Tags

, , ,

‘Bill Gates geeft het goede voorbeeld’ (Margreet Fogteloo, de Groene Amsterdammer, 11.5.2017)

Woede – Ferdinand Grapperhaus

De groeiende kloof tussen hoog- en laagopgeleiden dreigt onze samenleving te ontwrichten, stelt CDA-prominent Ferdinand Grapperhaus. ‘Ik snap niet waarom de woede zich richt op de EU en niet op multinationals.’

# ‘Er iets verrots in de staat van Nederland’, constateert advocaat Ferdinand Grapperhaus in zijn onlangs verschenen boek Rafels aan de rechtsstaat, en hij vraagt zich bezorgd af of we minder verdraagzaam zijn geworden en niet meer kunnen leven met elkaars verschillen. Zijn boek doet het goed binnen het enorme aanbod van boeken over de crisis van de liberale westerse wereld; er is inmiddels een vierde druk. Dat komt ongetwijfeld doordat het geen dikke pil is maar een compact geschreven analyse over hoe een welvarend land met een weerbare democratie en een stevige rechtsstaat toch op drift is geraakt en op het punt is gekomen dat de samenleving ontwricht raakt. Het ergert hem hoe de politiek versplintert en de polemiek almaar platter wordt, zonder dat er wordt nagedacht over constructieve oplossingen. In de kern draait het volgens hem om de verdeling van kansen in de maatschappij en de rol van de overheid; daar zit zowel het probleem als de oplossing.

# Zijn bezorgdheid over Nederland is persoonlijk, wat vanwege zijn maatschappelijke positie extra lading krijgt. Grapperhaus is actief lid van het CDA en behoort als partner van het Amsterdamse advocatenkantoor Allen & Overy en hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit van Maastricht tot ‘de elite’ die onder vuur is komen te liggen. Hij wil verantwoordelijkheid nemen, zegt hij, en niet toekijken hoe de rechtsstaat ‘rafels’ oploopt. Iedereen zou dat moeten doen, vindt hij, onder meer door actief het middenveld te versterken.

Hoe is dat bij u zo gekomen?

# ‘Tijdens een wereldreis, drie jaar geleden, ben ik zowel op fantastische plekken geweest als in gebieden waar diepe armoede heerst. Met name in Kolkata, Oost-India, trof ik een troosteloosheid en rechteloosheid aan die me thuis niet meer loslieten. Ik wilde begrijpen hoe een samenleving functioneert als er zo’n fundamentele ongelijkheid bestaat. Het impliceert dat er geen rechtsstaat is, en dat bracht me op de vraag wat een rechtsstaat eigenlijk is. Volgens mijn definitie komt het erop neer dat een overheid dient te waarborgen dat iedereen aan de samenleving kan deelnemen volgens de beginselen van gelijkheid, vrijheid en rechtvaardigheid. Equality of resources betekent dat iedereen bij geboorte aanspraak heeft op dezelfde kansen en mogelijkheden in de maatschappij. Aan mijn vrome stand voelde ik me verplicht om mijn eigen samenleving te beoordelen. Ik leg die langs de lat van de rechtsstaat – dat gebeurt volgens mij zelden op die manier.’

De kern van de problemen van onze wereldwijde samenleving is het relatieve gebrek aan rechtvaardigheid; waar de verschillen in rechtvaardigheid te groot zijn, bestaat geen gerechtigheid als ideale eindfase of politieke sociale rechtvaardigheid in optima forma, want in de procesfase van opbouw.

Amsterdam. Ferdinand Grapperhaus: ‘De kracht van een samenleving schuilt niet zozeer in wat wij vinden dat mag, als wel in de consensus over wat beslist niet mag’ © Foto Truus van Gog / HH

In zijn boek staat het klassieke werk van Montesquieu centraal. Ook las hij Thomas Piketty, Anthony Atkinson en David Van Reybrouck en veel wetenschappelijke studies. Het beeld van Nederland verraste hem: de laatste decennia neemt de kansenongelijkheid tussen laag- en hoogopgeleide mensen toe. De al te grote vrijheid trekt een wissel op gelijkheid en rechtvaardigheid en daarmee komt de legitimatie van de rechtsstaat onder druk te staan, stelt hij.

