Tags

‘Met vruchtbare eenzijdigheid zijn verschillende vormen van het rechtsbegrip in verschillende tijden en  door verschillende volkeren als het ware ter hand genomen  en uitgewerkt, om later tot volmaakter en groter geheel te worden samengevoegd.

Onbewust hebben de volkeren de arbeid verdeeld en als de leden van één lichaam samengewerkt alsof één geest hen bezielde. (…) De Indiërs zochten blijkbaar de gelijkheid in de onveranderlijke oppermacht van vaste instellingen, in goddelijke wetten, die alle gevolgen van iedere daad des mensen voor eeuwig regelde. (…) De Griekse idee der gelijkheid was bovenal de onderwerping van alle individuen aan de noodzakelijkheid van esthetische verhoudingen. In Rome daarentegen zoekt men het recht in de absolute gelijkwaardigheid van de menselijke handelingen. (…) Evenals de signatuur van het Griekse recht is harmonie, is die van Rome’s recht heerschappij.

Juist door die erkenning van het individu werd het Romeinse recht veel meer een universeel recht dan ooit het recht der Indiërs of der Grieken worden kon. De Romeinen drongen veel dieper door in de maatschappelijke verhoudingen en vonden een natuurlijke gelijkheid in de eenvormigheid van de abstracte wil. In zoverre de mens wil zijn allen gelijk en hebben allen daardoor aanspraak op dezelfde erkenning. (…) In het Germaanse recht kwam een geheel nieuwe beschouwing op de voorgrond. Het recht was bescherming van individuele vrijheid, het berustte op de erkenning van de vrije persoon. Het was niet zoals in Rome de oppermachtige wil die het recht schept (it.). Het recht ontstaat eerst wanneer in de persoon gezamenlijke belangen worden gekrenkt. De gemeenschap is als het ware een deel der persoonlijkheid, gelijk omgekeerd de persoonlijke vrijheid een deel is der gezamenlijke belangen. (…) Het Germaanse recht dat juist door zijn hang naar organische vorming, aanleiding om onderscheid te maken tussen standen en klassen. Oorspronkelijk worden, juist omdat de persoon op de voorgrond treedt, voorrechten en eerbewijzen gegeven, aan de waardigsten. Maar die voorrechten gingen gemakkelijk over van vader op zoon, … (…) Zo ontstond langzamerhand ee n maatschappelijke inrichting, waarbij van de gelijkheid waarvan men was uitgegaan, ook de schijn niet meer te vinden was. Toch erkent men gemakkelijk ook in deze verbasterde vorm van het Germaanse rechtsbeginsel. In het Germaanse recht is bovenal dit beginsel eigenaardig, dat de persoonlijke waardigheid bij de verschillend eindividuen verschillend is, en dat de ware gelijkheid en dus de ware rechtvaardigheid alleen dan wordt behartigd, wanneer ieder in waarde wordt gehouden naar zijn eigen verdiensten. Maar omdat de Germaan zich voelde niet alleen als individu, maar ook als lid der gemeenschap, volgde uit datzelfde rechtsbegrip, dat ieder eveneens naar de rang die hij innam. De verplichting had om het recht van alle anderen te beschermen en in (onder) zijn hoede te nemen.

