTAD#v=onepage&q=ten%20koste%20legde&f=false ]. Niettegenstaande de gevaren die eigenaardig verbonden zijn aan een snelle uitbreiding van verkeerswegen, vooral omdat daardoor een vraag naar vele artikelen wordt opgewekt die men licht voor duurzaam aanziet en elke toch inderdaad geen stand kan houden, zo was toch tijdens de reactie van de crisis de krachtige voortzetting der publieke ondernemingen een niet genoeg te waarderen middel om, vooral voor talrijke arbeiders, de onvermijdelijke schok te lenigen en te verzachten.

EN HIJ ZIET EEN SLINGERBEWEGING:

Dat voor allen plaats is op den duur, valt bezwaarlijk te betwijfelen, maar voor weer normale betrekkingen zijn hersteld, voor in plaats van de markt waarvan men wordt verdrongen nieuwe markten zijn gevonden en gevormd, voor in een woord het systeem van ruiltransacties [‘ruilingen’] opnieuw en op bredere grondslag is gevestigd, moet niet alleen tijd verlopen, maar moeten ook tal van individuen uit gebrek aan kracht en vermogen de strijd staken.’

Dan is het, naar mijn mening belangrijkste boek ‘Richting en beleid der liberale partij’ van 1886, dat zich inderdaad, zoals hijzelf zegt en heeft verwoord, als een beginselverklaring laat lezen. Want het betreft een tour d’horizon aan onderwerpen, die de liberale partij (De Liberale Unie is net in het voorafgaande jaar opgericht) aangaan.

INZAKE HET STAATKUNDIG LIBERALISME:

(Uit de Voorrede): ‘De innerlijke kracht der liberale partij is sedert enige jaren niet meer zo groot als zij geweest is. (…) De grote massa der bevolking is niet langer tevreden met burgerlijke vrijheid, zij verlangt politieke gelijkstelling met die klassen van de maatschappij, welke tot nu toe alleen tot de regering werden geroepen. Te midden van deze beweging zijn de voorstanders van een vooruitstrevende staatkunde niet zelden verlegen. Zij voelen de onweerstaanbare macht van de nieuwe denkbeelden, maar zij zijn zich tevens bewust dat de wenselijkheid van hervorming voor hen niet onmiddellijk het gevolg is van welbegrepen beginselen.

Tegenover de toenemende inspanning van reactionaire partijen is een eendrachtige samenwerking der liberalen  ten zeerste geboden. Intussen verkrijgt men geen ware eendracht, tenzij men weet wat en [ook] wil. De strijdleuzen die telkens bij periodieke of algemene verkiezingen gelijkgezinden moeten verenigen, mogen worden gekozen naar de aard van omstandigheden, zij behoren desalniettemin het uitvloeisel te zijn van overtuigingen, welke dieper wortelen dan in het losse verband dat door de vragen van de dag wordt tezamen gebracht. (…) Slechts [als] de werkelijkheid naar haar ideaal wordt gericht, kan de regering krachtig zijn en kracht verwekken. “Niemand heeft het in de hand, doch waarheen stuurt hij, die het niet in het oog heeft?” (Thorbecke, Narede, p. XVIII). De grote leider der liberale staatkunde in ons vaderland heeft het kenmerk van het liberale gouvernement hierin gevonden: ‘dat zij de ontwikkeling van zelfstandige kracht bevorderen; zefstandige kracht in provincie, gemeente, vereniging en individu (op.cit.); hij heeft tot doel gesteld: ‘dat ieder de gelegenheid vinde om op de plaats te komen, waar hij naar vermogen tot de bloei van het geheel kan meewerken’ (Thorbecke, 25-11-1864 in de Tweede Kamer).

Wordt vervolgd

Advertisements