Tags

‘Het is dan ook niet verwonderlijk dat sommigen hem als staatsman willen plaatsen naast Johan de Witt en Thorbecke, terwijl anderen het Solon door Gerretson in 1952 een ‘groteske overdrijving‘ is genoemd (op.cit., p.226). Hoe dan ook, Colijn komt in ieder geval aan zijn graf tot de volgende woorden van lof: ‘Hij heeft op een waardige wijze de wereld getoond, een opvolger van Hugo de Groot te zijn (op.cit., p.233). Dan te denken dat hij in 1917 de zeventig jarige leeftijdsgrens passeerde en zelfs tot 1934 lid bleef van de Raad van State. Na kennis genomen te hebben van zijn boeken, artikelen en zijn aandeel in de parlementaire geschiedenis, kan ik slechts in navolging van Puchinger erkennen dat spreken over Cort van der Linden, spreken over een grootheid is. Hij brengt zijn grootheid weliswaar direct in verband met zijn functioneren als oorlogspremier (een functie die per toeval (op.cit., p.225) in zijn schoot geworpen werd), waarbij zijn gezag bleek uit het feit dat hij volhield en aanbleef, zijn stellingname binnen het parlement handhavend, ook lang nadat de godsvrede van de partijen was verdwenen (op.cit., (1984), p.100. (Hier wordt de politieke eensgezindheid bedoeld bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog).

Na dit voorwoord over tot de orde van  de dag. Zijn filosofische gedachtevorming omvangrijk te noemen, maar of hij van een centrale betekenis is geweest is voor de ontwikkeling van het liberalisme in ons land , is de vraag. Zijn directe betekenis ligt in zijn leiderschap gedurende de Eerste Wereldoorlog, waar zijn betekenis voor het liberalisme is inmiddels verloren, althans voorbij gegaan aan twintigste eeuwers, die, op een enkeling na, geen kennis hebben genomen van zijn ideeën. Maar te constateren is dat zijn politieke filosofie fundamenteel van karakter is en daarom onmisbaar voor een geïntegreerd liberaal kader, zeg ideologie. Kortom, ik zoek naar de lessen die uit zijn werk is te trekken voor de actuele politiek en het debat over de hoofdlijnen. En deze hoofdlijnen nooit beter worden verwoord  dan door zijn gedachten over vrijheid en gelijkheid in het volgende slotakkoord heeft uitgesproken:

“Waar de staat de vrijheid dient en gelijkheid betracht, daar komt aan ’t einde als derde de broederschap. Het werk vindt daarin zijn kroon, en waar het verstand het laatste woord heeft gesproken wordt ook het menschelijk hart bevredigd.” (Richting en beleid der liberale partij, Groningen 1886, p.220)

“Hij die het volmaakte zoekt, zal nimmer bevrediging vinden. Naar het betere te streven echter is schoon, en het recht te dienen is den mensch waardig, ook al blijft het waarlijk goede en het volmaakt rechtvaardige voor eeuwig verborgen.“ (Openingscollege Volk en Staat, (1882, p. 40)

“(..) met de vrijheid in het hart en met en met zijn trotsche wapenspreuk op de lippen: Ik dien.” (op.cit., p.45)

Cort van der Linden is in ieder geval de theoreticus van de rechtvaardigheid, maar met een erg praktische inslag, ofwel de filosoof die beide elementen tracht te verenigen:

“Langzamerhand zal het stelsel, waarvan thans slechts de hoofdtrekken voor oogen staan, worden voltooid. Zooals altijd moeten ook hier theorie en praktijk elkaar wederkerig ondersteunen. Als tweelingzusters, beurteling voorgaande en van elkaar de fakkel overnemend, die de vermoeienis van het leven en denken zinken doet.

Naarmate de progressieve staatkunde wint in kracht, gedragen door eene nieuwe partij of de oude partijen hervormend [dat is dus van toepassing op de huidige lethargie van partijen in ons land en in het bijzonder op de PvdA], naarmate de progressieve denkbeelden in de maatschappij worden weerspiegeld, zal de theorie vollediger de gevolgen zien van hare stellingen. En omgekeerd, naarmate de theorie voller en helderder licht verspreidt, zal de politieke bereidwilliger volgen op den weg, die leidt naar een liefelijker en meer vreedzame maatschappij.” (‘Conservatief of progressief’, in: ‘De Gids’, 577e jaargang 1893, p.173)

Concluderend op dit moment en uitgangspunt van toetsing voor de van de komende bespreking is dat, in navolging van Ouds oordeel inzake het kabinet-Pierson/Borgesius, waarin Cort al was opgenomen, als het kabinet van de sociale rechtvaardigheid , dat Cort zelf het vleesgeworden rechtvaardigheidsstreven in het vaderlandse liberalisme vertegenwoordigt en als zodanig in combinatie met Van Esveld dient te worden gebracht en uitgewerkt.

Tijd om chronologisch zijn geschriften na te trekken en dan kom ik voor zijn eerste publicatie uit in 1882: ‘Volk en Staat’, (redevoering ter opening zijner colleges), waarin het volgende [opgemerkt zij dat in het hierna volgende en alle overige citaten in deze paragraaf, de oorspronkelijke stijl wordt aangehouden, maar in de eigentijdse 21e eeuwse spelling weergegeven]:

“En toch is deze waarheid, dat het volk een individueel leven heeft, evenzeer onderscheiden van het leven der individuen als het leven van een mens onderscheiden is van het leven der cellen waaruit hij is opgebouwd, voor velen moeilijk te begrijpen. Wij zijn verblind door de schitterende gewrochten der natuurkunde, dat wij gaarne en als vanzelf op ieder gebied haar hypothesen beproeven, de onderstelling dat de zichtbare natuur ontstaat door de wisselwerking van talloze atomen, is in de natuurkunde zo gemakkelijk en zo vruchtbaar gebleken, dat wij menen allen dan een klaar begrip van de maatschappelijke verschijnselen ons te vormen, wanneer we ze op de een of andere wijze als verenigingen van individuen ons denken. Het schijnt sommigen van o ns mystiek toe, wanneer wij gewagen behalve van cellen en organen, van geest, al willen wij daarmee niet anders te kennen geven dan die onbekende eenheid van vorm en leven die het individu kenmerkt. (…)

Wordt vervolgd

Advertisements