Tags

Een crisis over embryo-onderzoek kostte het kabinet Balkenende-IV bijna de kop. De hoofdrolspelers van toen waarschuwen de huidige onderhandelaars.

Enzo van Steenbergen, nrc, 28-8-17

28 augustus 2017 om 15:55

Vicepremier Rouvoet en minister Bussemaker samen op de tribune bij de EK-wedstrijd tegen Roemenië in juni 2008, vlak na de dreigende kabinetscrisis rond embryoselectie. (Foto Ed Oudenaarden / ANP)

Het is al laat, als op maandagavond 26 mei 2008, de telefoon van Jet Bussemaker rinkelt. Bussemaker, staatssecretaris van Volksgezondheid, is net te gast geweest in het televisieprogramma Netwerk. Ze heeft daar uitgelegd waarom ze extra wetenschappelijk onderzoek met embryo’s gaat toestaan. Op haar telefoonschermpje staat de naam van vicepremier en leider van de ChristenUnie André Rouvoet.

Bussemaker, nu: „Hij ontplofte.”

Rouvoet: „Ik was woest.”

Die avond begint een crisis die het vierde kabinet onder leiding van premier Jan-Peter Balkenende (CDA) bijna de kop kost. Bussemaker: „Voor mij was het een totale verrassing dat dit leidde tot een crisis.” Rouvoet: „Jet was verrast over mijn woede, maar ze had moeten aanvoelen dat dit voor de ChristenUnie niet te dragen was. Ik besefte meteen dat het kabinet erover kon vallen.”

Weinig mensen hebben in de praktijk ervaren hoe moeilijk het is om medisch-ethische politiek te voeren in een kabinet dat progressief en christelijk-conservatief verbindt. Zo’n kabinet lijkt er nu – net als in 2007 – weer te komen, als VVD, CDA, D66 en de ChristenUnie tenminste hun onderhandelingen succesvol afronden. Alle vier de fracties worden dezer dagen bijgepraat over de vorderingen. Net als tijdens de formatiebesprekingen voor Balkenende-IV zijn er drie grote discussiepunten: euthanasie, abortus en embryo-onderzoek.

Mag uit deze formulering worden afgeleid dat dit inderdaad de hoofdpunten voor het komende kabinet zijn en geen vraagstukken als klimaat, veiligheid en terrorisme? Dat dus de medisch-ethische dossiers niet als een vrije kwestie aan de Kamer worden overgelaten? In dat geval zal de handige premier als Rutte ervoor zorgen dat deze voornemens zo in de tijd vooruitgeschoven worden dat het niet tot een plenaire behandeling en besluitvorming zal komen, omdat Rutte zijn laatste kabinet niet zal laten vallen.

Routiniers in de Haagse politiek

Jet Bussemaker (Capelle aan den IJssel, 1961) werd in 1998 in de Tweede Kamer gekozen voor de PvdA. Ze bleef Kamerlid tot 2007, toen ze staatssecretaris van Volksgezondheid werd in Balkenende IV. In 2011 was Bussemaker een tijdje rector van de Hogeschool van Amsterdam. In 2012 begon ze aan haar huidige baan: minister van Onderwijs in het kabinet-Rutte II.

André Rouvoet (Hilversum, 1962) kwam in 1994 in de Tweede Kamer voor de RPF, die later opging in de ChristenUnie (CU). In 2002 werd hij partijleider van de CU, waarmee hij in 2007 in het kabinet Balkenende IV stapte. Rouvoet werd vicepremier en minister voor Jeugd en Gezin. In 2011 verliet hij de politiek, waarna hij in februari 2012 aantrad als voorzitter van Zorgverzekeraars Nederland, nog altijd zijn huidige functie.