Wij zijn toch een van de meest genivelleerde landen ter wereld?

‘Zeker, Nederland heeft een egalitair karakter, al eeuwenlang en vooral sinds de grondwetswijziging van Thorbecke waardoor de adel haar bevoorrechte machtspositie verloor. In de naoorlogse verzorgingsstaat ontstond er vervolgens een grote spreiding van welvaart en voorzieningen. Uit enquêtes blijkt telkens dat Nederlanders tot de gelukkigste mensen ter wereld behoren en onze kinderen vrij en blij opgroeien. En dan volgt er een maar. De vrijemarkteconomie heeft ervoor gezorgd dat in onze meritocratische samenleving een steeds grotere groep uit de boot valt. Het gaat om mensen die hun baan zijn kwijtgeraakt en nooit meer aan de bak komen. Ze worden het “precariaat” genoemd. Daar maak ik me grote zorgen over.’

Volgens een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) uit 2014 behoort vijftien procent van de Nederlandse bevolking tot het precariaat – een samenstelling van precair en proletariaat. Die groep blijft over de gehele linie achter. Zij zijn het laagst opgeleid en vaak afhankelijk van een uitkering of een karig pensioen. Zij wonen in een bescheiden huurwoning en bezitten geen vrij vermogen en geen financiële reserves om tegenslagen op te vangen. Veel van hen zijn fysiek ongezond, hebben een klein of geen sociaal netwerk en zijn niet aangesloten op de arbeidsmarkt.

‘Rechteloos, zoals in Kolkata, is het precariaat niet’, zegt Grapperhaus, ‘maar het ontbreekt hun aan perspectief op vooruitgang. Misschien verhullen wij deze relatieve rechteloosheid door toelages, subsidies en uitkeringen. Maar als je om je heen kijkt, zie je in bepaalde woonwijken van grote steden of in dorpen in krimpgebieden mensen leven die niet deelnemen aan maatschappelijke processen. Dit in tegenstelling tot hoogopgeleiden die in alles first in line zijn.’

Het advocatenkantoor van Grapperhaus is gevestigd in een modernistisch wit gebouw aan de chique Amsterdamse Apollolaan. Aan de muren van de gangen en het trappenhuis hangt moderne kunst. Op zijn bureau staat een foto van zijn vrouw, die vorig jaar is overleden, en hun vier volwassen kinderen. Tussen de paperassen een verzameling speelgoedauto’s op een rijtje. Grapperhaus is duidelijk gewend om college te geven, hij legt graag uit. ‘De kloof is lang verhuld door de economische hoogconjunctuur die in de jaren negentig begon en duurde tot aan de kredietcrisis. Tegelijkertijd veranderde in die periode de arbeidsmarkt ingrijpend; door de globalisering verplaatst arbeid zich naar lagelonenlanden en inmiddels worden steeds meer banen overgenomen door robots. We zitten midden in een transitie van de arbeidsmarkt en dat zorgt voor angst en onrust onder de afvallers.’

De opkomst van het populisme, die snapt hij wel: ‘De maatschappelijke positie van het precariaat staat haaks op wat er beloofd is over gelijke kansen en rechten. Als je niet profiteert van de vooruitgang, dan ga je die samenleving en haar instituties wantrouwen. Dat wordt versterkt door het gevoel dat asielzoekers en Oost-Europese werkzoekenden zijn opgedrongen door de overheid. De neerwaartse spiraal van afnemend vertrouwen in instanties is de voedingsbodem voor radicale onvrede. Van links hebben zij geen verwachtingen, die zijn in hun ogen het establishment geworden. Populisme is het gevolg van het wegvallen van de gemeenschapszin en het langzaam wegkwijnen van de ruggengraat van de samenleving. Als groepen verwijderd raken van elkaar, dan verwatert het gezamenlijk belang. Iedereen zit in een impasse, iedereen zit in zijn eigen reservaat.’

