(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Iedereen die doet alsof er vanavond duidelijkheid gaat komen, houdt de boeren nu meteen al, nog voordat het debat is begonnen, alweer voor de gek. Ik zou zeggen: zorgvuldigheid gaat, zeker nu, voor alles. Ik zou daarom willen voorstellen: vanavond de eerste termijn. Ik wil serieus een reactie van de staatssecretaris op alles wat wij in te brengen hebben, ook in het belang van de boeren. Dus het zou onze voorkeur hebben om volgende week zorgvuldig verder te gaan met de rest van het debat.

(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik heb me bijna vijf minuten ingehouden; ik ergerde me al in de eerste vijf seconden. De staatssecretaris heeft toch niets anders gedaan dan de wet uit te voeren waar de SGP voor heeft gestemd? De staatssecretaris heeft de Kamer toch uitgelegd — en de SGP weet dat ook — wat de regels zijn voor de derogatie? De Partij voor de Dieren pleit de staatssecretaris niet vrij hoor, want hij had moeten zeggen “dit is onuitvoerbaar en we komen in grote problemen”, maar de SGP was daar toch gewoon voor? U hebt mest aan uw handen, mijnheer Dijkgraaf, grote hoeveelheden mest.

(…)

De heer Dijkgraaf (SGP):

Dat is het verschil tussen mevrouw Ouwehand en mij, ik kom in de mestschuren en ik loop in mijn laarzen door die mest heen. Als het nodig is, dan heb ik inderdaad ook mest in mijn handen, terwijl mevrouw Ouwehand hier met schone handen staat, mag zij denken.

Wat we destijds hebben afgesproken, hebben we afgesproken. Dat hebben we nooit ontkend. Wij hebben echter alleen gezegd: sinds we die afspraken in 2003 maakten, is er wel veel gebeurd. Ik kom daar zo nog wel op terug. Er was alle aanleiding voor om na 2 juli 2015 met Brussel te spreken over bijvoorbeeld de volgende vragen. Wat doen we? Hoe tellen we? Hoe gaan we om met die export van fosfaat naar fosfaatarme landen? Zullen we nou eens het echte probleem aanpakken? Dat echte probleem is niet fosfaat, mevrouw Ouwehand. Het echte probleem is waterkwaliteit. Wat mij betreft was er al vóór 2 juli 2015 alle aanleiding om hierover te spreken.

Als mevrouw Ouwehand op een kaartje van Nederland zou intekenen waar er problemen zijn met de waterkwaliteit, en ze zou daarna de aantallen koeien erop zetten, dan zou zij zien dat die twee zaken voor geen meter matchen. Wij zijn hier een wet aan het introduceren die €500.000 per gemiddeld bedrijf kost terwijl we er geen enkel milieuprobleem mee oplossen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dit is een mooie afleidingsmanoeuvre. Maar de waarschuwingen dat het niet verstandig was om het melkquotum los te laten …

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ah, ja.

(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

… zonder daaraan een productiebeperking te koppelen, zijn al heel lang gegeven. De SGP heeft moties daarover afgewezen. De SGP heeft wel vragen gesteld. De SGP vroeg: is dat wel verstandig? Maar die partij heeft nooit gezegd: die productiebeperking moeten we tijdig regelen. Het is vandaag 1 december 2016. Op 1 december 2010 zei de Partij voor de Dieren dat al, in een motie. De SGP was ertegen. De SGP heeft willens en wetens deze sector in een onmogelijke positie geplaatst. De SGP heeft willens en wetens het risico genomen dat zou gebeuren wat er is gebeurd. Het is prima om de staatssecretaris ter verantwoording te roepen. Het is onze rol om dat te doen. Maar de SGP is hiervoor net zo verantwoordelijk als de staatssecretaris.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Mevrouw Ouwehand heeft het over geschiedvervalsing. Ik zie me nog zitten, samen met de heer Geurts, in een zaaltje op de begane grond van dit gebouw. Daar stelden we staatssecretaris Dijksma heel kritische vragen. Is het wel goed om dat melkquotum af te schaffen? Leidt dat niet tot grote problemen en tot ongewenste groei? Wij hebben de staatssecretaris aangezet tot het opstellen van een plan B, dat je achter de hand zou moeten hebben voor als het mis zou lopen. Dit kabinet zei: dat is niet nodig. Dit kabinet zei dat, niet de SGP.

De voorzitter:

Gaat u verder.

(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

D66 doet een aantal voorstellen die het wetsvoorstel een beetje afzwakken.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

“Verbeteren”, zou ik zeggen!

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De slechtheid ervan afzwakken. Op zichzelf ben ik daar wel positief over, maar wat het is met D66, is dat zij zich toch makkelijk laat meesleuren door die liberale praatjes van de VVD. D66 heeft ook heel lang volgehouden dat het afschaffen van het melkquotum gewoon prima was. Mijn vraag is dan ook of zij definitief overstapt naar de verantwoorde kant. Er komen ook voorstellen om de biologische boeren te ontzien en om echt de grondgebondenheid af te dwingen. Zal D66 dat steunen of vindt zij deze reparatie wel goed genoeg?

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Onder “grondgebonden” vallen ook de biologische boeren, want die werken doorgaans grondgebonden, dus ik zou hier geen tegenstelling willen creëren. Het loslaten van de melkquota was niet het probleem, maar wij hebben samen wel amendementen ingediend, waarin wij zeiden dat het prima was om het melkquotum los te laten, maar dat ervoor gezorgd moest worden dat er geen groei was als er geen land tegenover stond. Als je koeien aanschaft, moet je er land tegenover zetten, zodat je de mest daarop kunt uitrijden. Het probleem was dat de VVD de PvdA in de tang hield en die amendementen er niet doorheen kwamen. Wij verschillen soms van mening, omdat wij heel goed kijken naar wat mogelijk is en hoe we stappen vooruit kunnen zetten, terwijl u er vaak voor pleit om alles terug naar het oude te brengen. Daar ben ik niet van.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

D66 wil altijd twee heren dienen; aan de ene kant een liberaal profiel hebben en aan de andere kant groen.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Gezond verstand is dat.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

In dit geval gaat dat heel vaak mis. We hadden D66 graag aan onze zijde gerekend, toen we vanaf 2010 al zeiden dat er iets tegenover moest staan, als het melkquotum in 2015 zou vervallen. Ik wil nu graag dat D66 kiest voor dat duurzame profiel. De manier waarop grondgebondenheid is gedefinieerd in de Wet verantwoorde groei melkveehouderij en in dit wetsvoorstel, is niet grondgebonden. Je mag uitbreiden als je ergens in Noord-Holland een megastal hebt staan en in Drenthe wat lelievelden hebt gekocht waar je je mest op uitrijdt. Grondgebonden moet ook echt grondgebonden zijn. Biologische boeren moeten worden ontzien. Gaat D66 mee in het repareren op die vlakken of vindt zij haar eigen voorstel wel goed genoeg?