Sektarisch

Op verzoek van NRC blikken verschillende bewindslieden uit Balkenende-IV terug op die heikele onderwerpen. Ernst Hirsch Ballin (CDA), destijds minister van Justitie, roemt het „stabiele beleid” dat Balkenende-IV voerde op medisch-ethisch vlak. Eimert van Middelkoop (CU), toen minister van Defensie, zegt dat samenwerken met de PvdA op dit terrein veel makkelijker is dan met D66. „De PvdA heeft niet de neiging alles direct in de ideologische hoek te drukken. D66 is op dat gebied sektarisch.”

Als Van Middelkoop dit inderdaad heeft gezegd, dan is het de vraag of hij een juiste inschatting van de huidige situatie heeft gemaakt, omdat het moeilijk voor te stellen is dat D66 sektarisch voorgesteld wordt, terwijl omgekeerd juist de CU sektarisch, want ‘orthodox met een sociaal randje’ is, en daarmee verschillend van het SGP.

De hoofdrolspelers van toen, Bussemaker en Rouvoet, denken deze weken vaak terug aan hun onenigheid in Balkenende-IV. Allebei zeggen ze: laat die botsing over embryo-onderzoek een waarschuwing zijn voor het aanstaande kabinet. En dan vooral voor de medisch-ethische tegenpolen D66 en ChristenUnie. Rouvoet: „De partijen moeten vier jaar lang bereid zijn te slikken, hun mond te houden. Prudentie, daar gaat het om. Alleen dan red je het.”

Rouvoet heeft natuurlijk gelijk dat je alleen onder die voorwaarde (‘bereidheid tot slikken’) een kabinet overeind kunt houden en vandaar dat de Gulden Middenweg van toepassing is: maak genoemde thema’s tot een vrije kwestie.

Bussemaker: „Als progressief politicus zit je klem tussen mensen met totaal andere denkbeelden over medische ethiek. Voor je het weet raak je een gevoelige snaar. Dan barst meteen de bom.” Elke formulering ligt gevoelig, vertelt Bussemaker.

Bussemaker heeft hier gelijk want zij heeft die gevoeligheid in het afgelopen kabinet dagelijks gevoeld en zij weet als geen ander dat het zwijgen van de PvdA hen de historische nederlaag heeft opgeleverd. Omdat partij- en fractieleider Samsom de publicitaire pen niet heeft gehanteerd en waarschijnlijk alleen maar bezig was met brandjes blussen in de achterban, die mogelijkerwijs in opstand was gekomen.

Premier Balkenende tijdens een onderonsje met vicepremier Rouvoet in de Tweede Kamer. (Foto ANP.

Baas in eigen buik

Het begon zo goed, op het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Alle drie de bewindslieden hielden kantoor op dezelfde gang: de ministers Ab Klink (Volksgezondheid, CDA), André Rouvoet (Jeugd en Gezin) en staatssecretaris Jet Bussemaker (Volksgezondheid). Binnenlopen was zo een kleine moeite.

De drie hadden, zo leek het, goed geluisterd naar Gerda Verburg, namens het CDA minister van Landbouw. Vlak voor de bordesscène van het kabinet toverde ze tijdens een diner met de bewindslieden pakjes allesbinder te voorschijn. Die had het kabinet hard nodig!, riep ze vrolijk. Er werd hard om gelachen.

Maar al snel voelden ze op het ministerie van VWS dat Verburg het goed had gezien. Klink, Rouvoet en Bussemaker waren begonnen aan een balanceeract, die jaren zou duren. De eerste Kamerbrief van Bussemaker werd gezien als realitycheck. Ze werkte er wekenlang aan: 29 kantjes over medische ethiek die het uitgangspunt moesten vormen voor haar beleid.

Er zou betere voorlichting komen over tienerzwangerschappen, er kwam verbeterde palliatieve zorg in de laatste levensfase en hospices kregen extra geld – op meer punten hadden de partijen elkaar niet kunnen vinden in de formatie. De belangrijkste boodschap in de brief: er was een ‘status quo’ afgesproken over drie punten: euthanasie, abortus en embryo-onderzoek.