Wanneer wij nu deze verschillende rechtsbeschouwingen overzien, dan springt in het oog als het ware dat dat de verschillende eenzijdige opvattingen alleen dan haar volle waarde verkrijgen, wanneer zij allen in een hoger begrip worden samengevat. De Germaanse idee van bescherming der vrije persoonlijkheid moet worden veredeld door de Griekse gedachte der harmonie en het begrip dat de ware gelijkheid vordert, erkenning van ongelijke verdiensten moeten worden aangevuld met de waarheid die de Romeinen zo krachtig hebben gevoeld, dat overal waar het algemeen menselijke in het maatschappelijke verkeer op de voorgrond treedt, algemene regelen kunnen worden gevonden, die voor allen gelden en allen gelijkelijk moeten binden. En eindelijk zullen de naties leren inzien, dat zij zelf slechts organen zijn van de grote menselijke gemeenschap, en in haar harmonische rechtsontwikkeling zullen zij onwillekeurig hulde doen aan de Indische gedachte van onderworpenheid van het gehele mensdom aan een alleen bezielend, maar boven allen verheven beginsel. Inderdaad, deze ineensmelting van verschillende beschouwingen, is meer dan fantasie. De verschillende factoren leven reeds in de moderne maatschappij, ofschoon zij in verschillende wetgeving nog vaak als strijdende en onbegrepen elementen zijn opgenomen. Overal zoekt men naar de vrijheid, en welke vrijheid is het, waarvan men de zege tegemoet ziet? De gelijkheid van alle mensen voor de wet, de gelijke kansen voor ieder om die plaats in de wereld in te nemen, waarop iedere verdienste aanspraak geeft. Meer en meer wordt de vrijheid als hoogste goed geëerd, en tevens ziet men overal de gedachte baan breken, dat de dierbaarste belangen der mensheid juist dan tot haar recht kan komen, wanneer de mens zich vrij kan overgeven aan het hogere. Sommigen mogen tevreden zijn met het verwaterd begrip, dat de humaniteit bestaat in bevordering van individuele belangen, meer en meer begint men te begrijpen dat de ware adel van het mensdom is, de vrije en gemeenschappelijke dienst van wat goed is en schoon. En hoe tracht men die vrijheid waar te malen? Is het niet door te eisen rechtsregelen, die in overeenstemming zijn met het gehele leven, met het karakter der natie. Hebben wij dan nu een vaste bodem gevonden en mogen wij met vertrouwen de stelling uitspreken, dat de Staat moet zijn de openbaring van het rechtsleven van een volk? (…) Er zijn organen voor rechtsovertuiging der natie; er is geen orgaan voor de rechtsovertuiging der mensheid. De geschiedenis van het volkenrecht is zoeken naar een passende vorm, om het onrechtmatige geweld, dat thans nog beslissend is in het internationale verkeer, te onderdrukken en te vervangen door een redelijk oppergezag. Wij die dringend gevoelen de behoefte aan een wereldrecht, zijn onmachtig om het te verwezenlijken, omdat wij de gegevens missen om te vormen een wereldstaat. (…) Wij weten dat men van den beginne af aan bewust of onbewust heeft getracht in het onderlinge verkeer die gelijkmatigheid te verwezenlijken, die men zich als ideaal stelt. Wij stellen meer dan zij die ons voor zijn gegaan vertrouwen in de vrijheid der mensen, wij begrijpen beter dat allen het best samenwerken wanneer zij onbelemmerd hun menselijke natuur kunnen volgen; wij zien in dat de grootste gelijkheid hierin bestaat dat ieder zich ontwikkele, dat ieder leve, zoals hij zelf kan en zelf wil.

Het volgende boek betreft ‘De oorzaken van de malaise’ (1885), waarin hij spreekt over thema’s als verantwoorde economische vrijheid, risico’s van onbekwaamheid en waarmee hij erg kritisch is over bepaalde praktijken die zich voordoen. ‘Maar op zichzelf beschouwd was de snelle vooruitgang niet het meeste bedenkelijke verschijnsel. Wat de toekomst gevaarlijk maakte en onvermijdelijk tot een fatale crisis moest leiden, was de verbazende uitbreiding van het spel. Niet alleen werden grote kapitalen vastgelegd, maar de kanalen waaruit jaarlijks de middelen moeten toevloeien, om deze kapitalen productief te maken werden vernietigd. Niet alleen werd teveel ondernomen, maar de zaken gingen ten dele over uit bekwame naar onbekwame handen. Op zichzelf levensvatbare ondernemingen werden in het leven geroepen door mannen zonder enige bekwaamheid, zonder enige studie, zonder enige speciale opleiding, alleen in de hoop dat de fortuin zou aanvullen wat men aan degelijkheid miste. Gewezen officieren als Placht, actrices als Spitzeder, prinsen, vorsten en hertogen stelden zich aan het hoofd van allerlei ondernemingen, bestuurden banken, spoorwegen en fabrieken en legden zich daarbij minder op de zaak zelf toe, waarvan zij geen verstand hadden, dan op het beursspel waarbij aan berekening en soliditeit wel het allerminst werd gedacht.

Wordt vervolgd

 

Advertisements