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik heb mijn inbreng nog niet eens afgerond of er worden al allerlei conclusies getrokken. Dat vind ik wel erg kort door de bocht. De staatssecretaris zal die vragen, die ongetwijfeld door u worden gesteld, beantwoorden. Het probleem was niet dat het melkquotum werd losgelaten, zoals u weet als u uw gezond verstand gebruikt, maar dat er aan de voorkant niet de afspraak werd gemaakt dat men niet zomaar kon groeien, maar dat dit grondgebonden moest zijn. Daarin hebben wij samen opgetrokken. Dat maakt D66 zo geweldig; dat wij blijven nadenken.

De voorzitter:

Gaat u verder.

(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De heer Graus zegt allemaal dingen die boeren graag willen horen, maar de vraag is natuurlijk: wat doe je daadwerkelijk dat de boeren helpt? Die vraag stel ik ook aan mevrouw Dik-Faber. Zij heeft veel mailtjes van boeren gekregen, zegt zij. Ik ben benieuwd naar het antwoord. Zegt de ChristenUnie daarin eerlijk en fair dat het kabinet precies doet wat zij het heeft gevraagd en dat zij het tot nu toe heeft gesteund?

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ik heb inderdaad ontzettend veel mails gekregen van boeren. Iedere situatie is weer anders. Ik zal die mails stuk voor stuk beantwoorden. De boeren krijgen allemaal een antwoord met betrekking tot hun situatie: wat we in de debatten hebben ingebracht en wat we uiteindelijk op basis van de stemmingen hebben kunnen veranderen in het wetsvoorstel. Ik wacht dus nog even met mijn antwoord en zal dan een terugkoppeling geven.

Inderdaad, de afgelopen jaren hebben we heel veel debatten gevoerd in de Tweede Kamer over de toekomst van de melkveehouderij. Ik zie het onvermogen van de Kamer, soms, om, verdeeld als zij is, het goede te kiezen. U mag echter van mij aannemen dat de ChristenUnie daarbij altijd, altijd, geen moment uitgezonderd, het belang van de Nederlandse boeren op het oog heeft gehad. Zo hebben wij altijd gestemd en zo hebben wij altijd onze voorstellen naar voren gebracht.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Nou, altijd? We zijn gewaarschuwd voor de ongebreidelde groei van de melkveehouderij. Bij de behandeling van dat wetsvoorstel heeft de ChristenUnie wel voorstellen gedaan om dat wat te verzachten, maar toen die amendementen niet werden aangenomen, heeft zij toch voor het wetsvoorstel gestemd. Ik vind het dus echt een beetje goedkoop om de schuld nu bij de staatssecretaris neer te leggen en te vragen of hij wel genoeg doet voor de sector waar wij zo trots op zijn, terwijl de ChristenUnie al die voorstellen heeft gesteund. Dat leidt de aandacht ervan af dat de ChristenUnie zelf verantwoordelijk is voor het laten groeien van de melkveehouderij terwijl we ervoor zijn gewaarschuwd dat het hierop uit zou draaien. Daar is mevrouw Dik-Faber ook zelf verantwoordelijk voor.

De voorzitter:

Dat was geen vraag.

(…)

De voorzitter:

Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Ouwehand, namens de Partij voor de Dieren. Voor de mensen op de publieke tribune; mevrouw Ouwehand heeft 60 minuten spreektijd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Als iemand tussentijds behoefte heeft aan een plaspauze, dan hoor ik het wel.

You can fool all the people some of the time and some of the people all the time, but you can not fool all the people all the time. Abraham Lincoln wist dat al. Je kan veel mensen tijdelijk voor de gek houden, je kan sommige mensen altijd voor de gek houden, maar je kan niet alle mensen altijd voor de gek houden. Wie dacht u nou eigenlijk voor de gek te kunnen houden, vraag ik aan de VVD, de Partij van de Arbeid, de PVV, het CDA, de SGP en de ChristenUnie. Wie dacht u nou voor de gek te kunnen houden? De boeren? Als ik een boer was, zou ik dik beledigd zijn dat deze partijen zo’n lage dunk hebben van mijn kritische vermogens.

De heer Geurts (CDA):

Ik ben persoonlijk aangesproken, dus ik dacht: laat ik maar even naar de interruptiemicrofoon gaan. Ik heb een vraag aan mevrouw Ouwehand. Afgelopen weekend had zij partijcongres. Als ik goed geïnformeerd ben, lag daar een amendement met het voorstel om in het verkiezingsprogramma op te nemen dat 70% van de veehouderij uit Nederland zou moeten verdwijnen. Klopt dat?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Zeker. De Partij voor de Dieren staat voor een krimp van de Nederlandse veestapel. Dat is niets nieuws. Wij hebben gekeken naar verschillende randvoorwaarden die gewoon harde realiteit zijn, zoals klimaat, natuur, milieu, dierenwelzijn, voedselzekerheid en een reëel toekomstperspectief voor de boeren. Wat houd je dan over? Een veestapel van ongeveer 30% van de dieren die nu in Nederland in de bio-industrie staan.

De heer Geurts (CDA):

Ik meen me te herinneren dat op het congres werd aangegeven dat het ten minste 70% moest zijn en dat het zelfs meer mocht zijn, maar dat mevrouw Ouwehand zei: beste leden van de Partij voor de Dieren, doe dit niet, want dit komt heel erg over in de samenleving. De Partij voor de Dieren wil 100% van de veehouderij afschaffen, maar zij zet dat niet in haar verkiezingsprogramma, omdat dat te radicaal is om op papier te zetten. Dat is wel de inzet van de Partij voor de Dieren. Dan weet ik, maar dan weet ook de tribune en iedereen die meeluistert, wat de waarde is van de bijdrage van de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Leuk geprobeerd. Ik zou dat misschien ook wel zo doen, als ik wat minder schaamte zou kennen, om de aandacht ervan af te leiden dat ik de boeren in grote problemen had gebracht. De Partij voor de Dieren staat voor een inkrimping van de veestapel met 70%. Er was een voorstel op het congres om de hele veehouderij af te schaffen, maar daarvan heeft ons congres gezegd dat we dat niet doen. Dit is de lijn van de Partij voor de Dieren. Die is niet nieuw. Dat de heer Geurts daar een dingetje van probeert te maken om zo stemmen te winnen bij de boeren, moet hij zelf weten. Ik denk dat boeren slimmer zijn dan dat.

De heer Graus (PVV):

Ik snap de opmerking van mevrouw Ouwehand tegenover mij niet. Ik ben al tien jaar en ook deze hele avond aan het uitleggen dat ik altijd totaal andere moties heb ingediend. Ik heb de afgelopen tien jaar een totaal andere lijn ingezet dan de partijen die mevrouw Ouwehand opnoemt. Ik snap daar dus niks van. Dat kan ik echt niet begrijpen. Ik ga het gewoon herhalen: ik ben de enige geweest die tegen Natura 2000 was en heeft gewaarschuwd voor de stroppen die onze boeren, tuinders en vissers van de Europese Unie krijgen. Ik ben de enige geweest! Hoe kan mevrouw Ouwehand nou zeggen dat ik de boeren iets raars heb voorgehouden of voor de gek heb gehouden? Dat is toch een schande?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Als de heer Graus klaar is met praten, kan ik misschien antwoord geven. Wat de heer Graus doet, mag natuurlijk. Je mag tegen Natura 2000 zijn. De PVV heef niks met natuur en milieu. Snap ik. Het is echter een juridische realiteit dat Nederland zich daaraan heeft gecommitteerd. Je kunt tegenover de boeren dus wel doen alsof die regels niet bestaan, alsof je die kunt uitgummen, maar de realiteit is dat Nederland daaraan wordt gehouden. Als mensen naar het Europese Hof stappen, krijgen zij gelijk en dan moet de uit de kluiten gewassen veehouderij alsnog worden ingekrompen. Daar moeten of de belastingbetaler of de boeren zelf voor opdraaien. Ik snap wel dat de heer Graus het anders zou willen, maar hij vergeet de boeren te vertellen wat de harde realiteit is. Dan zijn het mooie praatjes: alleen maar zeggen wat de boeren willen horen en niks doen wat de boeren daadwerkelijk helpt. En daar heb ik het over.

