Tags

,

IMF: welvaartswinst Nederland door slimmer belastingstelsel (Jule Hinrichs, Economie & Politiek/fd, 10 april)

Studie pleit voor meer btw en minder belasting op inkomen

Stelling: Dit plan sluit aan op GroenLinks, maar dan als ‘tussenoplossing’ naar de revolutionaire overheveling – lees: transitie – van inkomensbelasting naar belasting op vervuiling. Maar essentieel in het voorstel ‘meer btw’ – en dat wordt door het IMF niet genoemd in onderstaande redenering – is dat hogere btw voor luxe producten zijn rechtvaardiging vindt in een samenleving die weigert om hogere belastingen te heffen op de hogere inkomenscategorieën – en vooral op de hoogste -, uit angst dat zij hun vermogens doorsluizen naar het buitenland. Dat er ondertussen wanverhoudingen ontstaan in ‘inkomensplaatjes’ en ‘de’ inkomensverdeling’ van de werkende generatie (van werknemers tot ceo’s) nemen de conservatieve partijen voor lief en dat heet ordinaire beroving via belastingheffing die te weinig progressief (in deze overmatig scheef verdeelde wereld) is en dus gebrek aan rechtvaardigheid. Daardoor verdienen ‘tussenoplossingen’ als nu van het IMF alle aandacht en verdediging.

# Als Nederland meer btw en minder belastingen op inkomen heft, kan dat een flinke welvaartswinst opleveren. Een begrotingsneutrale verschuiving van de belastingen kan tienduizenden extra banen opleveren en het bbp blijvend met het ruim een procent verhogen, concludeert het Internationaal Monetair Fonds in een recente studie.

Alleen al deze logica dwingt de onderhandelaars in de informatie om dit voorstel in het nieuwe regeerakkoord op te nemen.

# De winst is betrekkelijk gemakkelijk te behalen doordat het belastingstelsel in Nederland een scheve opbouw kent vergeleken met die in andere Europese landen. Het IMF stelt vast dat de Staat relatief veel van zijn belastinginkomsten haalt uit de verschillende belastingen op inkomens. En die zijn volgens economen nu precies de meest verstorende belastingen, omdat ze de bereidheid om te gaan werken kunnen aantasten.

Dan hebben we direct het ‘eeuwige’ probleem van te kleine verschillen tussen uitkeringen en het minimumloon, om het zo maar symbolisch maar duidelijk uit te drukken, opgeheven.

# Nederland is in Europa een middenmoter wat betreft het aandeel van de inkomstenbelasting in de totale economie. Worden de sociale premies meegerekend, dan staat Nederland met zijn premieaandeel op plaats twee.

Voor het eerst kom ik nu (als niet-econoom) de relatie tegen tussen ‘aandeel inkomstenbelasting’, ‘sociale premies’  en de ‘totale economie’, dat aansluit op ‘mijn’ theorie van de postindustriële maatschappij’. In mijn blog van gisteren had toegevoegd kunnen worden dat ik ‘intuïtief’  onderscheid maak tussen inkomstenbelasting over alle belastingplichtigen en het premiegerelateerde aandeel van de quartaire sector, en zeker als daar 90% van de beroepsbevolking werkzaam is, want dat is de definitie van de postindustriële samenleving.

Maar laten we als voorbeeld de 100% postindustriële samenleving nemen, die – over een decennium – ontstaat als gevolg van ‘volledige’ (‘alles wat er geautomatiseerd kan worden’) robotisering en informatisering van de maatschappij, die dan heeft ‘toegeslagen’; toegeslagen omdat er dan paniek uitbreekt hoe het zit met het inkomen voor de nieuwe klasse van definitief baanlozen, die natuurlijk gaat ontstaan in het ‘oude denken’, dat de robot – in plaats van miogranten – alle arbeid heeft overgenomen; op dit moment hebben we nog geen zicht op de banen die nooit door robots kunnen worden overgenomen, zoals directiefuncties en ambachtelijke handwerkslieden, waaronder de academische, zoals de geneeskundigen, maar ook de ict-sector waar programmeurs en innovatieve ontwerpers hun werk blijven doen, omdat de robot en computer niet over een creatief talent beschikken. Dat is immers mensenwerk.