Bussemaker leest een paar zinnen uit de brief voor: „In het kabinetsbeleid staan bepaalde waarden centraal: autonomie, de beschermwaardigheid van het leven en goede zorg.” Ze kijkt even op van het papier: „Autonomie was voor de progressieven, beschermwaardigheid van het leven voor de christelijke politici. Zo sloegen we ons door zulke brieven heen.”

Ze vervolgt haar voordracht: „Ter bescherming van de menselijke waardigheid zijn er normen waaraan we in onze rechtsstaat allen gebonden zijn, ongeacht de politieke voorkeur en ongeacht de kleur van het coalitieakkoord.”

Omdat D66 nu de euthanasiewetgeving wil gaan ‘oprekken’, komt deze partij in een fundamenteel conflict met de aanstaande christelijke coalitiefracties. En de seculiere fracties VVD en D66 willen ongetwijfeld embryo-onderzoek mogelijk maken, en dat zou mijns inziens ook – in beperkte mate, gelet op de politieke gevoeligheden – mogelijk moeten zijn, vooral omdat we in de politiek alleen spreken over het gevestigde christelijke partijpolitiek en niet over de buitenkerkelijke christenen in ons land, waarvan ik veen voorbeeld ben.

Het grote verschil kan ik hierbij ook uitleggen: de institutionele christelijke kerken zijn dogmatisch denkende gelovigen die niet buiten de officiële kerkleer durven te treden. Daar bestaat dus de factor geen scheiding van kerk en staat. Terwijl de onafhankelijke christenen buiten iedere organisatievorm om een eigen christelijke verantwoordelijkheid voelen die op eigen innerlijke gezag geformuleerd kan worden. Dat betekent juist op het terrein van drie genoemde ethische onderdelen (abortus, euthanasie en embryo-onderzoek) dat strikte grenzen moeten kunnen worden geformuleerd en dus ‘georganiseerd’ – in de wetenschap dat de medische wereld zich ook verder ontwikkelt en innoveert -, of de christelijke orthodoxen het daarmee eens zijn of niet. En waarin ik verschil met volkomen seculiere, technocratische medische ingrepen: over willekeurige welke orgaantransplantaties heb ik mijn twijfels.

Já, jááá!, roept Bussemaker. „Menselijke waardigheid, dat woord gebruikten we cónstant.”

Rouvoet was ook zenuwachtig over de brief. Het liefst had hij hem gedicteerd, maar het was zijn portefeuille nu eenmaal niet. Hij kreeg de brief voor publicatie en las een passage over abortus. Bussemaker merkte op dat vrouwen „baas in eigen buik” blijven. Dat steekt Rouvoet – het gaat in tegen het idee van het menselijk leven dat door God gegeven is. „Je zult begrijpen”, zei Rouvoet tegen Bussemaker, „dat de formulering ‘baas in eigen buik’ voor ons lastig ligt.”

Hier doet zich nog een voorbeeld voor waar ik als onafhankelijk christen anders denk dan de orthodoxen: het menselijk leven is niet door God gegeven omdat ik mijn visie God (of liever de Bron) in ieder mensen aanwezig is. Alle, met name vrouwen, die voor de ethische afweging staan om een al (dan niet) noodzakelijke abortus te ondergaan, laten via hun eigen geweten God in hun hart spreken. Kortom, dat God als externe macht door de orthodoxen het leidmotief is, is hun recht vanwege hun overtuiging maar geen onoverkomelijk recht, wat dat bestaat niet. Het is hun mening en niets anders. Zij kunnen kortom ook niet pretenderen dat zij in naam van God spreken. Daar staan simpelweg andere meningen van God tegenover. Ik ben me hiermee ook zeer wel bewust dat ik hiermee tegen een grote hoeveelheid tenen aantrap, maar nu onze gepolariseerde maatschappij (en politieke toneel) zo erg uit de hand dreigt te lopen, stel ik maar vast dat ik mijn eigen verantwoordelijkheid neem – of tenminste bereid ben ‘in woord en geschrift’ te nemen – om dit land nog regeerbaar te houden.