De heer Graus (PVV):

Dat is niet waar. Ik heb net een hele riedel opgelezen waarmee ik de boeren zou helpen. De voorzitter greep nog in. Bovendien willen wij inderdaad uit de Europese Unie. Wij willen zonder de Europese Unie, maar wij zijn wel voor Europa. De producten van onze boeren zijn wereldwijd gewild. In China slaan de Chinezen elkaar de koppen in om onze melkproducten en melkpoeder te krijgen. Daar wordt zelfs de maffia voor ingeschakeld. Wij hebben een lijn. Als boeren die weten, kunnen zij kiezen op welke partij ze gaan stemmen. Stemmen zij op ons, dan weten zij wel dat de toekomst er beter uitziet. Dat is een lijn. Dat ik niet altijd mijn zin heb gekregen, daar heeft mevrouw Ouwehand een punt.

Tot slot. Er werd gezegd dat de PVV niets heeft met natuur, maar dat pik ik gewoon niet, want ik heb mij ontzettend ingezet voor natuur en voor dieren. Ik sta te boek als een van de dierenambassadeurs van Nederland. Ik heb mij juist heel erg ingezet voor natuur. Alleen, ik heb ook gezegd dat onze boeren onze natuur beheren; dat klopt.

De voorzitter:

Mijnheer Graus, u hebt uw punt gemaakt.

De heer Graus (PVV):

Daar mag mevrouw Ouwehand anders over denken, maar ik vind inderdaad dat je onze boeren ook een deel van onze natuur moet laten beheren. Dat klopt.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik heb er behoefte aan om mijn opluchting hier kenbaar te maken. Ik begrijp het zo dat, als de Partij voor de Dieren aan de macht komt, wij nog steeds ons gehaktballetje hebben en ons karbonaatje, ons biefstukje, ons glaasje melk en een plakje kaas. Dat blijft allemaal gewoon.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Wel een stukje minder, hè! Jaren geleden was het gebruikelijk om twee keer in de week vlees te eten. Dat was gezond voor iedereen. Dat zou nou mooi zijn voor de natuur, het milieu, de klimaatdoelen en het dierenwelzijn én voor een kleinschalige landbouw waarbij voldoende wordt betaald voor de producten die de boeren leveren en die regionaal worden geproduceerd. Dan kunnen boeren weer werken zoals zij dat eigenlijk het liefst zouden willen. Want je maakt mij niet wijs dat boeren gelukkig zijn met deze ratrace naar de bodem, de schaalvergroting en de intensivering. Ja, dat is waar de Partij voor de Dieren voor staat.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik ben het daar totaal niet mee eens, maar ik vind het wel een beetje een softe benadering. En daar ben dan wel weer blij mee, want dan houden wij in ieder geval nog iets over op ons bordje.

De voorzitter:

Gaat u verder, mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De Partij voor de Dieren vindt dat er ook een belangrijke grote persoonlijke verantwoordelijk is bij de keuze die je maakt voor je dagelijks voedsel. De heer Dijkgraaf weet heel goed dat wij ook vinden dat de overheid de taak heeft om de publieke waarde die ik zojuist benoemde — natuur, milieu, dierenwelzijn, voedselzekerheid …

De voorzitter:

Dat hebt u al een paar keer gezegd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik raak een beetje afgeleid doordat u vindt dat ik snel door moet praten. Ik wil graag antwoord geven op de vragen van de heer Dijkgraaf.

De voorzitter:

Wel graag kort.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De overheid heeft tot taak om die publieke waarden te borgen. Daar hoort bij dat wij allen onze vlees- en zuivelconsumptie fors matigen. Daar zal de overheid ook maatregelen voor moeten nemen. Daarbinnen houdt iedereen zijn eigen keuzevrijheid.

De voorzitter:

Gaat u verder. En niet meer uitlokken, want dan staan ze weer bij de interruptiemicrofoon.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ja, voorzitter, maar dat is nu eenmaal waar dit debat over gaat. Ik kan het niet helpen.

De voorzitter:

Niet in herhaling vervallen. Gaat u verder.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Wat deze partijen — ik zal ze niet weer noemen, want dan staan ze zo weer bij de interruptiemicrofoon — gedaan hebben, is het volgende. Zij hebben de staatssecretaris een vierkante puzzel gegeven, met daarbij de opdracht: maak hem eens rond. En als dat niet lukt — zoiets is natuurlijk niet mogelijk — gaan zij een beetje staan mopperen en zeuren, en zeggen zij dat de staatssecretaris niet goed genoeg zijn best doet. Ik kan het nog sterker zeggen: de staatssecretaris heeft een tafel van 1 meter bij 1 meter tot zijn beschikking en de Kamer zegt tegen hem: hier heb je een puzzel van 2 meter bij 2 meter, zorg even dat die past. Dat kan natuurlijk niet. Aan alle kanten vallen de stukken eraf: daar het dierenwelzijn, daar het milieu, daar de kleinschalige gezinsbedrijven, daar de natuur, daar de biologische boeren en daar de klimaatdoelen. Dat zijn harde grenzen. Dat zijn geen maatschappelijke wensen — de staatssecretaris vindt het leuk om het op die manier te downplayen, alsof het niet uitmaakt of wij er wel of niet aan voldoen — maar harde feiten. Zelfs als wij die randvoorwaarden zouden laten vallen, gesteld dat wij die collectief niet serieus zouden nemen, en de staatssecretaris een grotere tafel zou kunnen toveren om de puzzel op te leggen — hij kan dat niet, maar stel dat hij dat wel kon — dan nog zou de puzzel niet blijven liggen, want onder de tafel ligt de bom van de wereldmarkt waarop de Nederlandse boeren eenvoudigweg niet kunnen concurreren. Onze grond is te duur en onze arbeid is te duur. Wie houdt dus wie voor de gek?

Het probleem met de veehouderij is dat de meerderheid van deze Kamer niet het lef heeft om de harde grenzen serieus te nemen en tegen de boeren te zeggen: dit is hoe het is. Het enige wat de meerderheid doet, is de boeren naar de mond praten. Zij zeggen wat de boeren willen horen, maar intussen sturen zij de boeren naar de rand van de afgrond.