Natuurlijk is populisme een heilloze weg, zegt hij. Populisten bieden geen oplossingen. Het enige wat zij doen is net als in de Middeleeuwen andere groepen aanwijzen als hét probleem. Hij vergelijkt het met een dreinend kind op de achterbank van een auto dat niks wil maar geen alternatief heeft.

Voor de tweedeling wordt al lang gewaarschuwd, zoals in een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) uit 1996. ‘Daar is niks mee gedaan. Toen ik negen jaar geleden voorzitter van de Sociaal Economische Raad werd, was dit hét thema. Er werd continu gepraat over “een leven lang leren”. Toen ik vertrok werd daar nog steeds over gesproken. Het punt is, de groep die het moet implementeren – de politiek en de werkgevers – doet het niet en de groep om wie het gaat heeft geen richting. Ze gaan niet staken of massaal de straat op en ze passen zich niet aan. Hun woede adresseren ze aan de EU. Aan de gevestigde politiek. Dat is eigenlijk raar.’

Hoe komen we daaruit?

‘Werklozen moeten op de arbeidsmarkt kijken waar het water naartoe stroomt. Ander soort werk zoeken, omscholen. Maar dat is voor hen op eigen kracht nauwelijks te doen. Daarom pleit ik voor een meer sturende rol van de overheid – die moet weer een verdeler van eerlijke kansen worden. Zij moet ervoor zorgen dat er eerder in het onderwijs wordt geanticipeerd op beroepen van de toekomst. Verder moeten opbrengsten van de digitalisering beter verdeeld worden; alle besparingen op mensen via technologie zijn vooral in het voordeel van bedrijven en de winsten stapelen zich op bij een paar monopolisten. Dat is niet goed, de opbrengsten moeten worden teruggesluisd of geïnvesteerd worden in onderwijs en het creëren van werk. Bill Gates geeft hierin het goede voorbeeld.’

Tegen de enorme macht van de multinationals kan wel degelijk iets gedaan worden, zegt hij. Zoals het instellen van een technologische kartelpolitie: ‘Nationale overheden moeten harde eisen stellen, zoals de Amerikaanse Elizabeth Warren, hoogleraar rechten en senator namens de Democraten, al langer bepleit. Zij wil dat multinationals zich meer wortelen in het land waar ze zich vestigen en investeren in achterstandsgroepen. Overheden moeten zich niet laten afschepen met de dreiging dat ze dan elders hun kantoor vestigen en dat het dan banen gaat kosten. Maar dat is best ingewikkeld; het vestigingsklimaat is ook onderhevig aan mondiale concurrentie.’

Wat zijn dat voor banen, die er nu niet zijn?

‘Misschien verhullen wij de relatieve rechteloosheid van het precariaat door toelages, subsidies en uitkeringen’

‘Er blijft enorme behoefte aan mensenwerk. In de zorg bijvoorbeeld, of leveranciers in uithoeken van de samenleving. Het zijn onze non-cognitieve vaardigheden die het verschil blijven maken. Ambachten, ook daar is behoefte aan. En vooral: investeren in goede leerkrachten, die moeten veel en veel beter betaald worden. Zij zijn belangrijker voor de maatschappij dan advocaten.’

Zijn die banen dan niet een vorm van verborgen werkloosheid?

‘Dat je een soort Truman Show krijgt, mensen die nepwerk doen? Maar nee, hét belang is mensen erbij houden via betaald werk. En als ze echt niet meer kunnen werken moet de samenleving zich over hen ontfermen. Ik ben voor een herinvoering van een verlengde schaal van progressieve belastingen, en dat geld investeren in het creëren van nieuw werk voor de afvallers. Ik ben niet voor een basisinkomen; dat is mensen maatschappelijk afkopen, in wezen vergelijkbaar met de wao in de jaren negentig waar bijna een miljoen “zieke” mensen in werden geduwd.’

