Tags

,

Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 136 van het Reglement van Orde.

Vragen Van der Staaij

Vragen van het lid Van der Staaij aan de minister van Veiligheid en Justitie over het bericht “Coöperatie laatste wil vindt middel voor levensbeëindiging”.

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de Voorzitter. Het zal je maar gebeuren dat je als ouders ontdekt dat je 19-jarige zoon zelfmoord heeft gepleegd op zijn kamer dankzij 2 gram conserveringsmiddel, verkregen via Coöperatie Laatste Wil. Het zal je maar gebeuren dat je vriend omgekomen is onder vreemde omstandigheden. Iemand had stiekem 2 gram conserveringsmiddel in zijn koffie geroerd, gekregen via Coöperatie Laatste Wil.

De SGP vindt het een onverantwoord plan dat de coöperatie in de afgelopen weken lanceerde. Leden van die club krijgen na een halfjaar de naam ingefluisterd van een conserveringsmiddel dat kan worden gebruikt als dodelijk middel. Ook al gebruik je duizend keer de term “waardige dood”, wij zien dat als onwaardig en onverantwoord. En ook al zou je, anders dan de SGP wil, meer ruimte willen bieden voor hulp bij zelfdoding, dan nog is dit toch niet de weg? Alleen al het gevaar van misbruik is hier toch zonneklaar? Er is geen enkele toetsing van iemands psychische gesteldheid, er is geen enkele waarborg om te voorkomen dat het middel in verkeerde handen valt, er hoeft helemaal geen hulpverlener of wie dan ook aan te pas te komen en het kan dus ook worden gebruikt om een ander te vermoorden.

De SGP maakt zich bovendien grote zorgen over de effecten van deze plannen op psychisch zieke mensen die worstelen met suïcidale gedachten. Is dit ook geen ondermijning van het hele beleid om juist het aantal zelfmoorden omlaag te brengen? De coöperatie stelt trots dat dit middel legaal zou zijn. Wat is het oordeel van de minister hierover? Het is toch totaal iets anders om een middel voor conservering te gebruiken dan het als dodelijk middel te hanteren?

Wat gaat de minister doen om te voorkomen dat dit plan werkelijkheid wordt? Is hij op zijn minst bereid om de vrije verkrijgbaarheid van dit conserveringsmiddel als dodelijk middel tegen te gaan?

Is de minister tot slot bereid om te onderzoeken of de coöperatie zelf ook kan worden aangepakt naar aanleiding van deze onverantwoorde actie?

De voorzitter:

Het woord is aan de minister.

Minister Blok:

Voorzitter. De heer Van der Staaij gaat in op de bekendmaking die door Coöperatie Laatste Wil is gedaan over het beschikbaar zijn van een middel, gericht op zelfdoding. Zoals de heer Van der Staaij ongetwijfeld weet, is het beleid van de overheid erop gericht om zelfdoding zo veel mogelijk te voorkomen en mensen die zelfdoding overwegen daar ook van af te brengen. Daarvoor voeren we ook gerichte campagnes.

Het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat degene die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of hem daartoe de middelen verschaft, een strafbaar feit pleegt indien de zelfdoding ook daadwerkelijk volgt.

Nu gaan een aantal vragen van de heer Van der Staaij in op dit specifieke geval. Hij vraagt mij of de actie van Laatste Wil juist is, of ik daarop in ga grijpen en of ik een onderzoek ga doen naar deze coöperatie. Zoals de heer Van der Staaij weet, is het in een rechtsstaat niet de minister die beslist over vervolging, het is ook niet de minister die oordeelt. Het is het Openbaar Ministerie dat beslist over vervolging, dus ook in een geval als dit zal het Openbaar Ministerie de feiten moeten wegen en moeten beoordelen of het overgaat tot vervolging. Mocht het Openbaar Ministerie daartoe besluiten, dan is het aan de rechter om te beslissen of daar maatregelen op moeten volgen. Het wetgevende kader is helder. De individuele gevallen worden niet door de minister beoordeeld maar door het Openbaar Ministerie en de rechter.

