Tags

Zuid-Europa brengt armoe EG binnen (Bert van Panhuis, Trouw, 20-8-1976)

Toetreding moet economisch door “rijken” worden opgevangen

Als de komende vijftien jaar de landen van rond de Middellandse Zee – met name Griekenland, Portugal, Spanje en ten slotte Turkije – tot de gelederen van de Europese Gemeenschap zullen toetreden zijn naast de politieke consequenties ook de economische gevolgen groot. Er zal een flinke wissel worden getrokken op de wil van de rijke EG-landen om de klappen op te vangen.

Dat is dus volkomen waar gebleken en de vraag is of bij dit wijze inzicht achteraf niet veel te snel met de uitbreiding is gestart. De indruk nu anno 2018 kan geen andere zijn dan dat de besluitvormers van toen hopeloos naïef waren. Maar dat betekent tegelijkertijd niet dat de oorspronkelijke plannen om een Europese economische gemeenschap op te richten geen bestaansrecht hadden. Afgezien van het cliché dat het noodzakelijk was om geen volgende oorlog tussen Europese naties mogelijk te maken, zijn we met ons huidige voortschrijdende inzicht nu wel zover dat een samenwerkingsunie noodzakelijk was omdat de sluipende ontwikkeling naar globalisering onvermijdelijk was; ‘Het stond simpelweg in de sterren geschreven’.

Maar belangrijk was ook het realistische inzicht van deze toenmalige economie-redacteur dat het de rijke noordelijke lidstaten veel geld zou gaan kosten om het zuiden van infrastructuur te voorzien. Dat wisten dus alle economen in ons land en al helemaal alle politici. Al was het alleen maar schertsenderwijs door dit artikel!

Geen van de vier landen heeft een economie die het niveau haakt van het gemiddelde EG-land. Zowel Griekenland als Portugal kunnen zich op het economische vlak meten met het armste lid van de Europese Gemeenschap Ierland. Alle drie landen halen een bruto nationaal prtoduct per hoofd van de bevolking van ongeveer 5500 gulden. Portugal reikt slechts tot 3500 gulden en Turkije komt niet verder dan ongeveer 2000 gulden. Ter vergelijking: het rijkste EG-land, West-Duitsland heeft een BNP van 21.700 gulden. Daarnaast is er de inflatie – Griekenland heeft een niet buitensporig hoog percentage van 14 procent (EG-gemiddelde 11 procent) maar voor Spanje wordt door het verlate doorwerken van de economische achteruitgang een per percentage van 20 verwacht.

Ook handelsbalansen van de vier landen, van wie Griekenland en Turkije een associatieverdrag met de EG hebben en Spanje en Portugal vrijhandelsakkoorden, stemmen tot optimisme. Griekenland heeft een tekort van 800 miljoen gulden maar hoopt dit per 1977 terug te brengen tot 400 miljoen gulden. In Turkije echter neemt het tekort op de handelsbalans razendsnel toe: uitvoer naar de EG is vijf maal zo klein als de invoer vanuit de gemeenschap. Spanje heft een tekort van ongeveer tien miljard gulden en Portugal ongeveer drie miljard.

De industriële kracht van de vier is over het algemeen erg gering. Zo kampt Portugal met de naweeën van veel nationalisaties (60% van de Portugese industrie werd afgelopen twee jaar genaast) en Turkije heeft nauwelijks industrie van betekenis. De Griekse industrie is nog nauwelijks van de grond gekomen. Spanje heeft een wat steviger basis, zeker ook gezien de aanwezigheid van energie (kolen) en wat zwaardere industrie dan de andere mediterrane landen, die zich hoofdzakelijk bewegen op het terrein van de land- en tuinbouw en de textiel.

De concurrentiepositie van de vier is bijzonder zwak; wat de land- en tuinbouw producten betreft is er de concurrentie onderling, met Italië en Frankrijk en met de landen van Noord-Afrika en Israel en wat de textiel betreft met bijvoorbeeld Zuid-Korea en Hongkong, die eveneens handelsakkoorden hebben met de Europese Gemeenschap.

Het zal met name op het landbouwfront zijn dat de mediterrane toetreding zich zal doen gelden. Van de beroepsbevolking in Griekenland werkt 36,2 procent in de landbouw en visserij en in Turkije is dit getal zelfs 64,1 procent. In Portugal en Spanje staan landbouw en visserij net onder de industrie.

