Tags

In het vervolg op dl1 van gisteren zal ik ook het volgende als slot willen opmerken over imam Jneid. Ik schreef gisteren dat ik hem ervaar hem als ‘spelend’ of provocatief karakter die het heerlijk vindt om de westers samenleving uit de dagen met opvattingen die precies tegen de grens aanlopen. Maar hij is slim genoeg om te weten dat hij zich daarvoor goed genoeg geïnformeerd moet/wil zijn en daardoor juristen in zijn omgeving heeft die hem goed zullen hebben voorbereid op de vraag – immer wederkerende vraag – wat hij kán en mág zeggen. Pas als het OM een oplossing heeft bedacht – die hieronder wordt aangereikt – behoort dit dilemma tot het verleden.

Mijn conclusie is – nu na deze blog – dat er van ‘moedwillige’ belediging aan het adres van Aboutaleb geen sprake is. Ogenschijnlijk wel aan het Nederlandse publiek, maar deze is in deze ‘zaak’ helaas onkundig, want onwetend en niet geïnformeerd wat er precies speelt.

Als het OM deze nog te onderzoeken ‘veronderstelling’, eenmaal heeft geverifieerd als kloppend en vervolgens bij de rechter durft te verdedigen, dan moet dat ook met een uitvoerig persbericht worden begeleid, opdat er geen misverstanden kunnen ontstaan vanwege de tweeledigheid – of tweeslachtigheid? – ervan.

Deze tweeledigheid bestaat eruit dat ‘een’ religieuze uitspraak alleen dan ‘beledigend’ is als er door het slachtoffer aangifte wordt gedaan, maar tegelijk is het ook mogelijk dat hiervan géén aangifte wordt gedaan: omdat bij één én dezelfde uitspraak voor één niet, en de ander wél beledigend is. Een moeilijke zinsconstructie, maar deze formulering is volgens mij wel ‘waar’, zoals ik hieronder zal uitleggen.

Het gaat in dit ‘geval’ inhoudelijk alléén om verschillende karakterstructuren: de psychologische staat van de betrokken ‘beledigde’ is essentieel. Dus zal de één aangifte doen, terwijl het voor de ander niet nodig is.

En dus komt de psychologie als element in een rechtsprocedure binnensluipen of om de hoek kijken. Bij rechtszaken zal de rechter beginnen met uitdrukkelijk naar de ‘aard’ van de gelaakte uitlating te vragen. Waarom?

Ik ga er als niet-jurist vanuit dat er aangifte van beledigende uitspraken kan worden gedaan zoals in het geval van Jneid tegenover Aboutaleb, als laatste zich inderdaad beledigd voelt. Maar niet als dat bij hem niet het geval is.

Dan komt Jneid voor het dilemma te staan, want dat was niet zijn opzet. Hij zal immers nooit toegeven dat hij de eerst genoemde alléén maar probeerde uit te dagen vanwege de islamitische veronderstelling dat salafisten ‘zuivere’ moslims zijn vanwege hun geestelijke én maatschappelijke denkwijze in dit gecombineerde bewustzijn, en daarvan is sprake als gedragingen en hoogste geestelijke normen hand in hand gaan in het persoonlijke gedrag en zo samenvloeien, in eenheid zijn naar hoofd en hart (zoals ook door senator Ganzevoort (GroenLinks) gisteren tijdens de stemming ‘aan de overzijde’ over het verbod van de boerka werd verwoord.

Theologen zijn dus bekend met die specifieke islamitische constructie en daaruit volgt automatisch de ‘verwerping’ van het westerse uitgangspunt van scheiding van geloof/kerk en staat omdat dat in islamitische ogen het begin van het kwaad betekent. Als de mens wordt toegelaten om geloof en staat te scheiden, dan wijkt hij van Allahs bedoelingen af aangezien het juist om die eenheid gaat. Overigens staat dit uitgangspunt van kerk en staat niet ter discussie in dit verband. Ook moslims horen zich aan onze grondwet te houden en dus te kennen.

