Tags

,

André Szász (1932-2017), monetair diplomaat met oog voor het menselijke

Binnenkort verschijnt de eerste editie van de periodiek Liberale Reflectie(s) (als doorstart van Liberaal Reveil). Hier op de TeldersCommunity delen we alvast de bijdrage van VVD Tweede Kamerlid Jan Middendorp. Hij heeft een respectabel in memoriam geschreven voor de begin dit jaar overleden monetair diplomaat André Szász. Een bijdrage die, samen andere artikelen, weldra digitaal en op papier gelezen kan worden in Liberale Reflectie(s).

door Jan Middendorp

André Szász was gedurende de tweede helft van de vorige eeuw Nederlands belangrijkste monetair diplomaat. Naast een scherp oog voor internationale politiek en economie had hij oog voor de ander, de mens. Wie was hij, André Szász, die op 2 januari 2017 op vierentachtig jarige leeftijd overleed?

Szász werd 28 maart 1932 geboren in Yogyakarta in Nederlands-Indië. Zijn Hongaarse ouders waren na de ineenstorting van de Donaumonarchie in 1918 naar Nederlands-Indië geëmigreerd. Na de Tweede Wereldoorlog kwam het gezin, dat nog één broer telde, naar Nederland en ging zoon André in de jaren vijftig economische wetenschappen studeren. Op de economische faculteit in Amsterdam volgde hij onder meer college bij P. Hennipman en G.M. Verrijn Stuart. Laatstgenoemde was als hoogleraar staathuishoudkunde – in het bijzonder de leer van het bankwezen en van de internationale economische betrekkingen – en tevens als voorzitter van de SER, een grote inspiratiebron voor Szász.

In 1960 trad hij in dienst bij De Nederlandsche Bank (DNB). Dat was ‘niet zómaar een baantje’ (Van Straaten 1993). Hij trad toe tot de wereld van president Marius Holtrop die de Bank sinds 1946 leidde en er een uniek analysekader voor het Nederlandse monetaire beleid had opgebouwd (Fase 2000). Szász begon als hoofdbeambte op de Studiedienst. Later werd de afdeling Internationale Zaken van de Studiedienst afgesplitst en werd Szász chef van deze afdeling. Al snel voegde D.H. Boot zich bij hem. Het was de start van een jarenlange samenwerking bij de Bank en een levenslange vriendschap.

Szász’ belangstelling betrof niet de pure wetenschap. Hij was wat in de Angelsaksische wereld een ‘pracademic’ genoemd wordt. Een combinatie van een ‘practitioner’ en een ‘academic’ (Posner 2000). Theorie was slechts een deel van de gereedschapskist waarmee hij greep probeerde te krijgen op de weerbarstige monetaire wereld, die gaandeweg zijn carrière steeds internationaler werd. Szász trad ver buiten de grenzen van de monetaire economie. Buiten monetair evenwicht zocht hij ook altijd naar diplomatiek evenwicht of het evenwicht tussen landen. Die combinatie maakte hem uniek.

Het menselijke was in Szász’ ogen vaak doorslaggevend, maar helaas vaak moeilijk te vangen. Hij zag de mens als een moeilijk te karakteriseren en soms irrationeel wezen. ‘Verwachting en verlangen dienen niet verward te worden bij het voorspellen van de Amerikaanse verkiezingen en het Britse referendum over de Europese Unie. Beide worden irrationele processen.’ Zo zei hij één maand en enkele dagen voor het Brexit referendum en een half jaar voor de verkiezingen in de Verenigde Staten.[1]

Hij sprak weinig maar observeerde en luisterde des te meer. Zijn publicaties zijn daarvan een reflectie. Veel van wat hij schreef bleek waar en veel van wat hij schreef is heden ten dage in Europa zeer actueel. Het ‘Szász-axioma’ is hiervan een treffend voorbeeld. Dit door zijn boek de Euro (Szász 2001) geïnspireerde axioma werd na de onderhandelingen over de Griekse crisis in 2015 door een Brusselse denktank gelanceerd en beschrijft dat onderhandelingen over begrotings- en monetaire zaken in de Economische en Monetaire Unie (EMU) vaak niet tot uitvoerbare compromissen leiden, maar tot verdragen waarin ieder land zijn eigen lijn kon teruglezen (Mody 2015).

