Tags

Herhaling van de introductie van deel 1:

Vrijheid van meningsuiting en vrije pers

Aan de orde is het dertigledendebat over de aanval op de vrijheid van meningsuiting en de vrije pers.

De voorzitter:

Aan de orde is het dertigledendebat over de aanval op de vrijheid van meningsuiting en de vrije pers. Ik heet de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van harte welkom en geef de heer Baudet namens Forum voor Democratie het woord.

De heer Baudet (FvD):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. We spreken vandaag over het concept nepnieuws en de inperking van de vrijheid van meningsuiting als gevolg van de taskforce die de Europese Unie aan het opzetten is om het debat te smoren. Dat is wat hier aan het gebeuren is. De zoektocht naar waarheid, naar wat feiten zijn, naar wat nou precies het geval is en wat niet, vormt het leidende motief van elke vrije samenleving. Wij zijn hier dagelijks met elkaar in gesprek, zo ook de mensen in Nederland. Telkens kom je nieuwe perspectieven tegen, nieuwe ontdekkingen. Dat is wat wetenschappelijke vooruitgang mogelijk maakt. Dat is wat tolerantie mogelijk maakt. Dat is wat democratie mogelijk maakt. Dat iemand nu gaat bepalen wat waar is, wat feitelijk juist is en wat nepfeiten zijn, gaat in tegen alle beginselen van een vrije samenleving, waar wij voor staan. En als je een staat hebt die dat doet, is dat nog veel erger, want een staat heeft macht over burgers. Een staat kan burgers afremmen en onderdrukken. En de media in een vrije samenleving horen de staat te controleren, niet andersom.

De vraag is wát de bedoeling van dit dertigledendebat was, want opvallend was de wijziging die door Baudet onbewust dan wel sluipenderwijs werd aangebracht: kan de ‘aanval op de vrijheid van meningsuiting en de vrije pers’ terecht worden samengevat onder ‘het concept nepnieuws en de inperking van de vrijheid van meningsuiting’, zoals hij uitsprak.

Mijn stelling en mening is dat dit niet het geval is en als ik gelijk heb is dat ook de oorzaak dat het debat verzandde in oeverloosheid, wat dat is mijns inziens ook het geval is geweest. Hoezo?

De vermeende ‘aanval op de vrijheid van meningsuiting’ is met name bedoeld om ‘nepnieuws’ te voorkomen dát had de inzet van dit debat moeten zijn. Dit vanwege de opkomst van nepnieuws na het schandaal van Facebook. De kern van het probleem is dat commerciële bedrijven rücksichtslos alles doen en in het werk stellen om hun winst en omzet te verhogen.

Ethische vragen zijn in dat kader niet aan de orde omdat ze een hindernis vormen om dat doel te bereiken. Daarom worden die ethische vragen (de consument was niet op de hoogte van het heimelijke gebruik van zijn persoonsgegevens om daarmee commerciële winsten binnen te halen) structureel vermeden. En dus is dit debat terecht aangevraagd, maar naar het schijnt onjuist voorbereid door de aanvrager, te weten Baudet vanwege zijn initiatief tot en aanvraag voor dit debat als eerste spreker.

En omdat ik in de voorgaande blogs al de kwaliteit van dit debat heb aangekaart, omdat het teveel de indruk wekte van een werkcollege te zijn aan een universiteit, hierbij alsnog een specifieke toelichting van mijn kant wat de bedoeling hád móeten zijn van het gevoerde debat.

Mijn uitgangspunt (als hypothese) is dat de opdracht van dit debat was een uitkomst (consensus) moest bieden voor het verband én dilemma tussen ‘de aanval op de vrijheid van meningsuiting (en dus inperking van de pers) en het wezen van de vrije pers’ zelf.

Kortom mag óf moet de vrije pers(wereld) worden ‘ingeperkt’ (en dat is fundamenteel wat anders dan censuur) om de stroom van nepnieuws te kunnen voorkomen. Dát had de politieke kernvraag moeten zijn en geen ‘vrijblijvend’ debat over de vrijheid van meningsuiting dat, zoals iedereen weet, niet absoluut is, want wordt beperkt door de ‘verantwoordelijkheid van ieder in het kader van de wet’ ofwel ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid’ zoals het juridisch in de grondwet staat geformuleerd.

De pers heeft dus mijns inziens niet het recht om nepnieuws te scheppen, want dat is geen nieuws’garing’ maar nieuws’schepping’. En dit (laatste) wordt ten principale gedaan om het publiek te manipuleren, want iets anders valt als oogmerk ook niet te bedenken. Die nieuwe ontwikkeling is immers aan het licht gekomen door het schandaal van Facebook.

De persorganen horen dus niet te manipuleren, al gebeurt dat ‘onbewust’ natuurlijk dagelijks aangezien alle nieuwswaardige feiten die de aandacht van de pers trekken, ‘subjectief’ als niesfeiten ervaren worden; logisch omdat ieder nieuw ‘feiten’ altijd multi-interpretabel is. Dagelijkse gebeurtenissen zijn immers door hun karakter van routinematig gedrag geen interessante feiten voor de journalistiek.