Het voorgaande doet mij denken aan hooligans. Ik weet weinig van voetbal, dat geef ik meteen toe. De hooligans, die zogenaamd de grootste supporters zijn, maar in werkelijkheid hun club en de maatschappij grote schade toebrengen, zijn een fenomeen dat zich ook voordoet in de politiek. Dat is altijd een beetje treurigjes: je hele huis volgepakt met Feyenoordposters — of posters van Ajax of een andere club — het clublied als ringtone, je vrouw laten slapen onder het dekbed met het clubembleem en iedere dag de deur uit gaan in je Feyenoordtrainingspak. Kortom, je bent de grootste fan, maar in werkelijkheid is je club je liever kwijt dan rijk. En iedereen ziet het, behalve die supporter zelf. Die denkt echt dat het clubliefde is.

Misschien denkt men dat de Partij voor de Dieren de staatssecretaris hier vrijpleit door te wijzen op de valse boerenliefde van VVD, PVV, CDA, SGP en ChristenUnie, die de melkveesector in een regelrechte identiteitscrisis hebben gestort, met de Partij van de Arbeid als een willoze meeloper. Dat echter doet de Partij voor de Dieren zeker niet. Er zijn hogere belangen te dienen dan die van pais en vree binnen de coalitie. Als de VVD het voor elkaar krijgt om de Partij van de Arbeid het zwijgen op te leggen en een CDA-agenda op het terrein van de landbouw door te drukken, dan is het altijd nog aan de bewindspersoon, de verantwoordelijke bestuurder, om te zeggen: dit is onverantwoord; dit is onuitvoerbaar en ik zal u uitleggen waarom; u kunt uw wil wel doordrukken, mevrouw Lodders van de VVD, maar ik ga die niet uitvoeren, want het zal de boeren in een diepe crisis storten en het zal de belastingbetaler heel veel geld gaan kosten; het is wanbeleid wat u vraagt.

Er wordt gesuggereerd dat de staatssecretaris te weinig zijn best doet in Brussel. Ik geloof daar geen snars van. Ik vind het een goedkope afleidingsmanoeuvre om de aandacht af te leiden van het feit dat je zelf om deze plannen gevraagd hebt, dat je zelf weinig beters hebt gedaan voor een verantwoorde en houdbare melkveehouderij.

De Partij voor de Dieren mist geen staatssecretaris die in Brussel zijn best doet. Dat doet hij heus wel. De Partij voor de Dieren mist een staatssecretaris die het lef heeft om de Kamer voor te houden: wat u wilt, wordt een drama. Een staatssecretaris die leiderschap toont, die alle belangen, randvoorwaarden en harde grenzen serieus neemt en die een beleid presenteert dat wél houdbaar is voor de toekomst.

Ik snap de klem waar de boeren in zitten en ik snap ook wat zij ons vragen via de petities die wij vanmiddag in de hal ontvingen. Zij vragen duidelijkheid, maar ergens wordt er ook gevraagd naar de mogelijkheid van groei. De Partij voor de Dieren is zo ongeveer de enige partij die eerlijk durft te zeggen dat dit niet samengaat. Ofwel wij gaan voor duidelijkheid: dit is de ruimte die er is voor de melkveehouderij en daar gaan wij met een goed overgangsplan naartoe werken, maar wij weten allemaal dat die ruimte niet zo groot is als nu wordt gesuggereerd. Ofwel wij gaan voor groei, maar in dat geval blijven wij tegen grenzen oplopen die wel degelijk keihard zijn. Dan zullen wij iedere keer komen met schijnoplossingen die steeds heel even een klein beetje pijn zullen wegnemen, maar die nooit de zekerheid zullen bieden waar de boeren op zouden mogen rekenen.

Voor het belang van grenzen stellen en de heilzame effecten daarvan kom ik ook alweer terecht bij voetbal: Louis van Gaal. Als je grenzen stelt, kan iedereen daarbinnen vrij bewegen, zei hij. Een van die grenzen is dierenwelzijn. Dat wordt steeds slechter, terwijl de samenleving steeds meer waarde toekent aan de manier waarop we met dieren omgaan. Dat krijg je niet weggemasseerd; die roep zal niet verstommen. Terwijl we hier het debat voeren, is bij het tv-programma Rambam te zien hoe stierkalfjes, het restproduct van de melkveehouderij, worden vermalen tot groene stroom. Dat druist in tegen ieder moreel gevoel van de burgers van Nederland. Als je als lid van het kabinet erkent dat de samenleving steeds meer waarde toekent aan het welzijn en de belangen van dieren, weet je dat je, als het beleid de veestapel nog verder laat groeien, als het beleid ervoor zorgt dat koeien nog vaker op stal komen te staan en nooit meer in de wei komen, als gezonde dieren worden afgeslacht als gevolg van het beleid, rechtstreeks ingaat tegen de gerechtvaardigde opvattingen van de burgers die je had moeten dienen.

De melkveehouderij verkeert nu vooral in een identiteitscrisis. Boer staat tegenover boer. Dat krijg je ervan als je doet alsof alles kan. Als de gierput overloopt, slacht men de koe. Niet één koe, maar 200.000 koeienoffers moeten Brussel gunstig stemmen om de derogatie ongemoeid te laten. Dat is een eufemisme voor mogen afwijken van alles wat is afgesproken. Lukt dat niet, dan is de stok achter de deur dat 480.000 gezonde koeien worden geofferd op het altaar van de economie, niet omdat er iets mis is met die koeien, maar omdat er van alles mis is met de melkveehouderij. Die laat zien dat zelfregulering niet werkt. Geldzucht is een ergere kwaal dan MKZ (mond-en-klauwzeer) en varkenspest, zo moeten we vaststellen. Het is triest, maar waar.

De zaken liggen precies andersom dan iedereen dacht, zei Geert Hekkert, hoofdredacteur van Boerderij. Zo is dat. In het langlopende debat over de veehouderij in Nederland is niets wat het lijkt of in elk geval is niets zoals de verantwoordelijken het proberen voor te stellen. Als je het positief formuleert, zou je de zoveelste crisis in de veehouderij het gevolg kunnen noemen van een buitengewoon hardnekkig gevalletje van wensdenken. Wensdenken dat Nederland de melkboer van de wereld kan zijn. Wensdenken dat milieu- en natuurregels zomaar kunnen worden uitgegumd, nadat we tegen de grenzen zijn opgelopen. Wensdenken dat de cowboys van de sector zichzelf wel zullen beteugelen en die megastal niet zullen bouwen omdat zij daarmee hun collega-boeren in de problemen zullen brengen. Wensdenken dat de maatschappelijke weerstand tegen de manier waarop koeien en kalfjes worden behandeld wel weer overwaait. Er is echter weinig reden tot positief formuleren. Wensdenken klinkt een beetje onschuldig. Wie jarenlang met keiharde gegevens over de mogelijkheden en vooral de onmogelijkheden voor de veehouderij in Nederland regeert, moet worden verweten dat hij willens en wetens problemen heeft veroorzaakt die allemaal vermeden hadden kunnen worden. Dat zijn grote problemen, groot en vermijdbaar; voor de dieren die massaal worden geslacht om de derogatie te redden; voor de biologische boeren en het gezinsbedrijf, die moeten bloeden voor de hebzucht van de grote jongens met hun megastallen; voor de natuur, voor het milieu en voor ons water, dat veel te zwaar vervuild wordt met mest; en voor de belastingbetaler die mag opdraaien voor het gokken op de zak van iemand anders.

