Gezonde  democratie vereist tegenmacht (Joost Dirkzwager, Opinie/nrc.nl, 6-7-18)

Ook de stem van de kiezer mag niet allesbepalend zijn, maar moet op grenzen kunnen stuiten. Een politieke partij die over een parlementaire meerderheid beschikt, heeft daardoor nog geen alleenrecht.

Een wetgever die zelf de constitutionele toetsing doet, is net zo onwenselijk als een slager die zijn eigen vlees keurt.

[ https://www.nrc.nl/nieuws/2018/07/06/constitutionele-toetsing-gezonde-democratie-vereist-tegenmacht-a1609091 ]

Het klopt natuurlijk dat de stem van de kiezer niet allesbepalend mag zijn, aangezien ‘de’ kiezer niet bestaat; dat komt neer op de zogenaamd ‘pluriforme’ stem of factor die vaak gewoon uitdraait op populisme: namelijk alleen de stem van de grootste mond.

En ‘de’ partij die over de parlementaire meerderheid beschikt is een fenomeen die in gewone representatieve democratieën niet (meer) voorkomt, zelfs niet in tweepartijenstelsels. Want iedere verkiezingsstrijd loopt uit op een nipte winst van de winnaar. De partij die over een (absolute) parlementaire  meerderheid beschikt bestaat alléén in autocratieën. Dus ook dat argument is ongeldig, want deugdelijk.

En de ‘wetgever die zelf de constitutionele toetsing doet’ is al een even kromme vergelijking: ‘de’ wetgever bestaat immers alleen als abstractie, maar niet als meerderheidspartij (in ons land).

En een tweede denkfout is dat over het hoofd wordt gezien dat de wetgever als wetgevende macht een uiterst pluriforme en versplinterd toneel vertegenwoordigt en daarmee onvergelijkbaar met de enkelvoudige slager die het eigen vlees keurt.

De wetgever is in onze huidige tijd een intern een concurrerende macht geworden die vechtend en rollebollend over straat gaat.

En die wetgever is een politiek bewuste wetgever die weet waarover het gaat of waarom het draait. De bewuste toetser is te verkiezen boven de politiek ‘neutraal’ geachte rechter van het dagelijkse rechtspraak. Maar het constitutionele hof bestaat uit de beste rechters die politiek gevoel hebben om de grondwettelijke logica en denkwereld te vertalen naar rechtsfilosofisch inzicht. Maar tegelijk neutraal juridisch kan denken als benoemd actor.

Kortom, het heeft er alle schijn van dat de briefschrijver rechtskundig denken verwart met constitutioneel denken, want daarvoor is rechtsfilosofisch denken gewenst. Die heeft zitting in het constitutioneel hof en terecht.

Maar om volledige eerlijkheid te betrachten: allebei kan, want dat is de internationale werkelijkheid. Alleen acht ik de redenering én argumenten van Dirkzwager ongeldig en dat is ten aanzien van het constitutionele dilemma in ons land essentieel.

En tot slot zou, indien de Staten-Generaal besluit tot de oprichting van een constitutioneel hof (vanwege de internationale trend van het ‘gewoonterecht’ van een dergelijk hof), een grondwetswijziging nodig zijn omdat de bestaande grondwet via art. 120 een constitutionele toetsing verbiedt. Dit artikel zou dan geschrapt moeten worden met de vandaag onmogelijk geachte eis van een  stemverhouding van tweederde meerderheid in tweede instantie. En dat is onbestaanbaar geworden in onze gepolariseerde maatschappij. De eenvoudige conclusie luidt dus dat een constitutioneel hof in ons rechtsbestel nooit zal worden ingevoerd. Op deze grondwettelijke norm.

 

Advertisements