Tags

Een perfect ronde cirkel (Saskia Pieterse, Dichters&Denkers/De Groene Amsterdammer, 21.6.2018)

De hoofdpersoon van Thierry Baudets novelle verlangt naar het herstel van een liefdevolle Europese idylle. Het onbehagen over de aanval op de eigen ‘heelheid’ wentelt hij af op de immigrant en de geëmancipeerde vrouw.

Philippe Gautier, hoofdpersoon van Thierry Baudets novelle Van elk waarheen bevrijd, is in zijn jeugd slachtoffer geweest van geestelijke en fysieke mishandeling. We maken kennis met hem in hedendaags Parijs, waar hij als gepensioneerd cellist af en toe nog lesgeeft. Hij kijkt terug op zijn leven en stelt vast dat hij in zijn jeugd onherstelbaar beschadigd is. ‘Ik wilde heelheid’, denkt hij, om te constateren dat alles alleen maar meer kapot is gegaan. Op zijn veertiende begon zijn vader hem te slaan, soms met de hand en soms met de riem. Philippe vermoedt dat zijn emancipatie bij de vader agressie opriep: ‘Dat ik iets voor mezelf wilde (…) dat ik zélf begon te voelen: het wekte onhandelbare angst die onderdrukt moest worden.’ Hij onderkent dus dat zijn vader een autoritaire man was die het nodige verdrong en onderdrukte. De zoon beschouwt zichzelf als een hond die door zijn vaders sadisme vals is gemaakt.

Deze omschrijving van de docente en onderzoekster Nederlandse letterkunde geeft volgens mijn intuïtie een perfect beeld van de persoonlijke karakterstructuur van Baudet, zodat het voor mij verklaarbaar wordt waarom de politicus Baudet zo handelt in de Tweede Kamer zoals we als publiek hem hebben leren kennen.

Voor mij is in het bijzonder duidelijk geworden waarom zijn lichaamstaal als geëngageerd docent zijn leerlingen probeert te overtuigen, maar daar wat mij betreft niet in slaagt omdat hij zijn rollen als rechtsfilosoof en als politicus door elkaar haalt zodat vermenging, maar daarvan is hij zich niet bewust, want dat speelt zich in het onderbewuste af.

Vanuit die invalshoek probeert hij nu zichzelf een spiegel voor te houden via zijn novelle. Dat is een knappe poging geworden en wat de recensie in dit weekblad betreft ook een knappe prestatie, maar het zal zijn politieke leven en toekomst bemoeilijken.

Dit aangezien de rollen van rechtsfilosoof én politicus zoals hij zich nu aan het vormen is niet te mengen zijn binnen onze politieke orde of cultuur. En daar komt hij nog wel achter. Hieronder volgen dus mijn geselecteerde passages op basis waarvan ik tot mijn conclusie over de ongerijmdheden in zijn karakter ben gekomen.

Europa kan alleen bestaan als ze continu ‘zelfmoord’ pleegt, zichzelf moreel bombardeert met schuldgevoel. Geen ‘liefde voor de grootse Europese cultuur’ zou meer toegestaan zijn, alleen maar boetedoening dat ‘we heel erg fout waren geweest’.

Vandaar Baudet’s woede over de EU.

En dan koppelt hij dat inzicht aan zijn vaders boosheid: de generatie van de vader ‘was ten minste nog boos geweest over het einde van het Europese leven, had tenminste nog agressie gehad’. Hier gaat de schrijver heel snel: natuurlijk was niet de gehele generatie van Philippe’s vader boos over het veronderstelde naderende einde van het Europese leven. Een specifieke groep met een welomlijnde politieke ideologie voorzag de ondergang van het Avondland en voelde zich gelegitimeerd dat Avondland te verdedigen door een geweldscultus te ontwikkelen.

Lees: de politieke cultuur van de EU. Lees het partijkartel, zowel in ons land als binnen de EU.