Als Aboutaleb ‘mijn’ uitleg van het salafisme inderdaad hanteert, dan heeft dat dus niets te maken met salafisme als ‘orthodoxie’ of ‘fundamentalisme’, laat staan als ‘jihadisme’, omdat het louter en alleen gaat om innerlijke beleving van deze geloofsprincipes bij moslims. Daarom kan naar mijn ‘indruk’ een salafist nooit de wapens oppakken of terroristische handelingen uitvoeren. Dat is tegen de goddelijke wetten en dus ook Allah’s wet. En dat de Koran evenals het oude testament vol wreedheid en gruweldaden staat, is naar mijn overtuiging geen maatstaf voor deze moderne tijden, geheel anders dan de nomadische en primitieve stammenwereld van datzelfde oude testament.

Als Aboutaleb dit innerlijk weten ‘kent’, of liever ‘ervaart’, dan voelt hij zich even onkwetsbaar als ik, zoals ik dat gisteren heb uitgelegd. Dan voelt Aboutaleb zich kortom niet beledigd, omdat hij weet welk spelletje Jneid met hem uithaalt. De burgemeester zal dan ook geen aangifte doen, maar het verder met rust laten. Maar … maar …

Maar het probleem is dat de journalistiek die deze opmerkingen publiek maakte omdat het in hun ogen ‘nieuwsfeiten’ zijn, onbekend zijn met deze – naar mijn gevoel – juiste context, die dus geëxpliciteerd had moeten worden worden gebracht, maar daartoe zijn de betrokken journalisten niet in staat, want hiermee onbekend.

En dus wordt Aboutaleb op zijn beurt weer gedwongen om een en ander toe te lichten en recht te zetten omdat de journalistieke boodschappers de kern van dit probleem niet begrepen blijken te hebben.

Kortom, op deze wijze is er ‘nepnieuws’ verspreid zonder dat de kranten/tv dat zich daarvan bewust waren; alleen om het feit dat dit onjuiste nieuwsfeiten waren vanwege de eenzijdigheid van het bericht: de aanname bij het grote publiek is immers dat Jneids uitspraak als belediging moest worden opgevat. Dat is mijns inziens – lees: naar mijn inschatting – dus onjuist.

Kort en goed, het OM is niet in staat om dit soort kwesties te behandelen of in behandeling te nemen aangezien deze kennis en dit inzicht in deze complexe materie afwezig is. Vandaar ook dat ik mij gisteren als symbolische ‘ketter’ heb omschreven omdat ik met deze uitlating in de middeleeuwen op de brandstapel was gekomen, maar nu in de context van deze tijd mijn standpunt mag uitdragen en ook verdedigen: het ligt anders dan de gemiddelde jurist en ook staatsrechtdeskundige denkt.

Ik begrijp Aboutaleb daarom waarschijnlijk heel goed – ik ben geen theoloog maar wel een ervaringsdeskundige op innerlijk en spiritueel gebied – en daarmee kan ik deze nieuwe ‘uitleg’ ook bij mijn lezers via deze blog bekendmaken om aan te geven dat het OM en de minister dus met een enorm dilemma zitten: hoe moet dit volgens het Nederlandse recht en jurisprudentie worden aangepakt en ingepast?

Laat ik het als politiek filosoof zo verwoorden: religieuze beledigingen moeten door specialisten worden begeleid zodat de dienstdoende rechter weet hoe hij dit soort zaken moet benaderen. Na mijn blog van gisteren realiseerde ik mij ook dat waar aangifte wórdt gedaan, er altijd als het goed gaat, een zaak móet komen. Het betrokken ‘slachtoffer’ ervaart die belediging als persoonlijk grievend en dat is dan in die situatie strafbaar.

Dat zal niet het geval zijn bij Aboutaleb, én niet – en dat is de verrassende uitkomst van deze blog – bij onze Kamervoorzitter Arib, want zij is immers een moslima. En als het goed is begrijpt zij mijn redenering. Zoals ook Azarkan, maar die heeft geen neutrale pet op als Denk-politicus en schiet ook te snel in de automatische verdediging als moslim. Ik ben met mijn universele geloof wél neutraal omdat er in mijn gevoel en ervaringswereld geen tegenstellingen op dit gebied bestaan. Ik kan dus ook salafist worden genoemd.

