Tags

De heer Baudet (FvD):

Ja, ik ben het helemaal eens met het principe dat de waarheid belangrijk is, dat feiten belangrijk zijn. Als je een willekeurig iemand zou vragen of hij of zij een voorstander is van onwaarheden, dan zou hij of zij natuurlijk zeggen: nee, natuurlijk ben ik geen voorstander van onwaarheden. Alleen is de vraag wat precies de waarheden zijn. Hoe zit het precies in elkaar? Wij verschillen daar voortdurend over van mening met elkaar. Heel veel mensen in Nederland verschillen daarover van mening met elkaar. In een rechtszaal is men soms maanden bezig om uit te zoeken wat er nou eigenlijk precies gebeurd is en dan nog kunnen ze jaren later erachter komen “verdraaid, die persoon heeft het toch niet gedaan” of “het zat toch anders in elkaar”. Die zoektocht naar waarheid vormt het leidende motief van onze pelgrimstocht door de eeuwen. Dat is de heilige graal, die we nooit helemaal te pakken zullen krijgen, maar waar we toch altijd naar op zoek zullen blijven.

Dit zijn opmerkingen die je eerder in een werkcollege kunt verwachten maar naar mijn mening horen ze niet in de Tweede Kamer thuis; omdat er genoeg juristen (en zelfs één filosoof : Ronald van Raak, SP) in de vergaderzaal aanwezig zijn die precies weten hoe deze vragen beantwoord moeten worden. Het zijn de basisvragen voor iedere eerstejaars student. En omdat Baudet ook nog gewaagt van ‘de heilige graal’ krijgt dit debat zelfs een metafysisch karakter en dan wordt het de vraag hoe dit gekoppeld wordt aan de politieke praktijk want daarom draait het allemaal. Hier probeert dit Kamerlid weer de docent te spelen.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van der Molen.

De heer Van der Molen (CDA):

We zijn het niet aan de lopende band met elkaar eens, want dit is het eerste debat dat wij hierover kunnen voeren, maar het gaat wel om een essentieel punt. Hebben wij niet de maatschappelijke opdracht om met iedereen die eraan kan bijdragen ervoor te zorgen dat we niet in het ootje worden genomen door allerlei machten van buiten dit land — statelijke actoren noemen we dat met een technisch woord — die ons willen manipuleren? U kunt wel zeggen dat de overheid dat niet moet doen, en misschien kan ik daarin heel ver met u meekomen, maar u kunt toch niet het hele desinformatiedebat naast u neerleggen en doen alsof er helemaal niks aan de hand is?

Van der Molen heeft volstrekt gelijk met zijn opvatting dat de overheid in dit nieuwe ‘dossier’ van nepnieuws in het kader van digitalisering en algoritmes ten aanzien van de vrije pers een taak heeft om de maatschappij te beschermen tegen deze nieuwe technologieën, waar zelfs de overheid het slachtoffer van kan  worden.

De heer Baudet (FvD):

Ik onderken dat er in de media op alle mogelijke manieren voortdurend sprake is van leugens, desinformatie, gekleurde voorstellingen van zaken. Je hoeft het NRC Handelsblad maar open te slaan en zo’n beetje alles wat je over ons leest deugt niet. Je hoeft maar een willekeurige redevoering van minister Ollongren te zien en te horen wat zij over ons zegt; de honden lusten er geen brood van! Er is heel veel onwaarheid. Er is heel veel spin. Er is heel veel gekleurde informatie. Onlangs las ik nog een stuk in Vrij Nederland over de jongerenbeweging van Forum voor Democratie. Nou, ik heb me werkelijk de tranen over de wangen gelachen over de waanzinnige voorstelling van zaken die daar werden gedebiteerd. Dus ik ben het helemaal met u eens: er is heel veel onwaarheid in de wereld. Maar ik zou nooit zo ver gaan om te zeggen: ik ga dat labelen als onwaarheid, ik ga daar sancties aan verbinden. Als je de overheid bent, als je een staat bent, moet je dat al helemaal niet doen. Daar is een mooi woord over, ooit toegeschreven aan Voltaire, al geloof ik niet dat hij het ooit gezegd heeft: ik ben het tot op de grond van mijn hart met u oneens, maar ik zal uw recht verdedigen om dat te zeggen. Maar wij maken steeds de uitzondering — ik vind het ook goed dat die bestaat — dat je het recht hebt om je strafrechtelijk te verzetten tegen smaad of laster. Als iemand bewust leugens en laster over jou verspreidt, mag je immers naar de strafrechter gaan. Maar in Nederland en in andere vrije samenlevingen is de rechter onafhankelijk. Die staat dus ook volkomen los van de Nederlandse overheid, zo goed zelfs dat wij, zoals u allen weet, op dit moment in een strafproces verwikkeld zijn met de minister en een onafhankelijke rechter zich gaat buigen over de vraag of zij zich inderdaad schuldig heeft gemaakt aan smaad, laster jegens ons.

Het valt wel mee met de kwaliteitskrant: ‘het NRC Handelsblad maar open te slaan en zo’n beetje alles wat je over ons leest deugt niet.’ Het is immers de taak van de journalistiek om alles binnen de maatschappij aan te kaarten waar vragen over gesteld kunnen/moeten worden. Baudet laat zich van zijn paternalistische kant zien. Hij bepaalt dat welke vrijheden horen bij de persvrijheid én de vrije pers en wat niet.

De voorzitter:

Het was Voltaire inderdaad, toch?

De heer Baudet (FvD):

Hij heeft dat dus eigenlijk niet gezegd, maar het is aan hem toegeschreven.

De voorzitter:

Ja, het is aan hem toegeschreven.

Het is duidelijk dat dit debat voldoende aanknopingspunten biedt om langdurig commentaar te blijven leveren op de parlementaire schermutselingen op dit thema.

Wordt vervolgd