Tags

,

[Dr. F. de Graaff, Spinoza en de crisis van de westerse cultuur. Uitgeverij J.N. Voorhoeve – Den Haag 1977, p.11-12]

‘De leer van de praedestinatie[1] heeft het geestelijke klimaat van de Republiek bepaald. De Calvinistische Kerk was Staatskerk. Alle regenten moesten ervan lid zijn. de norm was de Heilige Schrift, namelijk zowel het Oude als het Nieuwe Testament. De staat moest de Kerk handhaven en verzorgen. Het Calvinisme was immers de voorwaarde van de bevrijding geweest. De andersdenkenden moesten echter getolereerd worden en geenszins onder gewetensdwang gebracht worden. Zij mochten zich vrijelijk uiten in spreken en schrijven. De Calvinistische theologen waren echter gehouden de meningen te kennen en te bestrijden. Die strijd moest echter geestelijk, zonder enige uiterlijke dwang gevoerd worden. Zelfs tegenover de Roomsen, die nog zo kort tevoren vele Protestanten hadden omgebracht, werden deze principes gehandhaafd. Zelfs zij werden niet in hun eredienst belemmerd.

De kerkgebouwen der dissenters moesten echter wel van die van de openbare diensten der Hervormden onderscheiden worden. De niet-Calvinisten hadden niet dezelfde rechten als de Calvinisten, maar zij hadden wel het recht van vrije meningsuiting.

Men vergelijke dit alles met de toestanden in andere Europese landen. Daar bepaalde de intolerantie alles. Waarom was er dan toch in de Nederlanden een overheersing van de Calvinistische Kerk? Het antwoord kan duidelijk zijn: Omdat deze overheersing de enige garantie was voor de handhaving van de tolerantie. Vele dissenters immers, zoals bijvoorbeeld de Roomsen, zouden bij gelijke rechten de tolerantie in gevaar brengen, niet in het minst omdat zij de predestinatie [aangepast!] loochenden.

De politieke invloed van de dissenters werd ingeperkt, omdat zij óf de tolerantie onmogelijk zouden maken, óf wanneer zij het ideaal van tolerantie huldigden, dit niet zouden weten te handhaven.[2] Slechts het Calvinisme wist, dankzij de leer der predestinatie, de gewetensvrijheid te handhaven.’

Hierin schuilt dus het geheim van de typisch 17e-eeuwse Nederlandse tolerantie of verdraagzaamheid, want het bestaan van verschillende denominaties was toegestaan en wettelijke beschermd via de vrijheid van godsdienst, maar de geestelijke strijd door middel van de gewetensvrijheid en vrijheid van meningsuiting werd op alle fronten toegestaan. Dit is een unieke formule, die zeker in die tijden voorafgaande aan de Industriële Revolutie uniek in de wereld genoemd mag worden, want ieder natie kende een staatsgodsdienst, maar zonder geloofsvrijheid. De Republiek der Nederlanden als enige natiestaat wel.

In dit geestelijke klimaat kon daarom ook Spinoza’s wijsbegeerte ontstaan, zo staat aan het begin van hfd 1 (DE TOLERANTIE IN DE REPUBIEK) te lezen:

‘De tolerantie, die in de Republiek der zeven verenigde Nederlanden heerste, is ongetwijfeld één van de belangrijkste historische voorwaarden van Spinoza’s wijsbegeerte geweest. Zonder die tolerantie zou de grote wijsgeer wellicht niet in Amsterdam geboren zijn. De verdraagzaamheid van de Republiek had Spinoza’s grootvader Abraham de Spinoza en zijn vader Michael de Spinoza ertoe gebracht om voor de inquisitie uit Portugal juist naar de Republiek te vluchten.

In het geestelijke klimaat van de Noordelijke Nederlanden kon Spinoza’s wijsbegeerte zich ontwikkelen. Zijn werken konden hier uitgegeven worden. Dit land had aan Spinoza’s grote voorganger Cartesius gastvrijheid verleend. Ook zijn werken werden hier uitgegeven.

De verdraagzaamheid in de Republiek was echter geenszins die van onverschilligheid, waarin men leefde en liet leven. De tolerantie hield tegelijk een grote belangstelling in. in welk ander land zou in de zeventiende eeuw een geschrift als Spinoza’s Tractatus Theologica politicus, dat vol was van Hebreeuwse citaten, buiten de Joodse gemeenschap zelfs opgevallen zijn? in de Republiek werd dit geschrift wel hevig bestreden, ja zelfs op den duur verboden, maar het werd niet doodgezwegen. Het heeft een algemene belangstelling gewekt bij de intellectuelen van de Republiek.