Kortom, premiegerelateerde arbeid op de arbeidsmarkt betreft de quartaire sector, die overgang van laag industriële naar hoog industriële, tot aan de 100% postindustriële tijdperk meemaakt, maar die er volledig anders uitziet dan de pre-industriële agrarische samenleving, waarin het belastingstelsel is ontstaan: minimale overheid en de traditionele beroepen als burgemeester, notaris, huisarts en veldwachter werden uit eigen middelen betaald. De lokale bank was een dienstenbank door de rekeninghouders en spaarders  gefinancieerd. Nu heet dat de tertiaire commerciële sector die zichzelf bedruipt, en ‘alleen’ bij bankencrises op de centrale overheid terugvalt en dat wordt dan via de belastingbetaler opgevangen omdat ‘too big to fall’, ofwel kapitaalsvernietiging. Een crisis betekent dus als automatisme weer extra saneren van overheidstekorten en – schulden, in dit geval door de bancaire wereld veroorzaakt.

Maar als we ons dan bedenken dat de huidige overheid financieel geminimaliseerd is geraakt door de saneringen van het afgelopen decennium (na de wereldwijde crisis van 2008), dan wordt ook duidelijk dat diezelfde huidige overheid de beruchte klassiek-liberale ‘minimale’ overheid is geworden, waarin geen geld meer beschikbaar is voor onderwijs, zorg en defensie & veiligheid, om de drie hoofdthema’s van premiegerelateerde sectoren maar te noemen. Daarom klopt het huidige beeld van maatschappelijke productie (profit en non-profit) én belastingheffing vanwege de noodzaak tot belastingheffing niet meer, omdat dit niet meer past in dit beeld van ‘onderwijs, zorg en defensie’ te bekostigen door de klassieke overheid; dogmatischer dan dit oude beginsel kan niet meer in de huidige tijd.

Om die reden loopt de samenleving vast als dit ‘quartaire’ drietal, de noodzakelijk aanvullende componenten van de ‘oude’ productieve sectoren (1 + 2 in mijn vorige blog), niet vervangen worden door de nieuwe afspraak dat de diensten van quartaire sector ook ‘gewone’ goederen zijn, die niet door de overheid gefinancierd hoeven te worden als er maar andere definities gehanteerd worden. Daar staat dan geen geprivatiseerde quartaire sector als alternatief tegenover, want dat loopt vast zoals we hebben gezien met de privatiseringen en liberaliseringen van de jaren ‘90, maar er dient een wetenschappelijke standaard ontwikkeld te worden hoeveel overheidsdiensten er minimaal noodzakelijk zijn om de traditionele productieve ofwel geldscheppende – uitdrukkelijk geen ‘flitskapitaal’ voor de duidelijkheid – sectoren door ‘verhandelbare’ producten op de ‘ouderwetse’ marktpleinen (en geen ‘financiële markten’ zoals investeerders, bankwezen en verzekeraars), mogelijk te maken. Die wetenschappelijke standaard dient dan ook bij proefondervindelijke gebleken geschiktheid grondwettelijk te worden vastgelegd om misbruik tegen te gaan. In de vorm van een crisis of laagconjunctureel beleid tegenover een hoogconjunctuur.

Om tot een korte en bondige conclusie te komen, past het IMF-voorstel in dit postindustrieel plaatje.

# Tegelijkertijd haalt de Nederlandse Staat opvallend weinig geld op met indirecte belastingen, zoals de btw. Het relatieve gewicht van de btw-inkomsten is in Nederland met een vierentwintigste plaats van alle EU-landen heel laag. Een btw-heffing geldt als veel minder verstorend voor een economie, omdat ervan uit wordt gegaan dat mensen het geld toch wel laten rollen, ook als ze iets meer belasting over hun aankopen moeten betalen.