Daarbij gaat het niet alleen om de miljoenen die er nu in gestoken worden, maar vooral om de uitkoopsommen die de Staat dreigt te moeten gaan betalen omdat een meerderheid vond dat er geen juridische borging hoefde te komen. Een volledig vrijblijvende afspraak dat de sector als geheel de boel niet uit de hand zou laten lopen, was genoeg. De situatie waarin we zijn beland is crying over spilled milk, in de meest letterlijke zin van het woord. De politiek heeft de situatie willens en wetens uit de hand laten lopen. Ik stel nogmaals de VVD, de PvdA, het CDA, de SGP, de ChristenUnie en de PVV verantwoordelijk voor het offeren van de levens van honderdduizenden kerngezonde dieren en voor het in gevaar brengen van agrarische gezinsbedrijven.

Het is verkiezingstijd. Behalve het beschamende, opzichtige gehengel naar de boerenstem, de strijd op rechts over wie zich weet te profileren als de grootste supporter van de boeren, krijgen we straks natuurlijk ook de vergelijking van de doorrekeningen van de verkiezingsprogramma’s, de strijd om wie zich weet te profileren als de beste vriend van de belastingbetaler. De Partij voor de Dieren heeft nooit zo veel met die boekhoudersdebatjes. Waar het om gaat, is welke keuzes je maakt als je daadwerkelijk bent gekozen. Verantwoord begrotingsbeleid; onthoud dat als straks blijkt dat talloze boeren moeten worden uitgekocht met miljoenen aan belastinggeld omdat deze partijen het vertikten een verantwoord landbouwbeleid te voeren. Nee hoor, zei de staatssecretaris bij het ontraden van mijn amendement. Dat woordje “verantwoorde” in de titel van het wetsvoorstel Verantwoorde groei melkveehouderij moest heus blijven staan, want dat zou ervoor zorgen dat de groei binnen alle milieugrenzen zou blijven. Dat hadden LTO en NZO namelijk beloofd.

De voorzitter:

De heer Graus heeft een heel korte vraag.

De heer Graus (PVV):

Ik zal het kort houden, want ik zie de boeren de tribune al verlaten. Die mensen zijn immers van heinde en verre gekomen. Waar het mij om gaat, is dat de Partij voor de Dieren zich wederom schuldig maakt aan leugens over de PVV. Steeds meer mensen komen daarachter. Ik wil dat gewoon voor de Handelingen zeggen. Niets van wat mevrouw Ouwehand over de PVV heeft gezegd, kan zij staven: dat wij geen natuurvrienden zijn, dat wij dieren niet belangrijk zouden vinden. Dat is grote onzin. Sterker nog, de meeste moties over dieren die de Partij voor de Dieren ooit aangenomen heeft gekregen, zijn aangenomen dankzij de steun van de PVV. Buiten roepen dat er einde moet komen aan de bio-industrie, heeft niemand zo veel bereikt als de PVV, zowel voor de dieren als voor de boeren. Ik weet dus bij God niet waar mevrouw Ouwehand het over heeft. Ik wil dit echter gewoon in de Handelingen opgenomen hebben. Ik ga ook niet meer opstaan, maar de mensen zijn niet achterlijk. Een Kamerlid zou niet behoren te liegen. Ik vind dat echt een schande.

De voorzitter:

U hebt uw punt gemaakt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Als de PVV ermee instemt dat de veehouderij groeit en groeit en groeit, geldt dat ieder dier dat daarin wordt geboren wordt, moet lijden en wordt afgeslacht; een vorm van dierenleed dat door de PVV is veroorzaakt. Je kunt mij niet wijsmaken dat het plan om 200.000 gezonde koeien naar de slacht te brengen, diervriendelijk is. Het plan is er, omdat de PVV vond dat de melkveehouderij moest groeien. Als je daar steun aan verleent, ben je verantwoordelijk voor de consequentie. De consequentie is dat er 200.000 gezonde dieren naar de slacht worden gebracht, met dank aan de PVV.

De heer Graus (PVV):

Anders gebeurt het in Roemenië.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Anders gebeurt het in Roemenië. Ja, krijgen we dat weer. U bent verantwoordelijk voor de beslissingen hier over de Nederlandse melkveestapel en u stemt ermee in dat die uit de kluiten groeit, dat daar dieren worden afgeslacht die gezond zijn en dat dieren niet op hun poten kunnen staan van ellende. Dank u wel, voor de dieren.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

De Partij voor de Dieren schetst zichzelf als een redder in nood in de melkveehouderij. Enkele andere partijen, waaronder die van mij, worden weggezet als partijen die de melkveehouderij in de steek laten, of met nog ergere woorden. Diezelfde Partij voor de Dieren zette hier vorige week de boeren weg als dierenmishandelaars. Een collega, mevrouw Thieme, zei letterlijk dat de weg naar de hel is geplaveid met zichtstallen. Is mevrouw Ouwehand bereid om namens de Partij voor de Dieren die woorden terug te nemen? En toch maar de vraag: wie is hier nu gek?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De Partij voor de Dieren heeft de boeren niet weggezet als dierenmishandelaars. De Partij voor de Dieren zegt dat het politieke landschap hier weigert om dierenwelzijn serieus te nemen en toestaat wat er, gewoon legaal, met dieren in de veehouderij gebeurt. Als je besluit je hond zonder verdoving te castreren, ben je strafbaar. Maar als je dat in de varkenshouderij met een biggetje doet, is het toegestaan. Dat komt doordat partijen als die van mevrouw Dik-Faber dit toestaan. Dat zeggen we. We benoemen dat als dierenmishandeling. Dat zal mevrouw Dik-Faber toch niet ontkennen? Het is dierenmishandeling om van weerloze dieren, zonder verdoving, lichaamsdelen af te snijden.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Vorige week hebben we hier in deze zaal een debat gehad met mevrouw Thieme. Waarschijnlijk was mevrouw Ouwehand daarbij. Mevrouw Thieme heeft letterlijk gezegd dat boeren dierenmishandelaars zijn en dat de weg naar de hel geplaveid is met zichtstallen. Ik vind dat uitermate kwalijke woorden. Ik zou heel graag willen dat die woorden worden teruggenomen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat hebben we niet gezegd. We benoemen dat er sprake is van structurele, georganiseerde, legale dierenmishandeling in de veehouderij. Dat valt op geen enkele manier te ontkennen. Wie dat wel probeert, staat gewoon te liegen. En dat wordt geaccommodeerd door gebrekkige wet- en regelgeving. Wij willen die regels aanscherpen. Wij willen een einde maken aan het mishandelen van dieren in de veehouderij. Maar boeren zijn daar niet aansprakelijk voor, want zij maken gewoon gebruik van de ruimte die de overheid hun biedt om op die manier met hun dieren om te gaan.

