Tags

Herdenken in tijden van antisemitisme ( Paul Scheffer, Opinie/nrc.nl, 1 mei 2018 digitaal, 2 mei papieren editie)

# Over een paar dagen drommen we weer in stilte bijeen op de Dam om de slachtoffers van de oorlog te herdenken. Waarschuwende woorden over vreemdelingenhaat zullen worden gesproken, het ‘nooit weer’ zal worden bezworen en de avondlucht boven het plein zal worden gevuld met treurige herinneringen en goede bedoelingen.

Maar over deze jaarlijkse herdenking valt steeds meer de schaduw van een hedendaags antisemitisme dat uit de Arabische wereld is gemigreerd. In landen als Frankrijk en Duitsland heerst inmiddels een grote verontrusting over het geweld tegen de Joodse gemeenschap. Het symbool van deze vijandigheid is de 85-jarige Mireille Knoll die door haar moslimburen werd vermoord. De opkomst van het ‘andere’ antisemitisme – zoals Angela Merkel het onlangs noemde – komt niet uit de lucht vallen. Al uit eerder onderzoek van het PEW Research Center in 2005 blijkt dat het antisemitisme in de islamitische wereld wijd is verbreid. Zo heeft 36 procent van de Indonesiërs, 44 procent van de Turken, 64 procent van de Pakistanen en 78 procent van de Marokkanen een ‘zeer ongunstig’ beeld van Joden.

Goed en treffend geformuleerd om te spreken van ‘steeds meer de schaduw van een hedendaags antisemitisme dat uit de Arabische wereld is gemigreerd’. Omdat overheden hiermee geen raad weten en het lijkt er wel op dat de participatiemaatschappij die Rutte tijdens zijn eerste kabinet heeft ‘ingesteld’ betekent dat de burgers zelf zich te weer moeten stellen tegenover dit ‘gemigreerde antisemitisme’. Het gevolg is dat er bijna niets van de grond komt en dat het de moeite niet loont om aangifte te doen als je bent lastiggevallen vanwege je keppeltje op. En dat de migranten zelf niet kunnen worden opgepakt omdat er geen politie kan worden opgeroepen of in geen velden en wegen zichtbaar is. In Duitsland is nota bene een oude vrouw vermoord.

# Deze cijfers tonen een kenmerk van het hedendaags antisemitisme: zulke vooroordelen hebben weinig te maken met uitsluiting van moslims in onze samenleving. Zulke opvattingen komen immers veel voor in de islamitische herkomstlanden waar moslims hun stempel drukken op het openbare leven. De gedachte dat discriminatie van deze gelovigen in het land van aankomst bijdraagt tot een afkeer van Joden klopt simpelweg niet.

# Dit antisemitisme is in onze contreien geen marginaal verschijnsel. Uit de vergelijkende studie van de socioloog Ruud Koopmans komt naar voren dat 7 procent van de christenen en 43 procent van de moslims in Frankrijk Joden wantrouwt, in België respectievelijk 7 en 56 procent, in Duitsland 10 en 28 procent en in Nederland gaat het om 8 procent van de christenen en 40 procent van alle moslims. Er zijn dus genoeg moslims met andere opvattingen – in ons land een duidelijke meerderheid –, maar dat vier op de tien volgens zijn onderzoek uit 2014 zulke ideeën koestert is veel.

Moslims komen dus in alle migranten-statistieken het meest voor. Op basis van deze column zullen er volgende wel vragen in de Kamer worden gesteld tijdens het dinsdagse Vragenuur. Maar of dat veel zal opleveren behalve het uiten van afschuw is de vraag. Concrete maatregelen zullen niet worden voorgesteld. Terwijl het instellen een meer ‘eisende’ verlengingsprocedure van verblijfsvergunningen wel degelijk effect zal kunnen hebben: verlenging van een vergunning dienen geweigerd te kunnen worden bij een veroordeling door de rechter.

# Een ander kenmerk van deze vooroordelen is de samenhang tussen religieus fundamentalisme en antisemitisme. Dat geldt zowel voor christenen als voor moslims. Het grote verschil is dat het fundamentalisme in onze tijd veel vaker voorkomt onder moslims dan onder christenen. Deze geloofsstroming blijkt een voorname rol te spelen bij de vorming van vijandbeelden die een open samenleving onder druk zetten.

Als dit het geval is zou de overheid de plicht moeten hebben om een juridische procedure in te stellen vanwege de poging om de samenleving onder druk te zetten door belediging en strijdigheid van de regels van tolerantie.

# Het opkomende fundamentalisme en antisemitisme is uitvoerig gedocumenteerd. We kunnen niet zeggen dat we het niet wisten. Maar doen we er genoeg aan? Nee, want uitgerekend de Rotterdamse en Amsterdamse burgemeesters laten zich op een halfslachtige manier over het salafisme uit. Jozias van Aartsen zette zich onlangs af tegen „het continu hameren op het gevaar van het salafisme” en Ahmed Aboutaleb ging nog verder met de stelling dat alle moslims – inclusief hijzelf – „een beetje salafist” zijn.