In 1957 was Szász lid geworden van de V.V.D., hij zou het zestig jaar blijven.[2] Hij was actief in de Vonhoff-Groep, destijds een groepje jonge liberalen dat het Amsterdamse Kamerlid Henk Vonhoff in de jaren zestig en zeventig steunde bij zijn opmars in de politiek (Pais 2016). Een foto van de groep hing tot het einde in Szász’ met boeken en reusachtige wereldbol gevulde huiskamer. In 1967 werd Szász, na enige druk van Vonhoff, voorzitter van de Kamercentrale Amsterdam van de VVD en lid van het hoofdbestuur. Hij was actief bij de vervanging van partijvoorzitter Van der Pols door Haya van Someren-Downer. Een bestuurswissel die ingezet werd door een groep jonge liberalen, waaronder Szász en Vonhoff, die de sfeer van de Liberale Staatspartij en Vrijzinnig Democratische Bond definitief achter zich wilde laten en de partij wilde moderniseren (Vonhoff 1998, 51). Na deze, voor Szász ongewoon revolutionaire, activiteiten verliet hij de actieve partijpolitiek om zich volledig op zijn carrière bij de Bank te richten.

Wat bedoelt de auteur van dit in memoriam Jan Middendorp hiermee: de sfeer van de Liberale Staatspartij en Vrijzinnig Democratische Bond definitief achter zich wilde laten? Als toenmalig lid van de VVD heb ik nooit iets van die sfeer geproefd en was de linkervleugel – waartoe ik mij rekende – als ‘erfgenaam’ van de VDB tot eind jaren tachtig actief en is daarna ingestort. Maar hier gebezigde formulering is moeilijk te begrijpen, alsof er nog iets over was van die vooroorlogse partijen. Mijn conclusie is daarom dat er nooit sprake is geweest van een fusiepartij vanwege de dominantie van de conservatieven van de voorheen Liberale Staatspartij. Daarom is het te rechtvaardigen dat het oude D’66 zijn naam heeft gewijzigd in D66 om het sociaalliberale erfgoed van de VDB te verdedigen, want onherkenbaar geworden in de VVD zelf.

President Zijlstra voorkwam ternauwernood het vertrek van Szász van de Bank naar het IMF. In 1970 werd Szász onderdirecteur en niet veel later, in 1973, werd hij in de Directie van de Bank opgenomen. In zijn vijfendertigjarige carrière bij de Bank werkte Szász onder de presidenten Holtrop, Zijlstra en Duisenberg. Met Zijlstra had Szász een bijzondere band. De Fries die niet snel afweek van zijn principes en de internationaal georiënteerde, flexibelere Szász, die meer bereid was tot omwegen om het doel te bereiken waren zeer verschillende persoonlijkheden maar vormden een ijzersterk duo. Samen ontwikkelden zij het op de Duitse munt georiënteerde ‘harde-guldenbeleid’. Na de val van het systeem van Bretton Woods was deze koppeling een manier voor de Bank om discipline in het systeem in te bouwen die met het afschaffen van vaste wisselkoersen verdwenen was. Deze koppeling van de gulden aan de D-mark is een reflectie van het belang dat Szász hechtte aan evenwicht en disciplinerende kaders. De Nederlandse monetaire soevereiniteit in deze pre-EMU periode bestond door het koppelen van de gulden aan de D-mark uit de enkele seconden die het kostte om de de- of revaluaties van de D-mark te volgen met de gulden. Zijlstra en Szász accepteerden dit verlies aan soevereiniteit. Het was een prijs die zij wilden betalen om zich bij de monetaire filosofie van de Bundesbank aan te kunnen sluiten. Later toen Nederland deel uitmaakte van de EMU, was het dan ook niet zozeer het verlies aan soevereiniteit maar de onderliggende begrotings- en monetaire filosofie van de Nederlandse partners in de EMU – en met name die uit het zuiden – waarover Szász zich grote zorgen maakte.