Ik vervolg mijn betoog. De groei van de veehouderij zou helemaal verantwoord zijn en binnen de milieugrenzen blijven, want dat hadden LTO en de Nederlandse Zuivelorganisatie beloofd. De groei van de melkveehouderij zou geen enkel probleem zijn, want dat had de sector beloofd. De derogatie kwam echt niet in gevaar. De staatssecretaris beloofde dat met de hand op haar hart en wuifde al onze vragen, amendementen en moties weg. Melk was immers de witte motor van de economie en zelfregulering was het toverwoord van de sector, die heus wel wist wat hij deed. En minder regels paste nu eenmaal prima in de samenwerking tussen de VVD en de PvdA. Nu moeten honderdduizenden dieren die eerst van hun kalfjes en van hun moedermelk beroofd werden, ook nog boeten met hun leven voor een probleem waaraan ze part noch deel hebben. Hoe schrijnend kunnen opvattingen over rentmeesterschap zijn? De melk wordt duur betaald, niet door de consument maar door de belastingbetaler. En dat maakt de situatie nog schrijnender.

Verantwoorde groei, grondgebonden; de belangenbehartigers van de melkveehouders hadden het beloofd. Net zoals zij beloofden dat 80% van de koeien in de wei zou staan. Maar daar staan we weer vlak voor het kerstreces met spoed een wijziging van de Meststoffenwet te behandelen. Voor het zoveelste jaar op rij moet er een noodplan voor melkveehouderij worden besproken. De groei was niet verantwoord en overschrijdt al onze milieugrenzen. Vorig jaar produceerde Nederland 76 miljard kilo mest. Dat is evenveel kilo als er in de hele Europese Unie aan papier en karton wordt gebruikt. En dat is 5 miljard kilo meer dan aan het begin van deze kabinetsperiode. Stront aan de knikker in de meest letterlijke zin van het woord!

Dit jaar is het mestoverschot alleen nog maar gegroeid. Deze enorme mesthoop bedreigt niet alleen de waterkwaliteit, de gezondheid van de bodem en de natuur in Nederland, maar duizenden boeren dreigen failliet te gaan. De PvdA-staatssecretarissen hadden binnen de afspraken in het regeerakkoord alle ruimte om te zorgen dat het mestoverschot verkleind zou worden. Maar ze deden het omgekeerde.

Het is gemakkelijk om de pijlen op het kabinet te richten. De staatssecretaris en zijn voorgangers hebben gefaald. Zij hadden alle kans om productiebeperkende maatregelen op te leggen, en zij hebben dat niet gedaan. Zelfs nu, wanneer het eigenlijk te laat is, biedt het kabinet geen oplossing, geen hoop en geen visie. Er is geen begin van een antwoord op hoe het zo ver heeft kunnen komen en hoe het nu verder moet. Ik deel de kritiek op de staatssecretaris. Daar zal ik later uitgebreider op terugkomen.

Het kabinet heeft niet zijn eentje voor de huidige chaos en problemen gezorgd. En het is ook niet alsof we niet geïnformeerd waren. De partijen die ik noemde, hebben boter op hun hoofd en hebben, misschien niet met opzet maar hoe dan ook, genegeerd waarvoor we gewaarschuwd zijn. Verkiezingsbeloftes over een duurzame veehouderij zijn een vlag op een strontschuit gebleken. Vanaf het rapport van de commissie-Wijffels uit 2001 weten we namelijk dat de dieraantallen omlaag moeten, maar partijen doen niets om dat ook te laten gebeuren. Ja nu, nu gaan de gezonde dieren naar de slacht. Maar dat is niet wat Wijffels bedoelde met die krimp van de veestapel.

Het huidige mestprobleem is niet zomaar ontstaan. Het was niet voor niets dat in 2002 de Europese Commissie tegen Nederland zei: oké, jullie mogen meer mest uitrijden op jullie landbouwgrond dan eigenlijk verantwoord is — dat is dus die derogatie — meer dan de boeren in andere landen mogen, maar daar verbinden we wel een belangrijke voorwaarde aan. De totale mestproductie mag niet hoger worden dan zij nu is. Een stelsel van dierrechten moest voorkomen dat de varkens- en kippenstapel verder zou groeien en voor koeien was er een Europees productieplafond: de melkquota. Maar in plaats van deze productiebeperking te omarmen, hebben de belangenbehartigers van de veehouderij zich daar altijd tegen verzet. Er moest steeds meer en meer en meer geproduceerd worden.

Nederland heeft daarom in Brussel altijd actief gepleit voor het opheffen van de melkquota. CDA, VVD en PVV vonden die productiebeperkingen, die niet alleen de desastreuze milieueffecten van de veestapel een beetje in toom moesten houden, maar bovendien de prijzen van melk en vlees hoog hielden, maar een doorn in het oog. Er is hard gelobbyd en met succes. Per 2015 werd het Europese melkquotum opgeheven. In de aanloop naar de opheffing daarvan, die door LTO, de zuiveljongens en hun politieke equivalenten als bevrijdingsdag werd geduid, begon de melkveestapel al vanaf 2012 fiks te groeien. Zozeer zelfs dat de aankondiging van het kabinet-Rutte I, met staatssecretaris Bleeker, dat de dierproductierechten op varkens en kippen wel konden worden opgeheven, toch niet kon doorgaan. Dat leek mij een belangrijke waarschuwing. Maar de groei van de melkveestapel werd niet aan banden gelegd. Koeien met gouden horens, beloofde LTO de melkveehouders. Elk Chinees schoolkind zou een halve liter melk per dag moeten drinken, aangemoedigd vanuit de Nederlandse voorbeeldprojecten in China. Het kon niet op, terwijl er vanuit de onafhankelijke wetenschap en de adviesorganen van de overheid, zoals het Planbureau voor de Leefomgeving, al stevige waarschuwingen kwamen over de gevolgen van de ongebreidelde groei van de melkveestapel.

In 2010 zei het PBL al: er zal productiebegrenzing nodig blijven. In 2011 herhaalde Cap Gemini die waarschuwing. Maar het kabinet, aangemoedigd door het overgrote deel van de Kamer en opgehitst door LTO, was horende doof en ziende blind. Dat er elke week meer familiebedrijven omvielen en meer megastallen verrezen, dat het aantal koeien die de weide nog zien tijdens hun leven drastisch afnam, dat een voorman van ZLTO al jaren geleden toegaf dat zo’n 40% van de mest illegaal werd gedumpt, dat de natuur in Nederland wordt verstikt door een stikstafdeken, de waterkwaliteit al jaren niet meer verbetert en de doelen van de Kaderrichtlijn Water nooit gehaald zullen worden in dit meest veedichte land ter wereld; men koos ervoor, dat allemaal te negeren. Nederland moest meer zuivel produceren, het koste wat het kost.

Ook aan de productiebeperking van kippen- en varkensmest werd gemorreld, via de zogenaamde POR-regeling, die CDA en VVD erdoor hebben gedrukt. Daarom is er nu geen ruimte meer om iets te schuiven in de sectorale mestplafonds die zijn afgesproken. Zelfs al zouden varkenshouders inderdaad willen stoppen om de cowboys meer ruimte te geven, door het politieke gesjacher en het willen binnenhalen van electorale winst is er helemaal geen enkele ruimte meer. Nederland produceert gewoon veel en veel en veel te veel mest.

Wij zien wat dit gaat kosten: het leven van 200.000 koeien en als wij pech hebben 400.000. Het kost duizenden melkveehouders meer geld dan zij kunnen verdienen wanneer de derogatie verloren gaat. Terecht stonden de boeren zojuist in de hal met hun laarzenactie. Het kost vele biologische melkveehouders hun toekomst. Ook zij stonden terecht hier. Het kost belastingbetalers miljoenen euro’s om de melkveehouders nog een klein beetje te compenseren voor de enorme fouten die zijn gemaakt.