De heer Van der Staaij (SGP):

Dank voor de reactie van de minister. Ik ben in ieder geval blij dat hij in het begin duidelijk stelde dat het beleid van de overheid erop gericht is om zelfdoding te voorkomen en zelfmoord tegen te gaan. Ook 113 Zelfmoordpreventie wordt in dit kader gesteund, die zich ook keerde tegen deze plannen. Maar ik vind dat de minister er vervolgens wel erg gemakkelijk aan voorbijgaat dat er nu ook wel een mening wordt gevraagd van de overheid of het legaal is. Want dat is wel de stelling. We hoeven niet altijd vervolging af te wachten om te zeggen dat we vinden dat het niet kan. Ik herinner mij ook discussies over motorbendes. Mag wat zij doen nu wel of niet? Dan zeggen we ook niet: dat is alleen aan de rechter en daar hebben we het verder niet over. Mijn vraag aan de minister is dan ook of hij een eigen oordeel erover heeft. Of zegt hij eigenlijk: ik weet niet of dit kan? Of: het is een heel duidelijk plan en we vertellen gewoon welk middel het is? Kan dit in de visie van de minister, zo is mijn simpele vraag.

Vreemd dat het ‘grondwettelijk geweten’ van de Tweede Kamer, hier toch vreemde opmerkingen plaatst. 1. Op de opmerking dat de ‘minister er vervolgens wel erg gemakkelijk aan voorbijgaat dat er nu ook wel een mening wordt gevraagd van de overheid of het legaal is’, is per definitie geen antwoord te geven omdat het nooit gaat om een minister die een mening heeft, maar om een minister die als onderdeel van het ‘college van ministers’ een collegiale verantwoordelijkheid heeft namens het kabinet en dus met één mond spreekt. Een minister met een eigen mening is dus on onbestaand iets in het staatsrecht. 2. Bepaalde zaken of handelingen die twijfels kunnen oproepen zoals motorbendes, zijn niet om die oorzaak strafbaar, maar om strafbare feiten die als delicten nauwkeurig in het wetboek staan vermeld. Alleen daarop kan een bepaalde vraag beantwoord worden. Kortom, de vraag sec of ‘Mag wat zij doen nu wel of niet? Dan zeggen we ook niet: dat is alleen aan de rechter en daar hebben we het verder niet over’, is een onzinnige stelling. Motorclubs kunnen nooit op voorhand verboden worden, want dat doe je met sportverenigingen ook niet. Het gaat erom wat de leden van die motorclub doen en dat weet Van der Staaij ook. Een heel vreemde start van dit Kamerlid aan het begin van het nieuwe parlementaire seizoen.

Dan mijn vervolgvraag. Als nu een bepaald conserveringsmiddel wordt aangekondigd dat een heel ander doel heeft en op deze manier misbruikt wordt ingezet, dan is het de vraag, ook als je je er niet strafrechtelijk over wilt uitlaten, of je dat zomaar lijdzaam wilt afwachten. Of zeg je dan: maar dat is niet de bedoeling en vanuit de bescherming van het leven hebben we er als overheid een taak in om op z’n minst te zeggen dat een middel dat voor conserveringsdoeleinden is bestemd, niet gebruikt kan gaan worden voor het doden van jezelf, zeker met alle risico’s van misbruik? Ik hoor dus toch heel graag een nadere reactie van de minister op deze vragen.

Dat soort maatschappelijke ontwikkelingen – er wordt op een zeker moment ontdekt dat een middel anders kan worden gebruikt dan waarvoor het geproduceerd wordt – is nier vooraf te voorzien of te voorspellen. En dus zit er iets krampachtigs in deze Kamervraag van het SGP-Kamerlid.