Ook de migrant roept angst en weerzin op, tenzij deze dienstbaar is. Philippe beschouwt de grote groepen immigranten als een dodelijke aanslag op de schoonheid van Parijs. Zij moeten daarom door de gendarmerie uit het centrum geweerd worden, maar hij vreest het moment waarop de laatste stukken stad ten prooi gaan vallen aan de ‘beleidsmatige gevolgen van het oorlogstrauma’. Wederom een cryptische zin. Hét oorlogstrauma? Het gaat hier evident niet om het oorlogstrauma van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en ook niet om de trauma’s van de slachtoffers van de Franse koloniale oorlog. Philippe is de collaborerende generaal Pétain nog altijd dankbaar, want zo is Parijs gespaard gebleven van bombardementen. Kortom: Philippe doelt hier op het oorlogstrauma van de Fransen, dat wil zeggen de traumatische wetenschap ooit met de Duitsers gecollaboreerd te hebben. Dit trauma zou na de oorlog hebben geleid tot het verlammende besef fout te zijn geweest, waardoor uit schuldgevoel niemand in Parijs meer iets tegen massa-immigratie zou durven doen.

Dit zijn onweerspreekbaar de schuldgevoelens die Baudet vanuit zijn familieachtergrond ervaart, maar géén werkelijk toetsbaar noch bewezen feiten kunnen zijn, simpelweg omdat de oude generatie van politici die nog een schuldgevoel zouden hebben of met mee zouden dragen, niet meer bestaat.

Het zijn dus niet die trauma’s waarin het in dit boek over gaat, maar de machteloosheid van de huidige generatie politici die zich geen raad weten met alle assertiviteit die steeds meer wereldwijd opkomt als een soort van tsunami in de hoofden van ambtelijke en bureaucratische politici. Die gevangen zitten in de partijdiscipline van hun partijen waardoor politieke brille en creativiteit verloren is gegaan.

Over het revolutionaire streven van zijn generatiegenoten oordeelt Philippe vernietigend. De linkse babyboomers zouden in naam van een persoonlijke bevrijding diepe vleeswonden hebben toegebracht aan de Europese beschaving. In de liefde zoekt hij een vrouw die hem geheel ter dienst staat. Philippe wijst de vader dus af als autoritaire opvoeder, maar identificeert zich ideologisch tóch volledig met diens positie.

Zie in deze laatste zin de psychische ‘tweeslachtigheid’ die in Baudet aanwezig is: afwijzing van de autoritaire vaderfiguur (UN/Brussel) en tóch identificatie met die ideologische denkbeelden. Die politieke schizofrenie blijkt ook uit zijn rechtsfilosofische opstelling in de Kamer, maar die vergaderzaal is geen collegezaal. Maar hij manifesteert zich wel als docent; rechtsfilosofisch maar uitdrukkelijk géén politiek filosofisch leermeester. Ware hij rechtsfilosoof geworden vanuit de sociale faculteit dan had hij zich anders opgesteld.

Die tweespalt structureert ook Philippe’s verhouding tot het verleden. Baudets hoofdpersoon dweept met een sterk geïdealiseerd Europees verleden, maar is nauwelijks bij machte de werkelijke historische positie van zijn ouders onder ogen te komen. Zo lijkt het erop dat Philippe uit een gezin komt waarin het geweld van generatie op generatie wordt doorgegeven, omdat niemand bij machte is de eigen verantwoordelijkheid onder ogen te komen. De vader behoorde tot een generatie die nog agressief was, concreter dan dat wordt de schrijver niet, maar via Pétain wordt er duidelijk gezinspeeld op een geschiedenis van collaboratie. In het Europa van na de oorlog komt deze vader niet tot inkeer, maar hangt de grote vrouwenversierder uit en ranselt thuis gefrustreerd zijn eigen zoon af. Hoe de grote politieke geschiedenis nu precies ingewerkt heeft op de privé-verhoudingen in het gezin Gautier, Baudet werkt het niet uit. De auteur verdringt samen met zijn hoofdpersoon de kern van de zaak: het persoonlijke trauma wordt aan het zicht onttrokken, terwijl met grote gebaren aan de gehele Europese cultuur een trauma wordt toegeschreven.

Hier wordt het treffend uitgedrukt: ‘niemand bij machte is de eigen verantwoordelijkheid onder ogen te komen.’ Dat is de bijna fatale zwakheid van de Europese én nationale leiders.