In het debat over de verantwoorde groei van de melkveehouderij heb ik aandacht gevraagd voor de vraag waar de melk nu eigenlijk vandaan komt. Verontwaardiging alom: hoe durfde ik het over koetjes en kalfjes te hebben bij de behandeling van de melkveewet? Toch vind het van belang om iedereen er vandaag weer aan te herinneren waar de melkveehouderij op draait: het jaarlijks geboren laten worden van een kalf, dat direct bij zijn moeder wordt weggehaald en daarna, als het een stiertje is, voor de melkveehouder geen waarde meer heeft. Kalfjes die tegen zo laag mogelijke kosten op slachtgewicht moeten komen, nooit de wei zien en geen melk en aandacht van hun moeder krijgen, maar wel grote hoeveelheden antibiotica om niet al te ziek te worden in hun korte leven, dat zij in grote schuren slijten. De te lichte stierkalfjes die het economisch niet waard zijn om te worden opgefokt, worden verbrand en vervolgens als groene stroom gesleten aan burgers die duurzaam willen leven. Hoe wrang, voorzitter, hoe ontzettend wrang. De kalfjes, de reden waarom koeien melk maken, zijn de grote blinde vlek in de melkveehouderij. Dat het welzijn van koe en kalf geen onderdeel is van het debat over de melkveehouderij is wereldvreemd. Ik wil van de staatssecretaris horen hoe hij ervoor gaat zorgen dat deze morele blinde vlek wordt opgelost.

Dat er in de discussie over de melkveehouderij niet over de dieren wordt gesproken, is niet de enige merkwaardigheid in dit debat. Vandaag hebben we het over fosfaatrechten en grondgebonden melkveehouderij, twee omineuze begrippen die de moeite van het goed ernaar kijken waard zijn alvorens het voorliggende wetsvoorstel en alle problemen die dat met zich brengt te kunnen bespreken. Fosfaatrechten bespreken we als eerste. Dit wetsvoorstel roept rechten in het leven. Er bestaan wel varkensrechten en pluimveerechten in de Nederlandse wet, maar dat zijn helaas geen rechten voor varkens, kippen en kalkoenen. Het betekent dat veehouders een bepaalde hoeveelheid varkens en kippen mogen houden. Dit wetsvoorstel creëert fosfaatrechten, dus rechten voor boeren, al staan die er natuurlijk ook niet per se om te springen. Het zijn namelijk geen rechten om een goede prijs voor een product te krijgen, zodat ze niet met het hele gezin onder het bestaansminimum hoeven leven of rechten om beschermd te worden tegen oneerlijke concurrentie door handelsdeals zoals TTIP en CETA, nee, het is het recht om te vervuilen. Zo’n recht bestaat niet en dat is maar goed ook. Eenieder moet zorgdragen voor onze gezamenlijke leefomgeving en hulpbronnen. Niemand heeft het recht om dat na te laten en dus om te vervuilen. Een vervuilingsrecht bestaat niet en zou dus ook niet in een economisch systeem moeten bestaan en al helemaal niet vrij verhandelbaar mogen zijn, zoals het kabinet voorstelt.

Nu kom ik op grondgebondenheid en grondgebonden melkveebedrijven. Wat zijn dat precies? Wat de Partij voor de Dieren betreft zijn dat bedrijven met eigen grond rondom de stal, waar de dieren op kunnen weiden. Dat is dus geen megastal ergens in Noord-Holland of waar dan ook, die de mest uitrijdt op gepachte gronden in Drenthe waar lelies op worden geteeld, spookgronden. Dat heeft niets te maken met gesloten kringlopen en duurzame landbouw. Het dierenwelzijn is al helemaal ver te zoeken. Wat het kabinet “grondgebonden” noemt, is niet grondgebonden. In de voorbereiding van de invoer van fosfaatrechten zijn er grote politieke fouten gemaakt, fouten die er nu voor zorgen dat er ook volgend jaar geen enkele wettelijke beperking ligt op een nog verdere groei van de melkveestapel, fouten die ervoor zullen zorgen dat de derogatie van alle melkveehouders verloren gaat. Laat helder zijn dat de Partij voor de Dieren ziet dat de derogatie tot onacceptabele milieuvervuiling leidt. Wij zijn dus geen voorstander van derogatie. De wijze waarop we de derogatie nu gaan verliezen, draait boeren de nek om. Het is een kille sanering, waardoor alleen de megastallencowboys binnenkort nog overeind staan. Dat is niet de toekomst van de landbouw die wij voor ons zien of de toekomst die boeren verdienen.

Er moet een helder antwoord komen op de vraag hoe deze fouten hebben kunnen gebeuren. Er zijn er tien. Fout één: afschaffing van het melkquotum zonder dat daar een productiebegrenzend element voor in de plaats is gekomen, terwijl dus jarenlang gewaarschuwd is dat we daarmee de milieugrenzen zouden overschrijden. Ziet de staatssecretaris nu, achteraf, ook zelf in dat het een grote fout was om geen stok achter de deur te hebben en alleen maar te vertrouwen op de beloftes van de voormannen van LTO en NZO, terwijl de groeicijfers van de melkveestapel al sinds 2012 een beeld van exponentiële groei lieten zien? Erkent hij ook dat hij deze verantwoordelijkheid deelt met partijen als CDA, VVD en PVV, die elke productiebegrenzing van de veehouderij hebben gedwarsboomd?

Fout twee: hoe kon de staatssecretaris nou niet voorzien dat de uitgifte van fosfaatrechten niet aangemerkt zou worden als staatssteun? Ik begrijp daar echt niets van. Met zijn voorganger, staatssecretaris Dijksma, hebben we verschillende mogelijkheden besproken om tot productiebeperking te komen. Zij hield vol dat ze alle mogelijkheden uit den treure had onderzocht en dat alleen fosfaatrechten een haalbare optie zouden zijn. Ze wees ons voorstel voor het invoeren van graasdiereenheden, waarin op veel meer manieren rekening zou worden gehouden met maatschappelijke randvoorwaarden, keihard af. Het zou niet haalbaar zijn. Fosfaatrechten, dat was de weg. En dan blijkt dat de regering niet getoetst heeft op staatssteun? Hoe verklaart de staatssecretaris die gang van zaken?