Minister Blok:

De heer Van der Staaij snijdt inderdaad een zeer belangrijk maatschappelijk gevoelig onderwerp aan, te weten zelfdoding en hulp bij zelfdoding. De waarborgen van de rechtsstaat zijn er juist voor om, wanneer we het over zeer gevoelige onderwerpen hebben waar we allemaal beelden bij hebben en meningen over hebben, de rechtsstaat op een zuivere manier te laten werken. De heer Van der Staaij vraagt mij wat ik van dit middel vind en wat ik van deze zaak vind. Het gaat om een individuele zaak. Het gaat om een specifiek middel. De minister van Veiligheid en Justitie is verantwoordelijk voor de wetgeving en voor een goede werking van het juridische systeem in Nederland maar niet voor de beoordeling in individuele zaken. Het Openbaar Ministerie in Nederland heeft alle instrumenten die nodig zijn om een individuele zaak als deze te beoordelen en zal dat ongetwijfeld ook doen wanneer het daar aanleiding voor ziet. Het Openbaar Ministerie weet dan zeer goed de weg naar de rechter te volgen. Maar het is niet aan de minister om in individuele zaken te oordelen.

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Van der Staaij.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter, tot slot. Dat is de strafrechtelijke kant van de zaak, waarvan ik zo-even al heb gezegd dat ik dat te gemakkelijk vind. Maar dan het andere punt. Als er nu de bekendheid is dat op deze manier zo’n coöperatie de mensen gaat vertellen dat zo’n middeltje verkrijgbaar is, dan kan de minister toch niet blijven wegkijken en zeggen: we wachten wel af? Dan is er toch ook een overheidsverantwoordelijkheid om te zeggen: maar dat is niet de bedoeling, daar gaan we wat aan doen?

Minister Blok:

Ook dat vraagt heel grote precisie, in de zin van: dat is niet [?] aan de orde.[1] Dat vraagt in iedere specifieke zaak een heel scherp oordeel over wat er aan de orde is. Het Wetboek van Strafrecht geeft aan: hulp bij zelfdoding die leidt tot zelfdoding. Of dat in dit specifieke geval of een ander geval ook zo is, is niet aan de minister om te beoordelen maar aan het Openbaar Ministerie en de rechter.

De conclusie moet zijn dat parlementariër Van der Staaij hier de verkeerde vragen heeft gesteld omdat de minister er langs formeel juridische weg (of liever redenering) er gemakkelijk om heen kon praten. En ook terecht zo door de minister aangepakt en beantwoord, want anders ontstaat er een warboel in plaats van een discrete discussie. Dit gedeelte van het debat mag als leerstof worden aangeboden aan studenten in het (staats)recht.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Van der Staaij.

De heer Krol (50PLUS):

Mevrouw de voorzitter. Ik heb zelden meegemaakt dat het tijdens het mondelinge vragenuur zo stil in de zaal was als nu. En dat begrijp ik, want dit is een onderwerp dat zo diep ingrijpt. Ik begrijp ook dat de minister niet echt de antwoorden geeft op de vragen van collega Van der Staaij. Dit is zo belangrijk. Zouden we dit onderwerp in plaats van nu in een kwartiertje niet veel uitgebreider op een ander moment kunnen behandelen? Dit is namelijk iets waar heel veel Nederlanders mee zitten. Ik vind het dan eigenlijk niet netjes om dit nu in het vragenuurtje in vijftien minuten af te doen.

De vraag of dit thema, ‘dit onderwerp in plaats van nu in een kwartiertje niet veel uitgebreider op een ander moment kunnen behandelen’, zal weinig zin hebben want dient eerder door een bijeenkomst met OM’ers besproken te worden, omdat minister Blok precies heeft geantwoord, zoals het een minister betaamt om dat te doen, namelijk de juridisch juiste en zuivere aanpak te kiezen.  