Het is ook voorstelbaar dat Jean Claude Juncker de ‘grote vrouwenversierder’ uit heeft gehangen.

Baudets grote aantrekkingskracht is dat hij aan al die andere gekwetste zonen definitieve genezing van de kwetsuur belooft

Baudet lijkt in zijn estheticisme evenmin ver verwijderd van zijn hoofdpersoon. De titel Van elk waarheen bevrijd is afkomstig uit een laat Rilke-gedicht getiteld Musik. Rilke wordt in het verhaal uitsluitend opgevoerd als vertolker van een tijdloos esthetisch verlangen. Maar daarmee wordt ook een hoop overgeslagen, immers: hoe afschuwelijk Rilke de loopgraven ook vond, hij beschouwde de Eerste Wereldoorlog eveneens als een kans voor de mensheid om een nieuw metafysisch waarheen te vinden. Juist het verlangen een nieuw doel te vinden op weg naar een heelheid die ‘ons’ ooit ontnomen zou zijn, leidt keer op keer tot een blinde vlek voor de manier waarop zogenaamd ‘richtinggevend’ oorlogsgeweld de heelheid enkel verder kan vernietigen. Over de relatie tussen het estheticisme van Rilke’s generatie en het toen breed gedeelde oorlogsenthousiasme reflecteert Baudet niet.

Inderdaad lijkt het er sterk op dat Baudet de reïncarnatie is van Rilke: ‘vertolker van een tijdloos esthetisch verlangen’. Dat kan als gelauwerd schrijver en romanticus, maar niet als politicus.

‘Op weg naar een heelheid’ is voor hem alleen haalbaar als academicus dat qua DNA binnen zijn familiestructuur ligt opgeslagen, maar niet als politicus omdat hij zijn staatsrecht niet beheerst; want constant botsend op internationale verdragen die in het verleden gesloten zijn, zodat ‘opheffing van de EU’ absurd is. Als jurist (als ik op Wikipedia mag afgaan) moet hij dat weten.

Veelzeggend is bovendien dat Baudet in zijn schrijven probeert de kloof tussen tekst en lezer te dichten. Veel woorden staan cursief of hebben een accentstreepje meegekregen, om zo duidelijk te maken wat nadruk moet krijgen. De lezer wordt zo pagina na pagina in de positie van de dociele leerling geplaatst waar tégen gepraat wordt. Ook hier een streven naar heelheid (tussen de intentie van de auteur en de interpretatie van de lezer), dat iedere mogelijkheid tot literair genot al bij voorbaat verstikt.

Als zijn ideaal ligt in zijn intentie de kloof tussen publiek en politiek, dus tussen burger en bestuurder te dichten, dan komt hij van de koude kermis thuis vanwege zijn docentschap, de hoofdmeester die zich gepositioneerd weet tegenover ‘de dociele leerling geplaatst waar tégen gepraat wordt’. De Kamerleden zijn kortom geen dociele leerlingen en zijn stijl gaat zwaar irriteren.

De politicus Baudet deelt met Philippe het verlangen naar heelheid: ‘Het project van mijn leven bestaat eruit dat ik de heelheid van de wereld wil herstellen: de heelheid die er voor de Eerste Wereldoorlog was.’ Zijn partij, Forum voor Democratie, noemt hij de ‘partij van de liefde’. Daar wordt vaak met gelach op gereageerd: alsof deze manier van spreken uitsluitend ironisch kan zijn, en hoe dan ook toch nooit zal uitgroeien tot een serieus te nemen politieke kracht. Maar het is Baudet wel degelijk ernst met de liefde.

Vandaar dat ik in voorgaande blogs over Baudet over de ‘restauratie’ na de Franse Revolutie, en over de contrareformatie schreef, waarvan ik hem een uitgesproken voorbeeld vind. Het conservatisme zit in zijn bloed. Vandaar zijn opereren op de radicaal rechterflank.

[Saskia Pieterse is docent en onderzoeker Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht]

https://www.groene.nl/artikel/een-perfect-ronde-cirkel

 

Advertisements