Vooral Ahmed Aboutaleb ging de theoretische fout in met zijn op zichzelf juiste want idealistische uitlating dat salafisme de intentie verwoordt dat de ideale moslim/islamiet geheel de levensgang van de profeet probeert na te streven en te manifesteren (vergelijkbaar met de ‘Imitatio Christi’ bij de christenen), terwijl de fundamentalisten in die tijd van Mohammed niet bestonden (want altijd een kwestie van volgende generaties met hun eigen interpretaties) en de salafisten de overdreven godsdienstige uitingen proberen na te volgen door de heidense christenen ronduit beledigen/discriminatie/haatgedrag en te bespotten. En dat zonder te beseffen dat ze in strijd met de Nederlandse wet- en regelgeving handelen.

[Lees ook dit opiniestuk van schrijver Robert Vuijsje: Herdenking 4 mei is de nieuwe Zwarte Piet]

# Ik twijfel niet aan hun motieven – een uitgestoken hand –, maar deze toegeeflijke houding verzwakt de weerbaarheid tegenover religieuze dwingelandij, die hand in hand gaat met een vijandige houding tegenover Joden. Lees het rapport van de inlichtingendienst uit 2015 er nog maar eens op na: zelfs bij de stromingen binnen het salafisme die geweld afwijzen kan prediking leiden tot „het actief oproepen tot discriminatie en haat tegen andere groepen”, waarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar het antisemitisme.

Hoe is het dus mogelijk dat de politiek en de overheid niet optreedt?

# De import van salafisme is dan ook een groot probleem: we kunnen er niet genoeg op hameren. Door de migratie wordt het buitenland steeds meer binnenland. Dat heeft gevolgen, want de belangrijkste bondgenoot in de Arabische wereld is Saoedi-Arabië, een onvervalste theocratie. De koude vrede die men in het Midden-Oosten probeert te verbreiden heeft een hoge prijs: terughoudendheid van de regering tegenover de verbreiding van het salafisme.

Die ‘terughoudendheid van de regering tegenover de verbreiding van het salafisme’ speelt dus overal ter wereld: nergens weet men hoe ze moeten optreden, ook onze overheid niet. Te schandelijk om waar te zijn…

# Gevraagd is juist diplomatieke druk op landen als Saoedi-Arabië om deze ondermijning van de verdraagzaamheid in ons eigen land tegen te gaan. Waarom krijgen haatpredikers eigenlijk een verblijfsvergunning? De lange arm van Riad moet worden afgehakt: voor die ambitie zouden de aanhangers van een middeleeuws strafrecht toch enig begrip moeten kunnen opbrengen.

Wat ze in Saoedi-Arabië doen, moeten ze zelf weten, maar dat onze regering(en) – generaties lang – er niets van kunnen maken en zelfs juridisch in de knoop verstrikt raken, is te gek voor woorden. Armoe troef in onze eigen politieke wereld.

# De migratie van moslimfundamentalisme vormt een gevaar voor de Joodse minderheid, zoveel is inmiddels wel duidelijk. Omdat de gelatenheid tegenover deze dreiging blijft voortduren, verliezen de woorden die jaarlijks bij de dodenherdenking worden gesproken langzaamaan hun betekenis. Wanneer we de hedendaagse haat niet terugdringen, dan zal de stilte die om acht uur de Dam in bezit neemt, worden gevuld met wrokkige verwijten en onbeantwoorde vragen.

Niet ‘langzaamaan hun betekenis’, maar gewoon ‘snel’ hun betekenis, als ook het Nationaal Comité 4 en 5 mei met suggesties durft te gaan komen (in bovengenoemde kader van geimporteerd antisemitisme). Want zij ondergraven zelf onbewust hun eigen waardevolle werk. Wat is immers het nut van herdenken? Dat we de slachtoffers blijven herinneren in een wereld waarin het geweld maar blijft bestaan en dat we ook ‘op voorhand’ achter de ‘vrijwilligers’ staan die het gaan opnemen in verzetsbewegingen die in ieder land bestaan. Iedere toekomstige vijand zal zich dat bewust moeten zijn, of zoals dat in het voormalige Joegoslavië wettelijk was georganiseerd: ‘Iedere vijandige legermacht die het land binnenvalt weet dat er een georganiseerde volksmacht klaar staat om de agressor weg te jagen.’ Dat is het kenmerk en karakter van het verzet. Natuurlijk zullen verzetslieden sneuvelen, maar dan ‘liever dood dan onder de bezetter te moeten leven’.

[Paul Scheffer is hoogleraar Europese Studies. Deze column verschijnt vanaf nu elke woensdag. Van 1990 tot 1997 was hij ook columnist voor NRC.]

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/05/01/herdenken-in-tijden-van-antisemitisme-a1601437

Advertisements