De voorzitter:

Dit is een procedurele opmerking. Het is wel een onderwerp dat veel mensen bezighoudt en dat hoort ook in de Kamer te worden besproken.

Mevrouw Marijnissen (SP):

Mijn vraag ligt eigenlijk in het verlengde van het verhaal van de heer Van der Staaij maar gaat wat dieper in op het gegeven dat wanneer dit middel op de markt zou komen, er echt wel sprake is van een manier om zelfdoding te regisseren zonder dat er sprake is van tussenkomst van bijvoorbeeld een behandelend arts. Ik ben heel erg benieuwd hoe de bewindspersoon aankijkt tegen dat gegeven, zeker in de context dat dit zo’n gevoelig onderwerp is. Door de manier waarop dit middel verkrijgbaar zou zijn is er, hoe je het ook wendt of keert, toch enigszins sprake van normalisering. Acht de minister dit wenselijk zonder tussenkomst van in dit geval een psychiater of een psycholoog?

Minister Blok:

Ook mevrouw Marijnissen wijst op het belang en de gevoeligheid van het onderwerp. Vervolgens vraagt zij mij om een oordeel over dat middel. Welk middel? Zelfs dat weten we niet. We weten uit publicaties dat het mogelijk om een conserveermiddel zou gaan. Terwijl we het met elkaar eens zijn — daar heb ik geen verschil gehoord tussen de sprekers — dat het een belangrijk onderwerp is dat om een zorgvuldige behandeling vraagt, wordt aan mij als minister gevraagd om hier even een oordeel te vellen. Ik heb hier heel veel debatten mogen voeren over de rechtsstaat met mensen die daar zorgen over hebben. Bij zo’n belangrijk onderwerp kan het toch niet zo zijn dat mij wordt gevraagd om in het vragenuurtje even een oordeel te geven over een specifieke zaak?

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik ben het met iedereen eens dat dit een kwetsbaar en tegelijkertijd heel belangwekkend onderwerp is. Mijn vraag gaat over de procedure die moet worden doorlopen om het middel te verkrijgen. Ik heb begrepen dat je 18 jaar moet zijn en een halfjaar lid moet zijn van de coöperatie. De coöperatie verstrekt het middel dan zonder verdere toets en stelt zich er niet van op de hoogte wie het middel krijgt. Je moet ook afspraken maken met andere mensen, dus er is één persoon die het vraagt maar vervolgens zijn er ook weer afspraken in groepsverband. Dat kunnen tien mensen, twintig mensen zijn; we weten het niet. Kortom, de veiligheid van mensen is hier in het geding, of in ieder geval het veiligheidsgevoel van mensen en daarmee ook het veiligheidsgevoel in onze samenleving. Ik vraag de minister om dan niet met dit soort bureaucratische antwoorden te komen, maar om hier een reactie op te geven. Spreek vanuit uw hart, minister, want hier is aan de orde dat mensen echt hun gevoel van veiligheid gaan verliezen. We weten niet in welke handen dit terecht gaat komen …

Met deze laatste zinnen wordt de spanning besproken tussen het zakelijke en juridisch logische aanpak om een debat zuiver te houden en niet te vervallen in een overmaat aan emotionaliteit, waaraan een politiek debat ook ten ondergaat. Want daarvan is deze wereld en de media al vergeven.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Dik-Faber.

Minister Blok:

Mevrouw Dik-Faber doet zichzelf tekort door de minister van Veiligheid en Justitie te verwijten dat hij technocratische antwoorden geeft op het moment dat hij opkomt voor de werking van de rechtsstaat. Ook mevrouw Dik-Faber vraagt daarna wat de minister vindt van deze specifieke zaak, waarover ook mevrouw Dik-Faber het met mij eens moet zijn dat het in een rechtsstaat zo geregeld is dat dit aan het Openbaar Ministerie en de rechter is. Dat is geen technocratie; dit hebben we om heel goede redenen zo geregeld.