Italië en in mindere mate ook Ierland voelen zich bedreigd door het opdringend landbouwblok. Dit geldt wat Italië betreft zeker voor fruit en wijnen, maar ook voor bepaalde soorten groente als tomaten en komkommers. Met de komst van Griekenland zal ook de perzik zich op de Euromarkt gaan manifesteren en wel, zoals wordt veracht in de vorm van een perzikoorlog. Griekenland voert momenteel ongeveer 160.000 ton perziken per jaar uit. Aan de andere kant is de komst van andere Zuid-Europese landen Italië niet onwelkom.

Het zijn kortom allemaal agrarische samenlevingen die in groot contrast staan met de postindustriële maatschappijen in Noord-Europa – ten tijde van mijn afstuderen in de jaren 2e helft ’70 – waarover ik mijn eindscriptie heb geschreven.

Dat contrast, zo merk ik nu op, is wel mogelijk in een natiestaat met een groot oppervlak en een dynamische bevolking zoals de VS, waar spontane agrarische en hoogtechnologische ‘states’ met elkaar uiteindelijk (!) in een federale unie broederlijk samen zijn gaan samenwerken na een bloedige burgeroorlog maar toch hun bestaansrecht hebben bewezen. Noodzakelijke vooraarde is wel dat de bevolking na enige generaties niets anders gewend was.

Maar met een economische gemeenschap in opbouw zoals de huidige EU, is dat proefondervindelijk alleen met grote – lees: grootse – offers mogelijk vanwege de voorspelbaarheid van spanningen tijdens deze ontwikkelingsopbouw en dus met eindeloze ruzies tussen de lidstaten.

Met het huidige inzicht betekent dat een gevalideerd perspectief tot wantoestanden, die pas tijdens de eurocrisis is uitgebroken. Maar als deze chaos eenmaal is uitgebroken, een extra zware opgave om de geest weer terug in de fles te krijgen.

Dat kan mijns inziens alleen met een groots gebaar vanuit Brussel door zichzelf helemaal opnieuw uit te vinden. Nu is het moment aangebroken om vanuit dit bestuurlijke centrum een volledig open en democratisch instituut te maken dat waarlijk democratisch kan worden genoemd.

En ook een groots gebaar naar de vluchtelingencrisis van dit moment. Sluit met Albanië een juridisch contract dat dit land een EU-lid wordt met volledige medewerking van hun kant om een centraal opvangcentrum geheel met Europese financiële middelen zodat we geen hinder ondervinden als de Noord-Afrikaanse zich niet aanmelden als gegadigden. Voor Albanië geldt in dat geval dat er een Marshallplan wordt opgezet om hen in de vaart der volkeren op te kunnen laten stomen.

Geld en verschrikkelijk veel zelfs zal er ook moeten komen uit de sociale fondsen en de regionale fondsen. Tot nu toe gaan de bedragen uit het toch al niet bijster goed gevulde regionale fonds voornamelijk naar Ierland, Zuid-Italië en delen van Groot-Brittannië, maar landen als Griekenland, Portugal, Turkije en Zuid-Spanje zijn ook op de regionale pot aangewezen. Ierland heeft bij de toetredingsonderhandeling van de Grieken onlangs bedongen dat de bijdragen aan Zuid-Europa niet ten koste zullen gaan van de huidige zwakke EG-landen.

In hoeverre een en ander zal lukken hangt grotendeels af van de bereidheid van de rijken om het geld bijeen te brengen. De afgelopen jaren heeft vooral West-Duitsland als betaalmeester voor de EG gefungeerd en daartegen is in Bonn groot verzet gerezen. West-Duitsland lijkt nauwelijks bereid een extra duit in het Europese zakje te doen. In een dergelijke situatie doemt het idee op van het Europa van de twee snelheden: de rijken hebben hun eigen ontwikkelingsstrategie en de armen – de mediterrane landen in gezelschap van Ierland en Groot-Brittannië – de hunne, die beperkte mogelijkheden kent. Het is niet zo verwonderlijk dat vooral de West-Duitsers dit idee nastreven en met genoegen hebben gemerkt dat de Belgische premier Leo Tindemans in zijn Europa-rapport een zelfde ontwikkeling niet onmogelijk en misschien zelf wenselijk acht. De zuidelijke toetreding tot de EG zou dan tot een economische en als gevolg daarvan een politieke opdeling van Europa opdeling van Europa gaan leiden.

Kortom, het was volledig bekend wat de unie-gemeenschap te wachten stond met de nieuwe toetreders, laat staan de generatie toetreders erna. Brussel is immer blind geweest voor een monetaire en economische gevolgen en voor de toenemende verwevenheid tussen de Europese banken met hun aandelenaankopen en -uitwisseling.

Het wordt nu tijd dat Brussel zich meer als prudent dienstverlener gaat opstellen en niet als beleidsmakers, want dat is de taak  van de Europese Raad.

Advertisements