De journalistieke interesse voor gebeurtenissen of lopende ontwikkelingen wordt dus pas interessant als er iets ‘nieuws’ aan de orde lijkt te zijn, zodat het de moeite loont om iets te onderzoeken en vervolgens als aan vakmatige normen voldaan is, uitgezocht te worden.  

Onder de clausule van ‘ieders verantwoordelijkheid voor de wet’ valt dus ook het persgeheim: bronnen die de sleutels tot een misdaad bijvoorbeeld hebben onthuld, mogen geheim blijven, omdat de pers anders zijn werk niet kan doen. Het ambtsgeheim zoals dat ook voor medici en advocaten geldt. Dat alles is wettelijk vastgelegd, alleen nog niet over wat ‘nepnieuws’ is, want te nieuw op in nieuwe wetgeving te worden omgezet. En de geruchten over de inmenging van elektronica en hackers die de Amerikaanse verkiezingen zouden hebben gemanipuleerd, zijn nu natuurlijk onderwerp van zorg en studie geworden.

Meer in het algemeen kan worden opgemerkt dat het fundamenteel niet tot de persvrijheid hoort om nepnieuws te ontwikkelen en te verspreiden aangezien dat ongewenste maatschappelijke gevolgen heeft. De persvrijheid heeft ten doel om alles te openbaren wat het ‘gezag’ geheim houdt; of het nu om de overheid, dan wel om het bedrijfsleven gaat. De taak van de pers(organen)  is om iedere maatschappelijke ongerechtigheid in kaart te brengen en zodoende een ‘redelijke’ wereld tot stand te kunnen brengen.

In een ‘onredelijke’ wereld – zie de dictaturen – komt die manipulatie door én vanwege gebrek aan persvrijheid aan de lopende band én in ongebreidelde mate voor, want een overlevingsstrategie van ieder kwaadaardig regime. Maar het is dus niet voor niets dat iedere vorm van dictatuur ‘gedoemd’/’geoormerkt’ is om te verdwijnen omdat het strijdig is met de menselijke evolutie en de rechtvaardige samenleving.

Voor zowel burger, als journalist, als politicus geldt dus dat er geen nepnieuws mag bestaan of voorkomen, want in een ‘ideale (paradijselijke)’ wereld is dat onbestaanbaar. Maar er bestaan wel vele gradaties en kleurschakeringen tussen vrije meningsvorming (mag niet beledigend en haatdragend zijn) en vrije pers (mag geen nepnieuws zijn want een kwestie van ‘verdeel en heers’).

Omdat wij niet in een ideale wereld leven dient dus duidelijk te worden ‘wat nepnieuws is’ en ‘waarom’ dat niet mag bestaan en zeker niet in ernstige vormen – die vanwege algoritmen mogelijk zijn geworden – en die dus wettelijk verboden dienen te worden om de mens/burger te beschermen (tegen deze nieuwe technische ontwikkelingen en verschijnselen).

Dit had de kern van het debat moeten zijn, maar dat had ik aan het begin van deze serie niet duidelijk genoeg geformuleerd. Daarom was en is het nog steeds mijn voornemen om het debat van A tot Z te analyseren om eruit te kunnen destilleren, waarom het debat in mijn ogen niets heeft opgeleverd. Het had dus in mijn ogen veel weg van een leeroefening voor studenten met de leeropdracht van politieke waarheidsvinding.

Maar het specifieke doel was – of had moeten zijn – om te achterhalen waar we met de digitale wereld aan toe zijn, want allemaal nog onuitgezochte en dus onbekende vraagstukken.

Mijn verantwoordelijkheid die ik als politiek filosoof ervaar is om maatschappelijke onvolkomenheden te analyseren en onjuist gedrag aan het licht te brengen, zodat er correctie mogelijk is. En al luisterend naar het debat van nu twee weken geleden heb ik intuïtief al ‘opgevangen’ en begrepen dat er sprake was van een voor mij erg onbevredigend debat; genoeg stof voor mij aanwezig was om alsnog verder uit te werken.

Daarbij stel ik ook nadrukkelijk vast dat ik deze analyse noodzakelijk vind om mijn bijdrage te leveren aan het voorkomen van te ‘vage’ Kamerdebatten, want daarvan was mijns inziens wel degelijk sprake. Als burger heb ik mij grenzeloos geïrriteerd aan de lengte van het debat en dus voor een gemiddelde toeschouwer in mijn ogen tijdverspilling. Als filosoof materiaal voor een socratisch gesprek om tot een betere structurering van dit debat te komen.

Dat is mijn politieke inzet en met deze serie wil ik dus mijn geformuleerde hypothese toetsen door middel van dit onderzoek. Deze tekstanalyse gaat om de vraag of dit Kamerdebat ons ‘verder’ heeft geholpen of niet, want dit laatste was ‘op voorhand’ naar mijn ‘gevoel’ (al luisterend) niet het geval.

Als ik nu als ‘objectief’ onderzoeker bewijsmateriaal heb gevonden voor mijn stelling dat vanwege mijn – nog niet getoetste en dus nu puur subjectieve – indrukken van het debat, indruk dat geen sprake was van een helder debat, en dat het dus óók niets heeft opgeleverd, dan zal mijn conclusie luiden dat de Kamervoorzitter veel vaker mag ingrijpen. Dat indien er ‘weer als vanouds’  oeverloos gezwetst wordt.