Begin jaren zeventig liep tot Szász’ grote zorg de inflatie in Nederland op tot in de dubbele cijfers. Na het vertrek van Holtrop verdween ook Holtrops monetaire analyse uit het wetenschappelijk discours en werd het monetarisme à la Friedman leidend (Fase 1989). Tijdens de jaren vijftig en zestig waren de keynesiaanse vraagpolitiek en de daarmee gepaard gaande gerichtheid op de reële sector bon ton in economische beleidskringen. Szász heeft zich hier niet door af laten leiden. De beheersing van de geldgroei bleef voor hem cruciaal voor een evenwichtige economische ontwikkeling. Hij bleef het belang van de monetaire sfeer en vooral van in het systeem ingebouwde discipline benadrukken. Disciplinerende kaders zoals de wisselkoers of onwrikbare afspraken over staatsfinanciën waren voor Szász cruciaal om politici, ook maar mensen immers, op het ‘rechte pad’ te houden. Dat zijn de fundamenten van Szász’ monetaire filosofie waarmee hij stevig in de traditie bleef van wat Zijlstra de Nederlandse monetaire school noemde (Zijlstra 1982, xii).

Szász was ooit van plan een proefschrift over de rol van het geld in centraal geleide economieën te schrijven.[3] Hij koos echter voor een onderwerp dat hem na aan het hart lag: de monetaire diplomatie en promoveerde hierop in 1988 aan de Vrije Universiteit met als promotoren DNB-collega A.H.E.M. Wellink en H. Visser (Szász 1988). Monetaire Diplomatie beschrijft de steeds verder eroderende invloed van Nederland in de mondiale monetaire politiek in de tweede helft van de vorige eeuw en hoe Nederland zich na de val van Bretton Woods op Europese monetaire samenwerking richtte. Zijn beschrijving van die samenwerking is het verhaal van de schoksgewijze opbouw van de EMU en het debat tussen ‘de monetaristen’, diegenen die betoogden dat als de Europese munt er was ‘de rest’ vanzelf zou komen[4] en ‘de federalisten’ die vooraleerst een politieke unie nastreefden. Voor Szász kon het een niet zonder het ander.

Na zijn pensionering was Szász achttien jaar lid van het curatorium van de TeldersStichting en negentien jaar van het bestuur van de Atlantische Commissie. Tussen 1990 en 2000 was hij bijzonder hoogleraar Europese studies aan zijn alma mater de Universiteit van Amsterdam. Hij onderhield nauwe contacten in internationale monetaire kringen en in de nationale politiek. De enkele dagen voor hem overleden Duitse centraal bankier Hans Tietmeyer met wie hij zeer lang samenwerkte en bevriend was, is hiervan een voorbeeld maar ook Frits Bolkestein, in de jaren negentig fractievoorzitter van de VVD. Hij bleef, zijn presidenten op DNB dienend of zijn kennis delend met bezoekers van fractievoorzitters tot studenten, altijd op de achtergrond maar bescheiden richtinggevend. Exemplarisch is dat Vonhoff in de verantwoording van de door hem geschreven geschiedenis van de VVD Szász bedankte omdat Vonhoff in de gesprekken met Szász ‘zijn kompas had kunnen instellen’ voor het schrijven van het boek (Vonhoff 1998, 222). Zijn huiskamer was na zijn pensioen een aanlegsteiger voor eenieder met belangstelling voor Europese monetaire of diplomatieke vragen. Szász wees altijd op de synthese tussen de economische structuur en ontwikkeling en het broze diplomatiek evenwicht tussen landen. Het laatste artikel dat hij schreef is in dit opzicht een orgelpunt en de laatste zin veelzeggend. Deze luidt: ‘Denkbaar is, dat een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid op zijn beurt een positieve uitstraling zou hebben op de euro. […] Daarom zou het een politieke motivering kunnen opleveren, die nu ontbreekt, om aangegane verplichtingen na te komen, ook als zij gaan knellen (Szász 2014).’

