Tags

Posted on 20 februari 2017 by mpnadeboer

De euro is een keurslijf. Daar moeten we zo snel mogelijk van af. Anders zullen we nooit het pad naar duurzame groei terugvinden. Je hoort het te pas en te onpas. Maar het is misleidende onzin.

Het is misleidend omdat opbreken rampzalig zou zijn en ons van een groot deel van ons spaargeld zou beroven. En onzin omdat het gebaseerd is op een drogreden, namelijk dat omdat de eurozone economisch maar zwak presteert, de zwakke prestatie het gevolg is van de euro. Of om met FT-commentator Martin Sandbu te spreken, post hoc ergo propter hoc.

VS en VK

Dollar pond euroOm te beginnen is het aardig om de eurozone met de VS te vergelijken. De Amerikanen hebben in de afgelopen tien jaar één diepe economische crisis meegemaakt; wij twee. Maar kijk je naar het bbp per hoofd van de bevolking, dan heeft de onderste 90% van de Amerikaanse bevolking net zoveel groei gezien als die van de eurozone. En kijk je naar de productiviteitsontwikkeling dan zie je dat de eurozone de laatste jaren sneller groeit dan de VS.

Ook vergeleken met het Verenigd Koninkrijk doet de eurozone het gemiddeld gezien veel beter. Uitgedrukt in koopkrachtpariteit (waarbij gekeken wordt naar wat je daadwerkelijk met je pond of euro kunt doen) dan blijkt dat de welvaartsgroei gemeten vanaf de introductie van de euro voor de gemiddelde Brit duidelijk achterblijft bij die van de Duitser, de Fransman en zelfs de gemiddelde Spanjaard.

Vooruit, de werkloosheid is er laag. Maar dat moet ook wel om nog een beetje mee te kunnen doen. Zo moet een doorsnee Brit vijf dagen werken om hetzelfde te verdienen als een Nederlander in vier dagen doet.

Tsjechoslowakije

Tsjechië. Sinds 2009 wisten de Tsjechen een jaarlijkse groei te realiseren van niet meer dan 0,4%, terwijl de Slowaken 1,6% haalden.

Tsjechië. Sinds 2009 wisten de Tsjechen een jaarlijkse groei te realiseren van niet meer dan 0,4%, terwijl de Slowaken 1,6% haalden.

De gedachte dat de euro een keurslijf is, werd eind vorig jaar wat mij betreft al effectief naar het rijk der fabelen gewezen door Erik Nielsen. In een nieuwsbrief aan zijn klanten vergeleek de hoofdeconoom van UniCredit twee landen die tot 1993 één land vormden en waarvan er één op 1 januari 2009 de euro invoerde (Slowakije) en de ander besloot daar voorlopig van af te zien (Tsjechië).

Sinds 2009 wisten de Tsjechen een jaarlijkse groei te realiseren van niet meer dan 0,4%, terwijl de Slowaken 1,6% haalden. Per hoofd van de bevolking hadden de Tsjechen in 2009 nog een 21% hoger bbp dan de Slowaken, maar vorig jaar was het gat geslonken tot 7%. Nielsen schreef:

‘And I note that these years included the great recession and the eurozone sovereign debt crisis, precisely the type of external shocks which should have favored the country with the flexible FX regime – but not so, in reality.’

Sterker, het was Tsjechië dat in 2012/13 opnieuw in een recessie weggleed tijdens de Europese schuldencrisis, terwijl Slowakije gewoon bleef doorgroeien – zij het niet al te robuust. Nielsen benadrukte hierbij dat beide landen een flink deel van hun ontwikkeling danken aan Duitse en andere West-Europese investeerders, zoals de auto-industrie, en dat het voor deze partijen een duidelijke pre was dat Slowakije de euro hanteerde. Daar liepen ze tenminste geen valutarisico.

Griekenland

De euro is niet perfect. Verre van dat, maar de munt is zeker geen obstakel voor groei, concludeerde Nielsen. Wat belangrijk is, is een goed binnenlands beleid. De media focussen graag op Griekenland en andere kleine eurolanden die economisch worstelen. Vervolgens wordt de euro daarbij als boosdoener gezien. En omdat iedereen elkaar napraat is men het nog gaan geloven ook.

Zondag schreef Nielsen over de weer oplaaiende crisis in Griekenland. Hij stelde: dit is geen verhaal van de euro, maar van het onvermogen van Athene om zijn instituties zodanig te hervormen dat ze in een moderne economie efficiënt kunnen opereren.