De oplossing van Ferdinand Grapperhaus is dat de overheid weer de rol vervult van herverdeler en samenbinder. Hij onderkent heus wel dat dat ‘verdomd lastig’ is: ‘In de jaren zestig werd tegen de overheid, die te paternalistisch was, aangeschopt. Toen het thatcherisme in de westerse wereld wortel schoot, begon de overheid haar taken te vermarkten. Hoewel ik voor premier Lubbers wel een lans wil breken. Hij sloot in 1982 het Akkoord van Wassenaar tussen werkgevers en werknemers om samen de economie uit het slop te trekken zonder werklozen al te veel te duperen. Dit poldermodel heeft lang gewerkt.’

De terugtrekkende overheid is in Nederland volgens hem pas echt begonnen onder Paars I en Paars II. ‘De progressieve belastingen werden afgeschaft en internationale bedrijven kregen in ons land een gunstig vestigingsklimaat. Tegelijk zette de globalisering met de komst van het internet in rap tempo door. Totdat het in 2008 mis ging en het kabinet fors ging bezuinigen op sociale voorzieningen waardoor het idee bij de burger ontstond dat je niks terugkrijgt voor je belastinggeld.’

Hoe moet een sturende overheid nu haar plek zien terug te winnen?

‘Meer lokaal zichtbaar zijn, er is bijvoorbeeld in de afgelopen kabinetsperiode een aantal rechtbanken uit de provincie verdwenen. Heel verkeerd. Een rechtbank heeft voor een regio meer dan alleen een justitiële functie. In 2006 – ik herinner me het goed, ik was kroonlid van de ser – moest alles weg uit de provincie; alle ballen werden gezet op de Randstad als “parkstad”. Ik zei dat ik hierover mijn twijfels had, maar ik werd gezien als een brave sukkel. Het is voor mij evident dat de overheid nu moet investeren in economische spreiding zodat het verschil tussen het platteland en de stad kleiner wordt. Sowieso zijn de bezuinigingen de afgelopen jaren vooral afgewenteld op de lage en middenklasse.’

Hij noemt het ene na het andere concrete voorbeeld van hoe die groep door de overheid is gedupeerd: ‘De azc’s zijn gevestigd in dorpen in krimpgebieden, plaats die óók in de villawijken. Of het leenstelsel, dat versterkt een tweedeling, want kinderen uit laagopgeleide milieus gaan die lening niet aan omdat ze bang zijn dat ze het niet kunnen terugbetalen. Het verhogen van de griffierechten maakt voor mensen met een kleine beurs de drempel naar de rechter te hoog. Of de eigen bijdrage aan de zorg. Ik begrijp best dat het bedoeld is als prikkel om je ervan bewust te worden dat zorg duur is. Maar mensen in de laagste inkomensklasse zijn per saldo het slechtst af. Toen mijn vrouw ziek werd en we haar thuis verzorgden merkte ik hoe de zorg werkt. Het is veel geregel, maar het verschil voor iemand als ik is dat ik het beste bed buiten de verzekering kon aanschaffen, terwijl iemand met een laag inkomen voor een minder goed thuisverzorgingsbed een eigen bijdrage moet betalen. We moeten echt van de eigen bijdrage af.’

U praat als een SP’er.

‘Ik zit aan de linkerkant van het CDA, maar ik ben een ouderwetse christen-democraat. Ik houd niet van politieke partijen met deelbelangen, of van die malle clowns in de politiek als Thierry Baudet. Ik ben voor een brede volkspartij die beleid voert in het belang van de hele samenleving. Er wordt wel eens gezegd dat het cda een soort pvv-light is geworden. Wat een onzin. Het uitgangspunt is dat iedereen moet meedoen, en als mensen dat niet willen ze daar ook op aangesproken worden. Om aanspraak te kunnen maken op de rechtsstaat moet je bereid zijn ander werk te doen als je baan wordt opgeheven. Of in ieder geval in bepaalde mate een opleiding willen volgen. Anders moet je het gaan zoeken in lagere uitkeringssferen. Daar staat een overheid tegenover die ervoor zorgt dat iedereen de kans heeft om te participeren. Daar moet je hen financieel in stimuleren. Voor zzp’ers moet je aftrekregelingen bijvoorbeeld verbinden aan verplicht verzekeren. Daar wordt al zes jaar over gepraat en er is nog steeds niks veranderd.’