Dat begreep Bussemaker inderdaad. Ze paste de tekst aan.

Rouvoet: „Alles, echt alles, behoeft zorgvuldigheid in zo’n kabinet. Ik vond dat Jet daarin zeer royaal was.”

Bussemaker: „Bij de ChristenUnie hebben ze vaak het gevoel dat ze een achterhoede vormen. Dat ‘wij’ het niet goed vinden hoe ‘zij’ denken. Als bewindspersoon in zo’n kabinet moet je heel duidelijk maken dat je de wens van de minderheid respecteert. We vergeten dat wel eens in Den Haag, maar een volgend kabinet kan zich dat zeker niet permitteren. Politici van de ChristenUnie voelen zich in die zin snel bedreigd. Ze hebben oprecht de angst dat hun levensvisie niet serieus wordt genomen.”

Staatssecretaris van Volkgezondheid Bussemaker (rechts) en minister Ab Klink (CDA) in juni 2008 tijdens het debat over embryoselectie. (Foto Valerie Kuypers / ANP)

Embryo-crisis

En dan, ondanks alle betrachte voorzichtigheid, gaat het toch mis in mei 2008. Wat Bussemaker wil veranderen, lijkt voor haar een kleinigheid. Ze wil dat selectie van embryo’s mogelijk wordt voor vrouwen met een ernstige vorm van (genetische) kanker, zoals darm- of borstkanker. Van embryo’s zouden cellen worden afgenomen om te onderzoeken op een genetische afwijking. Alleen ‘gezonde’ embryo’s zouden worden teruggeplaatst bij vrouwen met een kinderwens.

Voor dat besluit was geen wetswijziging nodig en het hoefde niet door de ministerraad te worden goedgekeurd, schreef Bussemaker aan de Tweede Kamer. Het zou slechts gaan om een „nuanceverschil” met het beleid van haar voorganger. Embryo’s konden tenslotte al getest worden op ernstige erfelijke ziekten zoals de ziekte van Huntington (hersenaandoening). En formeel werd ziekenhuizen al ruimte geboden verder te gaan met embryoselectie. Dus als het kabinet geen streep zou trekken, konden ze die ruimte zelf invullen. Bovendien: er was een lange geschiedenis aan vooraf gegaan met Kamerdebatten, gesprekken met Kamerleden, een adviescommissie – met een vertegenwoordiger van de ChristenUnie-hoek. Die had unaniem positief geadviseerd.

Bussemaker dacht dat haar handeling zelfs zó onbeduidend was, dat ze van tevoren niet overlegde met Rouvoet. „Ik legde niet bij elke stap verantwoording af aan Rouvoet. Deze brief heb ik hem bewust niet voorgelegd.”

Toch heeft de ChristenUnie een groot probleem met het voorstel: een ziekte als Huntington treedt namelijk zéker op bij een drager van het gen, maar dat hoeft niet te gelden voor borst- of darmkanker.

De crisis ontspint zich razendsnel, meteen nadat Bussemaker haar besluit bekendmaakt bij Netwerk. Rouvoet belt direct na de uitzending premier Balkenende. Hij eist dat de brief van tafel gaat. Rouvoet: „Balkenende en vicepremier Wouter Bos (PvdA) zagen meteen het gevaar.”

De premier grijpt dan ook meteen de telefoon. Bussemaker: „Het was de enige keer dat Balkenende mij persoonlijk heeft gebeld in die jaren.”

Spoedoverleg tussen Balkenende, Bos, Rouvoet en Bussemaker volgt. Daar zijn de stellingen al ingenomen. Bussemaker zegt op te stappen, Rouvoet dreigt zelfs de stekker uit het kabinet te trekken als het besluit niet wordt teruggedraaid. Wouter Bos kalmeert eerst Bussemaker en bedenkt dan een uitweg: de brief zal worden ‘hernomen’ om later, in andere bewoordingen, te worden gepubliceerd. Dagenlang bungelt het kabinet. Dan gaat op vrijdag de ministerraad akkoord. De crisis is bezworen.