Uit de eurozone stappen zal de Grieken niet helpen. Commentatoren die denken dat een terugkeer naar de drachme een noodzakelijke voorwaarde voor herstel is en daarbij wijzen op landen die zich oprichten nadat ze hun munt vrij omlaag hadden laten zweven, winkelen selectief. Brazilië, Indonesië, Thailand en Turkije hebben inderdaad herstel laten zien, nadat ze dankzij een goedkopere munt concurrerender waren geworden. Maar net zo gemakkelijk kun je landen opnoemen die zich wisten op te richten met een gekoppelde munt: Bulgarije en Litouwen bijvoorbeeld, stelde Martin Sandbu van de Financial Times vrijdag in zijn dagelijkse FT Free Lunch.

‘Austerity’

Sandbu haalde in dat commentaar een paper aan van Chris House, Chris Proebsting en Linda Tesar over het bezuinigingsbeleid dat in veel landen na de crisis werd gevoerd. De auteurs betogen dat ‘austerity’ zowel landen met een flexibele munt pijn deed als landen met een vastgeklonken munt. Het was dus niet de euro die een wissel trok op de economie, het was ‘austerity’.

Dat de eurolanden allemaal besloten de broekriem aan te halen, wil niet zeggen dat de euro het probleem was, stelt Sandbu. Er waren alternatieven beschikbaar en als die waren ingezet zouden de eurolanden het veel beter hebben gedaan, maar tragisch genoeg is daarvoor niet gekozen.

In het geval van Griekenland is er door de schuldeisers voor gekozen de Griekse schuld niet te saneren, zoals het IMF altijd voorschrijft bij landen die in een betalingsbalanscrisis belanden. De schuld hangt als een molensteen om de nek van de Grieken en belemmert het herstel. Dat heeft niet met de euro op zich te maken, maar met verkeerde beleidskeuzen. Afgelopen vrijdag schreef ik in een blog dat globalisering niet het probleem is, maar slecht binnenlands beleid. Voor de euro geldt hetzelfde.

Marcel Fratzscher, directeur van het economisch instituut DIW in Berlijn, zit ook op die lijn. Die twitterde zondag dat Duitsers moeten stoppen voortdurend de euro aan te wijzen als zondebok voor nationaal falen.

Geen transferunie

Ik ben het daar helemaal mee eens. Waar het om gaat is dat we gaan nadenken wat er nodig is om de euro voor iedere Europeaan te laten werken. En dat betekent zeker niet dat we zo snel mogelijk naar een begrotings- of transferunie moeten bewegen. Zeker niet. Als dergelijke unies iets bewijzen dan is het wel dat transfers van dynamische naar achterblijvende regio’s heel hardnekkig zijn. Geld blijft eeuwig stromen van West- naar Oost-Duitsland of van Connecticut naar Alabama. Dus dat moeten we niet doen.

We hebben slechts een solidariteitsmechanisme nodig om landen die met economische schokken te maken krijgen tijdelijk te helpen. Maar eigenlijk bestaat die al in de vorm van het OMT-programma van de ECB. Wat we nog niet hebben is een Europese instelling die het economisch beleid coördineert. Door begrotingen en belastingsystemen beter op elkaar af te stemmen kunnen de investeringen gestimuleerd worden, kunnen eventueel de scherpe randjes van hervormingsbeleid worden gehaald en kunnen landen sterker profiteren van de Europese interne markt.

Dat laatste sluit aan bij het denken van de Franse bankgouverneur Villeroy de Galhau. Die hield vorig jaar een pleidooi voor een ‘Financierings- en Investeringsunie’, vormgegeven door een Europees ministerie van financiën. In die unie zouden de Bankenunie, de beoogde geïntegreerde Europese kapitaalmarkt en het investeringsplan van Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker bij elkaar komen. Door regels en gebruiken te harmoniseren zullen bedrijven zich diverser en in heel Europa kunnen financieren en kan het enorme Europese spaaroverschot effectief worden ingezet voor langetermijninvesteringen.

In die unie wordt economische stabilisatie grotendeels georganiseerd door de private sector en niet door de publieke. Tijdens de Europese schuldencrisis trokken partijen uit de kernlanden naar schatting een biljoen (€1000 mrd) aan kapitaal uit de periferie terug, omdat ze het in Zuid-Europa niet meer vertrouwden. Dat was het echte probleem van de euro.

https://fdmarceldeboer.wordpress.com/2017/02/20/hou-op-met-de-euro-overal-de-schuld-van-te-geven/