Dat de relatie tussen overheid en burgers weer hoort te gaan over wederzijdse rechten en plichten geldt volgens Grapperhaus ook voor de tweede en derde generatie mensen met een migrantenachtergrond. Assimilatie is, stelt hij, altijd te vrijblijvend benaderd vanuit een politieke correctheid die ‘dwingend was als een soort Spaanse inquisitie’. Hij wijst op de kloof tussen niet-geassimileerde allochtonen en autochtonen die net zo ondermijnend is voor de rechtsstaat als de opleidingstweedeling.

‘Gelijke rechten betekent ook dat je rechtsstatelijk gelijkheid onderschrijft. Het is zorgelijk dat er buitenlandse tv-zenders zijn die boodschappen uitzenden die onze maatschappij ondermijnen. Hetzelfde geldt voor extremistische importimams. Iedereen zal zich moeten inzetten in de strijd tegen de radicale islam en ik keur het af dat veel gematigde moslims zich daar niet hardop tegen uitspreken, net zo goed als ik ook luid en duidelijk Geert Wilders verketter omdat ik nimmer met zijn denkbeelden geïdentificeerd wil worden. Ik vind het dapper dat burgemeester Aboutaleb moslims rechtstreeks aanspreekt. Radicalisme is onacceptabel, zoals ook discriminatie op de arbeidsmarkt niet kan. Dat moet je serieus aanpakken. De kracht van een samenleving schuilt niet zozeer in wat wij vinden dat mag, als wel in de consensus over wat beslist niet mag.’

Hoe zorg je ervoor dat die assimilatie lukt?

‘Ik vind dat nieuwkomers moeten kiezen voor een onvoorwaardelijke integratie. Als een derde generatie migranten zich niet kan verenigen met onze rechtsstaat, dan zoeken zij het maar elders: in een land dat wel hun andere, fanatieke principes onderschrijft. Dat is misschien vrij fors wat ik zeg, maar ik neem dat niet terug. Mijn Duitse grootvader paste zich aan, in onze familie hebben we aan het Duitse verleden louter wat folklore in de privé-sfeer overgehouden. Je maakt deel uit van een samenleving door je daaraan te committeren.’

Hoe zit het met de kritiek op de elite?

‘Dat verwijt ik deels de pers, de negatieve berichtgeving maakt dat er een zondebokeffect heeft kunnen ontstaan. Er zijn zeker incidenten geweest, zoals bij woningcorporaties. Maar dat betekent niet dat de hele sector niet goed in elkaar zit. Dat debat is helemaal verkeerd gelopen. Er is ingezoomd op excessen terwijl het over de hele linie goed georganiseerd is en in het ambtelijk apparaat capabele mensen heel hard werken. En ja, je hebt natuurlijk een toplaag nodig in de samenleving. Je kunt niet zes chauffeurs aan het stuur laten zitten. De elite moet een voortrekkersrol hebben, maar uiteraard wel beproefd dat ze dat kunnen.’

Hoe zit het met zijn politieke ambitie? Wil hij in de voetsporen treden van zijn vader? Die was eind jaren zestig namens de kvp staatssecretaris van Financiën en stond bekend om zijn voortvarende aanpak. Hij voerde onder meer de btw en het huurwaardeforfait in. Op de vraag of er inderdaad een rol in het nieuwe kabinet voor hem is weggelegd, antwoordt Grapperhaus diplomatiek, gevormd als hij is door de jezuïeten van zijn middelbare school: ‘Velen zijn geroepen, weinigen zijn uitverkoren. Ik heb in ieder geval wel de roeping om mijn nek uit te steken.’

Overigens, terugkerend op de titel van deze blog: een derde visionair is ook in aantocht. Een vrouw de volgende keer.

https://www.groene.nl/artikel/bill-gates-geeft-het-goede-voorbeeld

Advertisements