De vraag is natuurlijk waarom dit grote verschil bestaat in Europa, en van de middelbare school is bij mij de indruk achtergebleven (of overgehouden) dat er twee belastingstelsels bestaan, de directe (zoals ons land) en indirecte (zoals bijvoorbeeld Frankrijk), als twee communicerende vaten: duurdere producten (door hoge indirecte belastingen) maken lagere directe belastingen (fijn idee voor de burgers!) mogelijk en daarmee een lagere levenskosten ten dienste van de echt armen. Maar of dat klopt is mij – zonder volledige economische scholing – niet duidelijk en hoewel hierbij een autonome keuze voor iedere EU-lidstaat bestaat, verdient het wel onderzoek naar vóór- en nadelen hiervan. En of er wel wat te harmoniseren is zonder die nationale autonomie aan te tasten. Want dat speelt ook mee. Maar vandaag geldt maar één terechte prioriteit en dat is een optimaal economisch beleid – zoals hieronder genoemd -, als dat al mogelijk zou zijn want bestaat zoiets als economen het onderling altijd en overal oneens zijn over de beste aanpak (van een crisis bijvoorbeeld!). En een academicus weet dat er nooit een eensluidende of absolute waarheid bestaat! Alleen maar relatieve en tijdgebonden vormen van common sense.

DNB-pleidooi

# Het IMF-advies sluit aan bij een identiek pleidooi dat president Klaas Knot van De Nederlandsche bank (DNB) vorige week hield. Dat is geen toeval. De economen van DNB, het IMF, maar ook van de Oeso en het Centraal Planbureau, hebben in overlegcircuits regelmatig contact met elkaar over het optimale economische beleid en over wat dat voor Nederland aan beleidsaanpassingen zou kunnen betekenen. Knot wees er in deze krant op dat Nederland vergeleken met andere landen uitzonderlijk veel producten in het lage btw-tarief heeft. Zijn concrete suggestie: breng een groot aantal producten over naar het hoge tarief, of harmoniseer de btw, en gebruik de opbrengst om de loonbelasting te verlagen.

Mijn intuïtie zegt mij dat dit te gemakkelijk beredeneerd is en dus in de praktijk niet opgaat. Want anders had ons land allang het Franse stelsel overgenomen en dat is niet gebeurd. Er bestaan dus serieuze verschillen waar heftige politieke meningsverschillen over kunnen ontstaan.

Eigenwoningbezit

# Een goed alternatief voor een verhoging van de btw zou volgens het IMF een verhoging van de belasting op bezit zijn. De economen van het fonds hebben het vermogen op het oog dat burgers in de eigen woning hebben zitten. Ze becijferen dat er een groot voordeel voor de schatkist, en dus speelruimte voor verlaging van de loonbelasting, te behalen is door het eigenwoningbezit te verplaatsen van box 1 naar box 3. Knot opperde die mogelijkheid al in een interview met de Volkskrant.

Mijn gevoel zegt me dat dit geen oplossing is, want het gaat eerder om de echt vermogenden –miljardairs – in onze samenleving, die de grote financiële schuldenlasten in één handomdraai en dus moeiteloos kunnen aflossen. Dit wordt natuurlijk direct als ‘communistisch’ aangemerkt, maar daartegen over staat dat het eigenwoningbezit de middenklasse al treft en daarmee kom je niet uit op een fundamentele vernieuwing van inzichten. Het betreft wél een kwantitatief ‘voldoende’ grote doelgroep in vergelijk met de categorie van echte vermogenden, en dus makkelijker te incasseren belastingen door de overheid, maar dit blijven ‘peanuts’ omdat de politiek de vermogenden niet durft aan te pakken. Mijn alternatief blijft dus gericht op een nieuw denken van een postindustrieel belastingmodel, waarbij de logica bestaat uit het samengaan (in waardering) van materiële en immateriële – ofwel ‘tastbare’ producten en ‘ontastbare’ diensten als rapporten – producten die een gelijkwaardige positie krijgen en er dus geen overheveling meer noodzakelijk is van materieel naar immaterieel, want dat is de oude belastinglogica; ik vraag me dus af of de economische theorie op deze wijze niet geheel vernieuwd en geïnnoveerd kan worden: transponeren naar moderne tijden, want de huidige theorie is nog te 19e eeuws, zo sluit ik plagerig af.

https://fd.nl/economie-politiek/1196014/imf-slimmer-belastingstelsel-levert-nederland-welvaartswinst-op

Advertisements