Tags

‘Laten wij echter bedenken dat de wetten  waardoor de materie zich vormt, waardoor de wereld in haar oneindige harmonie zich ontwikkelt, voor ons mensen in laatste instantie zich altijd oplossen in het grote onbekende. Laten we steeds ons inprenten dat de samenwerking van individuen inderdaad voor ons een mystiek is als de ontwikkeling van een innerlijke eenheid. En laten wij niet uit gewoonte of slaafse navolging op maatschappelijk gebied ons angstvallig vastklampen aan hypothesen, die ons voorstellingsvermogen niet kunnen te hulp komen, maar slechts verwarren. (…) Wij allen, gevoelen dat wij moeten leven niet alleen voor ons zelf, maar voor de mensheid; ja desnoods voor de mensheid ons leven moeten laten; wij moeten deugdzaam zijn zonder dat wij kunnen begrijpen wat de gevolgen van onze deugd kunnen zijn, of berekenen naar welke doeleinden de maatschappij streeft, welke lotgevallen voor de mensheid zijn weggelegd. De mens is door en door een maatschappelijk wezen; hij leeft voor zichzelf maar evenzeer voor anderen. Daden van zelfopoffering zijn hem even natuurlijk als daden van zelfzucht. Het grote geheel is hem even na als zijn eigen ik. Ja, inderdaad, hij kan geen schrede doen op zijn levensbaan, daar enkele daad verrichten van liefde of medelijden, zonder dat in zijn binnenste de stem weerklinkt die de grote wijzen der oudheid in menselijke taal hebben vertolkt: Dat grote onbekende wezen dat uw leven beheerst, dat u voortdurend beveelt gij moet dit en gij moet dat, dat zijt gijzelf (tat twam asi). Ieder mens is zichzelf, maar voelt zich tevens een gedeeltelijke openbaring van de grote gemeenschap der mensen. (…) Het volk is een persoon op zichzelf. Het gaat op, blinkt en verzinkt. Het groeit en ontwikkelt naar de innerlijke wetten van zijn wezen. (…) Veel meer dan het bewust overleg der staatslieden, zorgt de innerlijke eenheid van het volkskarakter voor de gelijkmatige groei en de ongestoorde ontwikkeling van openbare instellingen en gebruiken. Voortreffelijk samengestelde wetten die niet overeenstemmen met de nationale rechtsovertuiging geraken in onbruik, zelfs tegen de wil van oppermachtige wetgevers. Volksfeesten uit den vreemde ingevoerd, kwijnen als planten uit de frisse buitenlucht naar de kamer overgebracht. Alleen de wetten hebben waarachtig gezag, die overeenstemmen met het rechtsgevoel der natie: alleen dat bestuur wordt geëerd, dat steunt op de volksoverleveringen; alleen die feesten zijn nationale feesten, waardoor het volk zich bewust wordt van zijn eenheid, waarbij het in het verleden leeft en een ideale toekomst zich opbouwt. (…) Hoe misleidt men zich wanneer men meent dat door het algemeen stemrecht het ideaal der vrijheid wordt bereikt. Volksregering is evenmin als monarchale regering in zichzelf een schild tegen misbruik en dwang. Boven beide verheft zich in haar soevereiniteit de natie en in haar dienst alleen zijn de burgers vrij. Volkssoevereiniteit in de zin van heerschappij der menigte kleedt het geweld in een schijn van billijkheid, maar mist de vaste bodem van het recht. In waarheid is dit het grote beginsel dat zich baan breekt in de nieuwere tijd dat alle regringen moet strekken tot het heil der natie [italics in de oorspr.tekst], dat alle regering moet zijn in overeenstemming met de nationale rechtsontwikkeling. Een bestuur dat zijn gezag misbruikt ten bate van een enkele klasse, of dat de welvaart beoogt van een enkel geslacht, is reeds daardoor veroordeeld. Het bestuur is bekleed met het gezag als drager van de gemeenschap. Het is onverschillig of het land wordt geregeerd door een monarch, door een aristocratie of door de samenwerking van alle burgers, zolang wordt geregeerd volgens de wil van het volk [oorspr.italics], van de natie [it.]. (…) Evenals een eenvoudig werkman voor de rechter de gemakkelijke speelbal wordt van een sluw advocaat, evenzeer wordt de politiserende menigte gebuikt en geprostitueerd door hen, die hun eigen baatzuchtige belangen beogen. (…) Het staatsleven is alzo slechts één zijde van het rijke volksleven. De veredeling en volmaking van het individuele karakter; de beoefening van kunst en wetenschap, de inrichting van het huis en de wijze waarop de individuele persoonlijkheid zich afspiegelt in het bestier der aardse goederen, godsdienst, taal en zedelijkheid, het gehele gezellige verkeer, behoren allen buiten het gebied waar de staat zijn gezag doet gelden. Alleen waar het recht moet gehandhaafd worden of rechtsnormen moeten worden gesteld om het verkeer der burgers te regelen, treedt het staatsbestuur tevoorschijn en doet het volk zich voor als staat. (…) Voor ieder volk is alleen dat recht, wat overeenkomt met het rechtsgevoel der natie. Maar dit neemt niet weg dat er temidden van al dat wisselende en veranderlijke iets is dat blijft, het ideaal dat men altijd tracht te verwezenlijken, waarheen allen streven zonder dat ooit volkomen te bereiken. Hoezeer de verschillende opvattingen van het recht ook mogen uiteenlopen, zij hebben dit gemeen dat zij bedoelen de handhaving of het herstel van zekere gelijkmatigheid in de verhoudingen der mensen. Reeds Aristoteles heeft het opgemerkt: rechtvaardigheid beoogt gelijkheid voor allen. Dit algemeen gevoel van recht ontbreekt de mens nimmer. Maar wat hem ontbreekt is het inzicht in de natuur van de mens zelf en in de aard en de gevolgen van de maatschappelijke verhoudingen. De mens ziet de verschijnselen om zich heen, maar eerst na duizendjarige waarnemingen leert hij enkele constante krachten onderscheiden, leert hij enkele dingen begrijpen en ontleden. Zo ook ziet de mens verhoudingen van zichzelf tot zijn overige natuurgenoten, maar hij ontdekt slechts met grote inspanningen en eindeloze opmerkzaamheid enige weinige gegevens, om de in het og vallende ongelijkheid en onregelmatigheid te doorgronden. De gehele ontwikkeling van het recht bewust op een helderder inzicht in de ware verhoudingen der maatschappij en een juister begrip van de middelen die hem ten dienste staan om regel en harmonie de plaats te doen innemen van wanorde en geweld. (…)

Wat mij betreft geldt dat Cort van der Linden, getuige vooral deze derde blog, ónze generatie politici in sterke mate overstijgt (inclusief Rutte) en dat we zeker niet moeten denken dat wij wijzer zijn dan de 19e-eeuwers. Wij leven inderdaad in een  technologisch veel verder gevorderde samenleving, maar dat zegt op zich dus – getuige de dagelijkse kranten ons laten zien – niets over het huidige beschavingsniveau. Geestelijk gesproken vanuit het ‘sanskriet ‘Tat Swam Asi’-[betekenis: ‘Je bent die je bent’, ofwel volgens de tempelpoort van Delphi: ‘Ken Uzelf’] -wijsheid van Cort, steekt onze maatschappij schril af tegenover zijn tijd. En dat is een droef stemmende voorlopige waarneming. Sterker: wijsheid bestaat in onze tijd niet meer.

Wordt vervolgd

Advertisements