Tags

,

Evenwicht zoek tussen politiek en krijgsmacht (Theo van den Doel, oud-Kamerlid en veiligheidsdeskundige, opinie/Trouw, 18 oktober)

De politiek verwaarloost de krijgsmacht en negeert signalen van het personeel. Hoog tijd om de relatie te herstellen, zegt Theo van den Doel, oud-Kamerlid en veiligheidsdeskundige.

In de eerste plaats: De politiek heeft de krijgsmacht helemaal niet verwaarloosd aangezien dat tekort door de bocht is. De politiek was gedwongen sinds de jaren van bezuinigingen in het eerste decennium van deze eeuw (kabinetten-Balkenende) zwaar op het defensiebudget te bezuinigen vanwege de EMU-normen en dat betekende op alle onderdelen van de Rijksbegroting gesaneerd moest worden. Het was technisch-materieel en strategisch ook helemaal niet duidelijk in welke richting Defensie aangepast moest worden en daarom waren de eerste grote ontslag- en saneringsronden zelfs niet door Hans Hillen af te wenden.

In de tweede plaats haalt Van den Doel als oud-beroepsmilitair hierna Samuel Huntington erbij en die visie is mijns inziens achterhaald. Dat zal ik de vervolgdelen van die serie uiteenzetten. En de argumenten van Van den Doel in zijn bijdrage aan een breed debat acht ik ook zo zwak van kwaliteit vanwege hij zijn oude vak niet heeft kunnen loslaten dat ik van mening ben dat hij geschreven heeft als defensielobbyist, maar dan in negatieve zin. Het is een slecht betoog dat eigenlijk de schuld bij de politiek neerlegt, terwijl de hoofdschuldige naar mijn mening/inzicht juist bij Defensie zelf ligt doordat de Defensietop/staf nooit in staat is gebleken een moderne en fatsoenlijke Defensienota voor het tijdperk post-‘Val van de Berlijnse Muur’ te produceren.

Het gelijktijdig aftreden van de minister van defensie en de Commandant der Strijdkrachten, begin deze maand, is een precedent in de Nederlandse politieke geschiedenis. Het leidt hopelijk de komende maanden tot een verdere reflectie op de relatie tussen politiek en krijgsmacht.

Zonder enige twijfel zal na het constituerende beraad van vandaag de nieuw aangetreden minister Ank Bijleveld een nieuwe reflectie gaan aansturen en een nieuwe ontwikkelen, want zij heeft de zwaarste portefeuille in handen gekregen, zwaarder dan welk ander departement dan ook, en zij overleeft deze portefeuille alleen als ze het uiterst gestructureerd aanpakt, want haar politieke carrière[1] staat garant voor succes.

In Nederland is deze verhouding niet in balans. Tot welke noodlottige situaties dit kan leiden hebben de rapporten van de Onderzoeksraad voor Veiligheid de afgelopen jaren aangetoond.

Ook hier gaat Van den Doel te kort door de bocht: de rapporten van de Onderzoeksraad maken ook duidelijk wat de Defensietop voor Hennis verzwegen heeft – in modern jargon: onder de pet heeft gehouden – en dat er op voorhand al sprake was van een eigen – politieke – agenda van de Defensietop. En iedere rechtgeaarde topmilitair uit het verleden heeft wat dat betreft ook dezelfde strategie aangehouden als de onlangs afgetreden Defensietop Middendorp die verantwoordelijk was voor het aftreden van Hennis. Zoals ook Van den Doel hieronder schrijft.

Wordt morgen vervolgd.

Elke dag, tijdens buitenlandse missies, doen militairen hun risicovolle werk om de Nederlandse belangen te verdedigen. Zij worden ingezet als gevolg van een politiek besluit, maar diezelfde politiek verwaarloost de krijgsmacht en negeert de signalen van het defensiepersoneel. De leegloop bij defensie en daardoor een tekort aan ervaren en deskundig personeel wordt in Den Haag vooral vertaald in kostenreductie. Immers, elke vacature levert een besparing op.

Dit voorjaar bleek uit een opiniepeiling onder het defensiepersoneel dat ruim twee derde van de respondenten geen vertrouwen had in de militaire top en ruim tachtig procent had geen vertrouwen meer in de minister van defensie. Een adequate reactie van de minister en de Tweede Kamer bleef uit, alsof de krijgsmacht er niet toe doet.

Achtereenvolgende kabinetten, en de Tweede Kamer als controlerend orgaan, hebben de interne en externe veiligheid van ons land in de waagschaal gezet. Maar een politiek en publiek debat is uitgebleven. De grondrechten van militairen zijn ingeperkt. Het recht om te staken geldt niet voor hen. Toch is het ontbreken van die ‘tegenkracht’ niet de reden van de ontstane situatie. De diepere oorzaak ligt in de verhouding tussen politiek en krijgsmacht.