Emotie

Dat het kabinet overleefde is voor een groot deel te danken aan ambtenaar Paul Huijts. Hij is op dat moment topambtenaar op het ministerie voor Volksgezondheid en nauw betrokken bij het medisch-ethische beleid. Rouvoet gebruikt het optreden van Huijts in de crisisweek nog regelmatig in cursussen die hij geeft aan hoge ambtenaren over hoe om te gaan met bewindslieden.

Rouvoet: „Wat Paul vooral toonde, was sensitiviteit en loyaliteit. Hij stelde zich open voor beide kanten van het verhaal en was daardoor in staat om met teksten en formuleringen te komen die voor ons allemaal goed waren.”

Bussemaker onderschrijft de rol van Huijts. „Paul was degene die zich inleefde in de emoties van de ChristenUnie en door hen werd vertrouwd. Daardoor konden we vaak een goede balans vinden in ons beleid. Zo’n type is onmisbaar.”

Huijts is nu de hoogste ambtenaar op het ministerie van Algemene Zaken – het departement van premier Mark Rutte. Daarom voelt hij zich niet vrij mee te werken aan dit verhaal, laat hij weten. Bussemaker: „Huijts zit nu dicht op de formatie. Het zou ook ontzettend dom zijn als ze hem niet inzetten om weer zo’n verbindende rol te spelen.”

Premier Balkenende in de wandelgangen van de Tweede Kamer tijdens de bijna-crisis rond embryoselectie. Hij noemde het “een gevoelige kwestie”. (Foto Robin Utrecht / ANP)

Uitgepraat in het vliegtuig

Terugkijkend kunnen Bussemaker en Rouvoet wel begrijpen dat het misging, al hielden ze nog zoveel rekening met elkaar. Het was, simpelweg, een verschil in wereldbeeld.

Bussemaker: „Daar zag je perfect hoe snel het kan ontploffen tussen progressieve en christelijke politici. De minister-president moet zorgen dat het niet ontploft. Rutte zorgt daar voor, Balkenende deed dat nauwelijks.”

Rouvoet heeft ChristenUnie-leider Gert-Jan Segers al gewaarschuwd. Rouvoet: „Dat het goed gaat op onderwerpen waarover heldere afspraken gemaakt zijn, geloof ik wel. Maar een kabinet komt onderweg ook nieuwe ethische dilemma’s tegen. Dát zijn de gevaarlijke momenten. Dan moet je bereid zijn empathisch te zijn tegenover de andere partijen.”

Rouvoet en Bussemaker spraken hun conflict een paar weken na de embryo-crisis uit. In een vliegtuig naar het Zwitserse Bern, waar ze een groepswedstrijd van het Nederlands elftal op het Europees Kampioenschap voetbal bezochten.

Het kabinet Balkenende-IV vielna vele en hevige ruzies – een paar jaar later alsnog over de Nederlandse militaire missie in het Afghaanse Uruzgan. Op medisch-ethisch vlak kwam het niet meer tot botsingen na Bern. Rouvoet: „We hebben daar uitgesproken dat je concessies moet doen, allebei. Zo hebben we dat overleefd.”

Ab Klink wilde niet meewerken aan dit artikel.

Dit is een uiterst boeiende terugblik op de jaren die achter ons liggen en waaruit lessen kunnen worden getrokken voor het aanstaande kabinet met ongeveer weer dezelfde kamphanen als toen; alleen zonder PvdA. Zou de gedecimeerde PvdA-fractie in het nieuwe parlementaire seizoen echter zout in de wonde willen strooien? Op ethisch gebied heeft Bussemaker daar nu een stokje voor gestoken. Hulde!

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/08/28/laat-balkenende-iv-een-waarschuwing-zijn-voor-deze-formatie-12709851-a1571347?utm_source=SIM&utm_medium=email&utm_campaign=5om5&utm_content=&utm_term=20170828

 

Advertisements