Dus kan Arib als formeel Kamervoorzitter, die normaal gesproken niet deelneemt aan het debat, nu wel om een uitzonderingspositie vragen aan de Kamer, zodat zij bij wijze van een eenmalige ‘wisseling’ van functie als Kamerlid in de Kamerbankjes mag plaatsnemen, terwijl er iemand vanuit het presidium op de voorzittersstoel plaats neemt.

Arib wordt zo in staat gesteld om haar bijdrage te leveren in een kwestie die niet door Kamerleden en Nederlandse burgers wordt begrepen. Ook PVV zal zeker van dit aspect niet op de hoogte zijn omdat zij fundamentalistisch en ongrondwettelijk tegen de islam zijn vanuit hun overtuiging dat de islam een politieke ideologie is.  Maar dat is dus vanuit mijn visie geestelijk gezien onjuist. Dat kunnen dus alleen theologen uitleggen en daar zou PVV respect voor kunnen proberen op te brengen. Hoe dat vervolgens politiek vertaal moet of zal worden, is aan de fractie.

Daarom is er gisteren in het debat naar mijn mening een novum geschapen omdat er wel een – deze – ‘kwestie’ werd aangekaart tijdens het debat, maar vanwege de ‘onbegrepen’ uitlatingen voor het grote publiek én de politiek kon dit debat ook niet tot een bevredigende uitkomst leiden.

En met deze ‘hypothetische’ verklaring die eerst getoetst zal moeten worden in de theologenwereld, zal pas duidelijk worden hoe het OM hiermee moet – lees: kan – omgaan.

Daarmee wordt ook duidelijk dat minister Grapperhaus ieseft dat hier een heel speciaal juridisch dilemma aan de orde is, en daarom een uitvoerig onderzoek naar valide wetenschappelijke argumenten noodzakelijk is en wil laten uitvoeren. Gelijk heeft hij dus.

Mijn conclusie is dus dat niét iedere religieuze ‘belediging’ op voorhand strafbaar is of hoeft te zijn, maar alleen voor diegene die aangifte doet, vanwege de ‘ervaren’ aantasting van zijn integriteit, want het gaat hier om geestelijke of religieuze integriteit.

En Aboutaleb schat ik in als een ‘ware’ salafist vanwege persoonlijke doorleving van de innerlijke waarheid van de Koran – en ook vanwege mijn universele geloof in de \Bijbel, zoals ik hierboven heb omschreven en dan voelt hij zich in deze situatie niet beledigd.

Logisch dus dat het door de journalistiek wél een naar westerse begrippen en maatstaven een belediging was. En dat is waar de schoen wringt. Dat is dus het novum van een politiek-juridische paradox.

De minister kan dus deze uitleg voorleggen aan het OM om aldaar te bespreken of met deze nieuwe invalshoek een politieke oplossing kan worden gevonden. Mijns inziens is dat het geval.

En daarmee wordt ook de stelling van Kamerlid Groothuizen van D66 minder overtuigend omdat in deze situatie geen sprake is van de Kamer die als, of voor, OM gaat spelen en op die stoel gaat zitten. Het gaat immers staatsrechtelijk te allen tijde om de Kamer die een eigen inzicht dóórgeeft aan het OM die er vervolgens zelfstandig besluit of het in bestaande praktijkbeleid zal worden omgezet in ingevoerd en dus aldoende aan de rechter kan worden voorgelegd.

En CDA-Kamerlid Van Toorenburg heeft – zo bezien – ook gelijk dat dit mag worden aangekaart bij het OM, zonder dat er sprake hoeft te zijn van een aanwijzing.

Dat er verschillende opvattingen van Kamerleden hierover blijken te bestaan is spijtig en mijns inziens staatsrechtelijk ongefundeerd, zoals ik heb proberen uit te leggen.

Advertisements