Professionaliteit

Het was de wetenschapper Samuel Huntington, die zich eind jaren vijftig zorgen maakte over de verhoudingen tussen politiek en krijgsmacht in de Verenigde Staten. Als gevolg van de Koude Oorlog was er een grote parate troepenmacht vereist. Dat betekende een nieuwe situatie. De professionaliteit van het officierskorps was sterk toegenomen en militairen hadden hun ‘credits’ verdiend tijdens het succesvolle optreden in de Tweede Wereldoorlog. De invloed van de militairen op politiek en samenleving nam toe. Tegelijkertijd besefte men in Washington dat de krijgsmacht de ‘verzekeringspremie’ was tegen verder onheil.

In zijn klassieke werk ‘The Soldier and the State’ beschrijft Huntington de ideale verhouding tussen politiek en krijgsmacht. Uitgangspunt is de ondergeschiktheid van de militairen aan de politiek, maar tegelijkertijd respecteert de politiek hun professionaliteit. Anders gezegd: de financiële, personele en materiële middelen die benodigd zijn om de door de politiek opgedragen taken uit te voeren, worden aan de krijgsmacht ter beschikking gesteld. De politiek treedt niet in de professionele afweging die de militairen in de defensietop maken. Respect voor elkaars positie. Dat is de balans die Huntington voor ogen had. Dat deze politiek-militaire verhouding zo nu en dan onder druk kan komen te staan is evident. Voortdurend onderhoud is dan ook gewenst.

Nauwelijks aandacht

In Nederland heeft de relatie tussen samenleving en krijgsmacht enerzijds en die tussen politiek en krijgsmacht anderzijds nauwelijks aandacht. Instituties die zich daarmee bezighielden, zijn in het afgelopen decennium door de overheid wegbezuinigd. Zo werd in 2003 de subsidie aan de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht door Defensie stopgezet en bleef niets anders over dan de stichting op te heffen.

De Adviesraad Internationale Aangelegenheden (AIV), een adviesorgaan voor regering en parlement, schreef in 2006 daarover dat Defensie zich hiermee op langere termijn mogelijk ‘in de eigen voet heeft geschoten’. Door het wereldwijd optreden van de krijgsmacht is ook de rol en de invloed van het ministerie van buitenlandse zaken toegenomen. De deelname aan belangrijke buitenlandse missies versterkt de Nederlandse internationale positie. De verlenging van de missie in Mali was binnenskamers al lang een uitgemaakte zaak, omdat Nederland vanaf 2018 tijdelijk deel gaat uitmaken van de VN-Veiligheidsraad. Vertrekken uit Mali is dan geen optie.

Spagaat

De instelling van de Commandant der Strijdkrachten had begin deze eeuw vooral een politieke en geen militaire reden. Het ministerie van defensie kreeg hierdoor meer grip op de krijgs-machtdelen. Het was vooral een operatie om de politieke risico’s te minimaliseren. De Commandant der Strijdkrachten werd niet alleen de hoogste commandant, maar ook de eerste mili-taire adviseur van de minister.

Door deze constructie is deze functionaris in een spagaat terechtgekomen, waardoor de professionele afweging onder druk kan komen te staan. Bij zijn aftreden zei de Commandant der Strijdkrachten: “De grens van wat de krijgsmacht kan is allang bereikt”.

Maar sinds 1994 heeft geen enkele generaal tijdens de uitoefening van zijn functie een streep in het zand getrokken en zijn ontslag genomen. De loyaliteit aan de politiek heeft voorrang gekregen boven het op verantwoorde wijze kunnen uitvoeren van de opgedragen taken.

In sommige gevallen, zo bleek uit een recent promotieonderzoek over de missie naar Uruzgan, is de Commandant der Strijdkrachten op de stoel van de politiek gaan zitten door vooraf al een financieel plafond op te leggen aan de krijgsmachtdelen over de uit te voeren missie. Militaire adviseurs die de operationele uitvoering ondergeschikt maken aan de politieke wenselijkheid doen afbreuk aan hun eigen professionaliteit. Zij doen daarmee het personeel in de krijgsmacht tekort.

Het wordt hoog tijd dat men de theorie van Huntington uit de kast haalt en dat de – nu verstoorde – balans tussen politiek en krijgsmacht wordt hersteld.

De nieuwe minister van defensie kan daarmee direct aan de slag.

https://www.trouw.nl/opinie/het-evenwicht-tussen-politiek-en-krijgsmacht-is-zoek-~a980fae8/

 

[1] ‘Bijleveld keert in 2007 terug om staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te worden. Als ‘stas’ zorgde zij voor de bestuurlijke vernieuwingen  van de Nederlandse Antillen die leidden tot de nieuwe status van Curaçao en Sint Maarten (aparte landen) en Bonaire, Sint Eustatius en Saba (bijzondere gemeenten).’ [bron: https://www.nu.nl/politiek/4979048/profiel-ank-bijleveld-cda-minister-van-defensie.html]. Conclusie luidt dus dat als je de bestuurlijke vernieuwing van de Antillen op je naam hebt geschreven, je een huzarenstuk hebt volbracht. Dat maakt haar geschikt om Defensie te hervormen.

Advertisements