Omtrent de bron van de verdraagzaamheid in de Republiek bestaat helaas een bijna onuitroeibaar misverstand. Evenals bij sommige volkeren nog altijd de mening bestaat, dat alle Nederlanders er uitzien als Volendammers of Markers, zo bestaat nog steeds de mening dat de tolerantie van de Republiek van Erasmiaans-humanistische signatuur is geweest. Dit is echter volkomen onjuist. Het geestelijk klimaat waarin het werk van Spinoza belangstelling kreeg, was volkomen bepaald door het Calvinisme. Het Calvinisme immers had zich met alle macht geworpen op de studie van de Bijbel in de grondtalen. Terwijl overal in Europa overwegend in het Latijn geschreven werken en in mindere mate in het Grieks geschrevene werden bestudeerd, lazen de intellectuelen der Republiek daarnaast nog Hebreeuwse werken. Daarom volgden zij met grootste belangstelling, wat in de Joodse gemeenschap gepubliceerd werd. De Calvinisten waren de enigen, die de Joden als het Volk van de Bijbel zo eerden, dat zij van hen meenden te kunnen blijven leren om beter de Heilige Schrift te kunnen verstaan. De Calvinisten leefden uit het Oude Testament als geen andere Christenen.[3]

Het s niet te ontkennen dat ook niet-Calvinisten grote belangstelling voor Spinoza toonden, maar de vorming, die deze belangstelling mogelijk maakte, hadden wij alleen aan het Calvinisme te danken.’

Tot zover deze passages die werden geciteerd uit een studie over Spinoza, maar die mij de ogen hebben geopend over de oorspronkelijke achtergronden en betekenis van de waarden tolerantie en verdraagzaamheid, die in onze huidige tijd steeds meer op de achtergrond lijken te zijn geraakt, maar wat wij heden ten dage met genoemde begrippen, die typisch als Nederlandse waarden moeten worden gekwalificeerd, in ons politieke leven aan moeten, vooral in deze gepolariseerde tijden ten opzichte van vooral de islam.

De conclusie mag en moet duidelijk zijn: de islam dient als volwaardig geloof, passend in de godsdienstvrijheid te worden beschermd en geaccepteerd, maar daarnaast moet iedere moslim of islamiet toestaan dat er kritiek kan en mag worden geleverd op geloofsinstrumenten binnen deze godsdienst, zowel ten aanzien van de profeet zelf als aan zijn uitspraken en gedragsvoorschriften. Dat behoort tot de Nederlandse geloofstraditie en uit bovenstaande citaten wordt ook duidelijk hoe de verdraagzaamheid en tolerantie geïnterpreteerd dienen te worden. Iedere uiting van gedragsherkenning is toegestaan – tenzij het openbare diensten betreft, zoals de rechter die in een toga verschijnt ter zitting om de onafhankelijkheid te verzekeren – maar waar met name de moslims aan moeten wennen is de geoorloofde kritiek op hun godsdienst. En is het zelfs mogelijk dat hun kritiek op ‘Roomse’ dogmatiek ook als ongewenst wordt ervaren in Brabant of Limburg, maar dat zal ook geaccepteerd moeten worden. Ook de protesten tegen onverdoofd slachten van offerdieren hoort tot de noodzakelijk te tolereren kritische opvattingen van degenen die dit een archaïsche (joodse en islamitische) opvatting vinden. Hiermee wordt dankzijn de sleutel tot het verband tussen verdraagzaamheid en de scheiding van kerk en staat een stuk duidelijker. Dat dit informele stuk staatsrecht – dus niet formeel in de Grondwet vastgelegd – In ons land is ontstaan kon ook niet anders vanwege de Unie van Utrecht (1579)[4] vanwege de denominatierijke samenleving van de inwoners van de Republiek der Nederlanden op dat kleine stukje grondgebied. Zonder die bepaling en vastlegging van die godsdienstvrijheid had ons land nooit kunnen ontstaan want was het een permanente burgeroorlog geweest.

[1] Staat vermeld in de oude spelling.

[2] Vanwege de inherente menselijke zwakheden?

[3] Vandaar dat de hedendaagse calvinisten als orthodox worden beschouwd en dat kan ook niet anders dan de focus op levens uit het Oude Testament.

[4] https://nl.wikipedia.org/wiki/Unie_van_Utrecht_(1579)

Advertisements