Tags

(21) Nog lang in de twintigste eeuw is deze eis van het neutrale karakter van de staat en de erkenning van pluriformiteit en gelijkwaardigheid weinig problematisch geweest. Tot de jaren zestig was de Nederlandse samenleving betrekkelijk homogeen. Van oudsher was deze samenleving weliswaar pluriform, maar deze pluriformiteit had het karakter van een samenstel van bouwstenen in het overkoepelende bouwwerk van de verzuiling. Bovendien was deze pluriformiteit gebaseerd op een gemeenschappelijk stelsel van burgerlijke normen en waarden, die hoewel voornamelijk van christelijke origine, ook aanvaard werden door de liberaal, de socialist, de humanist. In het kader van deze verzuilde samenleving wist men wat men van de ander had te verwachten. Zo was het voor eenieder ongeveer wel duidelijk wat onder godsdienst begrepen diende te worden – het model werd daarbij gevormd door de traditionele religies – en waaruit gelijkwaardige behandeling bestond – gelijkwaardige behandeling van die religies.

De hier geschetste historische ontwikkeling is goed af te lezen aan artikel 9 EVRM. Deze bepaling waarborgt in het eerste deel van het eerste lid – het recht op vrijheid van gedachten, geweten en godsdienst, inclusief de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen – de onaantastbaarheid van het forum internum, een moderne versie van het inquisitieverbod. Het tweede onderdeel van het eerste lid beschermt de vrijheid om een godsdienst te manifesteren, in foro externo. De daarin gewaarborgde vrijheid om uiting te geven aan de godsdienstige overtuigingen in de privésfeer – de vrijheid om hetzij alleen hetzij met anderen privé zijn godsdienst te belijden – is gerelateerd aan de devotio domestica simplex (de huiselijke godsdienstoefening, de ‘einfache Hausandacht’). Het recht om godsdienst in openbare erediensten te uiten beschermt wat de devotio publica genoemd werd. Verder duidt de opsomming van andere religieuze manifestaties – in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften – op een nog ruimere actieradius, buiten de kerk, in maatschappelijke instellingen als scholen, en ook anderzijds het beleven van de godsdienst in de publieke sfeer. Uit de beperkingsclausule, het tweede lid, vloeit ten slotte voort dat sprake is van een splitsing in beschermingsniveau tussen ‘binnen’ en ‘buiten’. Het treden door de overheid in de sfeer van het innerlijk, de geestelijke en religieuze binnenwereld – het forum internum – is absoluut verboden. Alleen manifestaties, in de sfeer van de buitenwereld – het forum externum – kunnen door de overheid beperkt worden.

Ook in artikel 6 Grondwet zien we deze historie – zij het minder helder – terug. Het eerste lid waarborgt een ieders recht om zijn godsdienst individueel (mede een reminiscentie aan de private sfeer gewaarborgd in artikel XIII van de Unie van Utrecht) en in gemeenschap met anderen (de devotio publica) te belijden. Deze vrijheid, voorzover in de eigen sfeer, binnen de eigen gebouwen en terreinen gemanifesteerd, kan slechts door de formele wet beperkt worden. Zodra evenwel sprake is van belijdenis buiten de eigen gebouwen en besloten plaatsen (men dacht primair aan processies) is het, aldus het tweede lid, ook mogelijk beperkingen te stellen door lagere regelgevers, mits daarmee neutrale doeleinden gediend worden (gezondheid, verkeer, openbare orde). Wederom zien we hier een splitsing in twee sferen, waarbij de demarcatie overigens anders gelegen is. Enerzijds is er de private sfeer van het eigen huis en de eigen organisaties waar alleen op grond van de wet binnengetreden mag worden; anderzijds is er de publieke sfeer, waar ook de lokale overheid regulerend mag optreden.

Tenslotte lezen we natuurlijk uit beide bepalingen ook het proces van secularisatie af. Zowel artikel 9 EVRM (al sinds 1953) als artikel 6 Grondwet (pas sinds 1983) erkennen naast de vrijheid van godsdienst ook de vrijheid van niet-godsdienstige levensovertuiging, en verlenen aan deze dezelfde rang. Dienovereenkomstig zien ook de discriminatieverboden en gelijkheidsnormen (artikel 14 EVRM; artikel 1 en 23 lid 3 Grondwet) op zowel godsdienstig als levensbeschouwing.

3. De noodzaak tot afbakening en beperking van de godsdienstvrijheid
(23) Klassieke grondrechten of vrijheidsrechten, zoals de vrijheid van godsdienst, beogen een kwetsbaar handelingsterrein tegen overheidsingrijpen te beschermen. Niet zelden wordt de aanleiding en rechtvaardiging voor de wens om tot bescherming van deze handelingsterreinen over te gaan gevonden in historische gebeurtenissen, die de noodzaak om een bepaald handelingsterrein te beschermen pregnant duidelijk maakten. Dit geldt zeker ook voor de vrijheid van godsdienst, zo bleek in de vorige paragraaf. [Deze derde zin lijkt tegenstrijdigheid te bevatten met de eerste zin, jw]

Klassieke grondrechten worden ingevoerd om de particuliere vrijheid te waarborgen. Zij beogen burgers te beschermen tegen een opdringerige overheid en hen de mogelijkheid te bieden deze op afstand te houden; vandaar worden ze veelal aangeduid als afweerrechten. Op deze wijze wordt tot uitdrukking gebracht dat deze rechten een schild vormen tegen een overheid die de individuele vrijheidssfeer op een te indringende wijze wenst te betreden.

Een dergelijke (afweer)functie kunnen zij echter alleen vervullen wanneer zij betrekking hebben op een enigszins afgebakend, herkenbaar object of handelingsterreinen. Afbakening van het te beschermen handelingsterrein moet zowel voorkomen dat het grondrecht in kwestie willekeurig eng als willekeurig ruim wordt geïnterpreteerd. Dit laatste kan mogelijk merkwaardig overkomen. Een ruime interpretatie lijkt immers niet problematisch, en veeleer juist te sporen met de doelstelling van klassieke mensenrechten: optimalisering van vrijheid. Betoogd kan echter worden dat een te ruime interpretatie – anders dan beoogd – veelal tot gevolg zal hebben dat de individuele vrijheid sterker wordt beperkt, of zelfs onmogelijk wordt.

Voor de noodzaak om de reikwijdte van vrijheidsrechten af te bakenen kan een tweetal samenhangende argumenten worden aangedragen. Ten eerste moet worden gewezen op de rechtszekerheid, die vereist dat voorafgaande aan het handelen van een grondrechtssubject voor hem inzichtelijk moet kunnen zijn of zijn handelen door een bepaald vrijheidsrecht wordt beschermd. Die zekerheid is er alleen als het beschermingsbereik van het klassieke grondrecht waarop hij zich beroept met een zekere nauwkeurigheid en objectiviteit kan worden vastgesteld. Zou deze duidelijkheid vooraf er niet zijn, dan bestaat het gevaar dat het object van een vrijheidsrecht te zeer afhankelijk wordt gemaakt van de wil van de interpretator – de overheid, de rechter. In zo’n situatie bieden klassieke vrijheidsrechten immers geen effectieve bescherming. Bovendien zal de onzekerheid omtrent de beschermingsomvang een ‘chilling-effect’ hebben, en burgers van het gebruik maken van hun fundamentele rechten afhouden.

Ten tweede (…)

Wordt vervolgd