Szász, vrijgezel, wandelde in de jaren zestig en zeventig naar de Bank vanuit het huis waar hij bijna zijn hele leven woonde. Tot het einde kon men hem dagelijks door Buitenveldert en Amsterdam Zuid zien lopen. Observerend, kijkend naar de torens van banken en pensioenfondsen die vanuit Nederland op de internationale kapitaalmarkten actief waren, maar ook naar de drukte in restaurants, de activiteit in de winkels en bovenal de mensen, de wandelaars onderweg.

(Jan) Middendorp MSc, MA is Tweede Kamerlid voor de VVD. Binnenkort verschijnt dit artikel in de eerste editie van de periodiek Liberale Reflectie(s).

[1] Mededeling Szász aan auteur dezes op 19 mei 2016 in Amsterdam.

[2] Szász werd lid van de partij in de tijd dat de partijnaam met punten werd geschreven. Bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1956 werd voor de laatste keer op verkiezingsposters ‘V.V.D.’ gebruikt. Vanaf de verkiezingen van 1959 wordt de huidige schrijfwijze ‘VVD’ gebruikt.

[3] Mededeling Szász aan auteur dezes op 6 oktober 2011 in Amsterdam.

[4] Niet te verwarren met het monetarisme dat verbonden is met de Amerikaanse econoom Friedman dat de monetaire sfeer in de economische analyse wil benadrukken en bekend is geworden met het dictum ‘money matters’.

Literatuurlijst

  • Fase, M.M.G., ‘Dutch Monetarism in Retrospect’, in D. Walker (red.), Perspectives on the History of Economics Thought, volume 2, Aldershot, 1989.
  • Fase, M.M.G., Tussen behoud en vernieuwing: Geschiedenis van de Nederlandsche Bank 1948-1973, Den Haag, 2000.
  • Mody, A., ‘Greece and the André Szász Axiom’, Bruegel, 25 februari 2015. Zie: http://bruegel.org/2015/02/greece-and-the-andre-szasz-axiom-2, geraadpleegd op 14 februari 2017.
  • Pais, A.,  Een logboek, Amsterdam, 2016.
  • Posner, P.L., ‘The Pracademic: An agenda for re-engaging practitioners and academics’, Public Budgeting & Finance, vol. 29(1), 2009, pp. 12-26.
  • Van Straaten, A.J., Niet zómaar een baantje. Herinneringen van een voormalige hoofdbeambte aan de studiedienst en een president van de Nederlandsche Bank uit de jaren vijftig en zestig, Rotterdam, 1993.
  • Szász, A., Monetaire diplomatie: Nederlands internationale monetaire politiek, 1958-1987, Leiden, 1988.
  • Szász, A., De Euro. Politieke achtergronden van de wording van een munt, Amsterdam, 2001.
  • Szász, A., ‘Europees buitenlands en veiligheidsbeleid’, Atlantisch Perspectief, 38(6), 2014, pp. 16-20.
  • Vonhoff, H.J.L., Liberalen onder één dak, Den Haag, 1998.
  • Zijlstra, J., ‘Koopmans (1900-1958): een denker over economische samenhangen en neutraal geld’, in: M.M.G. Fase, M.J. ’t Hooft-Welvaars, H.W. Lambers en J. Zijlstra (eds.), Neutraal Geld: een Keuze uit de Geschriften van Prof. mr. J.G. Koopmans, Leiden, 1982.

http://www.telderscommunity.nl/actueel/5672/

Advertisements