Volkomen juist geformuleerd.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dan kijken de juristen weer mee. Ik ben op zich heel blij dat de minister aangeeft dat we niet met een korte klap een oplossing hiervoor hebben. We moeten het doorzien. Ik vraag de minister wel of hij datgene wat we in ons wetboek hebben, nader wil laten evalueren of laten bezien. Artikel 46 betreft de strafbare voorbereiding, maar dat gaat dan weer niet op bij artikel 2.94 waarmee dit strafbaar wordt gesteld. Wil de minister daarop een analyse loslaten en daarover rustig een brief schrijven aan de Kamer? Dan kunnen we ook voldoen aan het verzoek van de heer Krol om ervoor te zorgen dat we hierover kunnen debatteren. We moeten bekijken hoe we dit indien gewenst — het CDA vindt dat belangrijk — strafrechtelijk kunnen behandelen.

Minister Blok:

Ik waardeer op zich het zoeken naar een zorgvuldige procedure en daarmee het creëren van onderbouwing en ook rust in de discussie. Ik denk wel dat dit pas logisch is wanneer er meer bekend is over het middel en een eventuele vervolgingsbeslissing. Nogmaals, wij reageren allemaal op persberichten over een belangrijk onderwerp. Ik zeg graag toe dat er, zodra er meer bekend is over deze aspecten, een brief komt waarin beide wetsartikelen nog eens worden gewogen. Nu vind ik het echt te kort dag daarvoor.

De heer Bisschop (SGP):

Aan de debatten met de minister waaraan staatsrechtelijke elementen verbonden waren, bewaar ik uitstekende herinneringen. Ik heb altijd ook heel veel waardering gehad voor de wijze waarop de minister zich hierin positioneerde. Maar hier is toch iets meer aan de hand dan alleen de staatsrechtelijke dimensie. Maakt de minister zich, gezien de hele wijze waarop dit wordt gepresenteerd en de laagdrempelige verkrijgbaarheid die wordt voorgespiegeld, eigenlijk niet een beetje zorgen dat dit kwetsbare mensen in ongelooflijk gevaarlijke posities brengt? Vindt hij niet dat aantasting van de rechtsstaat hier op de loer ligt?

Minister Blok:

Allereerst dank ik de heer Bisschop natuurlijk voor zijn vriendelijke woorden. Zeker, ik kijk misschien niet per se met zorg, maar wel met grote concentratie naar de vraag: wat gebeurt hier en blijft dat binnen de randen van de rechtsstaat? Nogmaals: het gaat om een ongelofelijk belangrijk onderwerp, waar ieder van ons zijn gedachten bij heeft. Ik realiseer me hoe ongelofelijk belangrijk dit is. Ik realiseer me ook dat de instellingen van onze rechtsstaat, het Openbaar Ministerie als instelling die mogelijk criminele feiten onderzoekt en voor de rechter brengt en de rechter die daar onafhankelijk over oordeelt, volledig in staat zijn om op te treden als dat nodig is. Ze hebben daar in het verleden blijk van gegeven. Er zijn immers ook vele rechterlijke uitspraken rond dit soort vraagstukken. Ik weet dus dat de instellingen van onze rechtsstaat goed werken. Ik weet ook dat ons beeld incompleet is. We weten niet over welk middel het gaat. Er zijn wel aankondigingen gedaan, maar dat zijn krantenberichten. Juist daarom vind ik dat ik de instellingen van de rechtsstaat nu gewoon hun werk moet laten doen. Zoals ik net aan mevrouw Van Toorenburg al aangaf, ben ik, zodra wij wat meer weten over deze concrete casus, graag bereid om daar bij de Kamer op terug te komen.

De voorzitter:

Dank u wel.

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/plenaire_verslagen/detail?vj=2016-2017&nr=98&version=2

 

[1] Wat zegt de minister hier precies?

Advertisements