In de memorie van toelichting op de nota van wijziging wijst hij er zelf op dat er bij de NOx-rechten sprake was van staatssteun. Dan had hij toch van tevoren kunnen weten dat ook deze fosfaatrechten gewoon illegale staatssteun zouden zijn? Hoe kan dat? Hij stond op de verhandelbaarheid van de fosfaatrechten, maar daardoor was de kans natuurlijk levensgroot dat de Europese Commissie niet akkoord zou gaan. Toch was er geen plan-B, geen enkel vangnet. Blijft de staatssecretaris ook nu volhouden dat het niet nodig was om een plan B te hebben? Hoofdredacteur Geert Hekker van de Boerderij schreef er een scherpe kolom over, met een rake analyse. De zaken liggen dus precies andersom dan iedereen dacht. Het verhaal was dat de fosfaatrechten nodig zouden zijn om binnen het plafond te blijven en nu blijkt dat Nederland pas rechten mag invoeren nadat het onder het plafond zit. Ik begrijp werkelijk niet waarom de staatssecretaris nog steeds blijft vasthouden aan de verhandelbaarheid van de fosfaatrechten. Daar is geen goed argument voor. Is hij te bang om de VVD nee te verkopen? Als de fosfaatrechten niet verhandelbaar worden, zouden ze namelijk al wel ingevoerd kunnen worden voor het komende jaar en dat maakt de kans op het behouden van de derogatie aanzienlijk groter. Graag uitleg. Zoals Bruil ook mooi zei: wie wordt er beter van dat ze verhandelbaar zijn? De makelaars, de banken, de juristen, de verpachters, maar niet de boeren, niet de koeien, niet het milieu en niet de belastingbetaler, die straks zal moeten opdraaien voor het uitkopen van de grote cowboys, als vanzelfsprekend de volgende keer weer blijkt dat de mestproductie nog verder terug zal moeten dan waar de overheid nu rekening mee houdt.

Fout drie: de peildata. De voorganger van de staatssecretaris stuurde in 2013 een brief die volgens haar zou gelden als peildatum voor de invoering van productiebegrenzing. De Raad van State en de Landsadvocaat maakten gehakt van die redenering, waardoor de grote groeiers die na die aankondiging gewoon meer megastallen hebben gebouwd, nu beloond worden en gewoon in hun recht staan, iets wat volgens haar totaal onmogelijk zou zijn. Hoe heeft dat kunnen gebeuren? Hoe kan het nou dat er kennelijk geen enkele juridische check is gedaan van de juridische houdbaarheid van die aankondiging van staatssecretaris Dijksma? Deze staatssecretaris wil ons doen geloven dat er met de wetsvoorstellen die we vandaag bespreken en met het plan dat de sector heeft gepresenteerd, een oplossing ligt die de veehouderij zal redden en de derogatie ook. De enige reden die hij heeft om dat vandaag vol te houden, is dat hij er in maart 2017 vanaf is.

In de voortgang van dit dossier worden er nog meer fouten bij gestapeld. De fouten over het voorliggende pakket. Fout vier: fosfaatrechten mogen volgens de Europese Commissie alleen ingevoerd worden als er een extra milieubelang bij gediend is, als er meer milieuwinst mee geboekt wordt dan er wettelijk moet van de Europese regels. Hier heeft de staatssecretaris nog steeds geen invulling aan gegeven. Dat betekent dus ook dat de voorliggende invulling van de fosfaatrechten de Europese toets niet zal doorstaan en dat betekent: geen productiebegrenzing, geen derogatie en een ramp voor dier, milieu en boer.

Fout vijf: de mededinging. De staatssecretaris meldt over het voorliggende pakket dat hij nog wel even met Brussel moet checken of het wel past binnen de mededingingsregels. Netwerk GRONDig trekt alvast een eigen conclusie daarover: nee, het past niet, want de staatssecretaris creëert een kartel en dat mag niet. Ik denk dat de kans heel groot is dat de Autoriteit Consument & Markt en de Europese Commissie ook tot die conclusie komen. Ook in andere lidstaten is het crisis in de veehouderij. Als bijvoorbeeld Frankrijk een soortgelijke regeling zou aankondigen als deze staatssecretaris deed, dan diende de staatssecretaris direct een klacht in bij de Europese Commissie vanwege ongeoorloofde bemoeienis met de vrije markt. Partijen in de Kamer zouden hem ongenadig achter de broek zitten, totdat hij in actie kwam en bij de Europese Commissie voor elkaar kreeg dat er zou worden ingegrepen tegen Frankrijk. Dat weet ik vrij zeker. Dus ook dit onderdeel van het door de staatssecretaris gepresenteerde oplossingspakket is niet houdbaar.

Fout zes: het voerspoor. Dat mysterieuze woordje is de oplossing voor alles, als we de staatssecretaris mogen geloven. Minder fosfaat in voer: de oplossing voor al uw mestproblemen. Klinkt goed natuurlijk, ware het niet dat dit fabeltje al een jaar of twintig wordt gepropageerd en in de tussentijd nog niets heeft opgeleverd. In 1997 heette het al: het voerspoor is voor een belangrijk deel uitgenut. Zo schreef Willem Bruil vorige week in Boerderij. De staatssecretaris weet dat, de sector weet dat en belangrijker nog: Brussel weet het ook. Het voerspoor maakt immers al jaren deel uit van de nitraatactieplannen, zonder resultaat. Als de staatssecretaris ook vandaag in dit debat weer wil blijven volhouden dat het voerspoor heus het panacee is, dan daag ik hem uit met concrete cijfers te komen, waarin hij de resultaten van de afgelopen jaren schetst en een onderbouwde prognose geeft van de winst die daarmee concreet, in 2017 al, te behalen is. Dat kan hij niet, dus ook deze grond valt weg.

Fout zeven: onze weides verdwijnen. De koeien verdwijnen achter de dichte deuren van megastallen. Grasland wordt omgeploegd. Daar ligt een volgend probleem. Daarover heb ik verder nog niemand horen spreken, maar het gaat wel degelijk roet in het eten gooien. Bij de laatste wijziging van het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid is namelijk één vergroeningseis aan de melkveehouderij gesteld als voorwaarde voor de miljarden aan inkomenssteun. Die ene eis is dat het areaal van blijvend grasland met niet meer dan 5% mag afnemen. Kan de staatssecretaris vertellen waar wij op dit moment staan? Het lijkt er namelijk op dat wij al op die kritieke grens zitten. Als er nóg meer weiland wordt weggeploegd, verliest de melkveehouderij haar aanspraak op inkomenssteun. En dat is al helemaal het einde van deze sector. Ik hoor graag een uitgebreide reactie. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat weides behouden en begraasd blijven? Zijn plannen tot nu toe bieden namelijk geen enkele stimulans in die richting.

Fout acht: de knelgevallenregeling. Advocaten vertellen ons dat de huidige knelgevallenregeling absoluut niet voldoet en dat de boeren die door het huidige wetsvoorstel in de knel komen, zeer grote kans maken om de procedures tegen de Staat te winnen, waardoor de Staat straks miljoenen aan schadevergoedingen moet betalen. Is dat nou verantwoord begrotingsbeleid? Is er überhaupt al een rekensommetje gemaakt over wat dat gaat kosten? Met het oog op een toekomstige parlementaire enquête — ik sluit zeker niet uit dat die er komt — zou ik er prijs op stellen als de staatssecretaris hier een eerlijk antwoord op geeft.

Fout negen: ondanks alle geschonden beloftes van de LTO en aanverwante belangenbehartigers van de megastallencowboys, blijft de staatssecretaris geloven in de belofte van sectororganisaties die helemaal niet staan voor alle boeren in de sector en die helemaal niemand kunnen houden aan welke afspraak dan ook. Graag krijg ik dan ook een reactie op de constatering van de redacteur van Boerderij. Die schrijft: “Van Dam bezweert nog dat hij in overleg met de sector is om de fosfaatproductie in 2017 te beperken. Maar het verleden heeft juist geleerd dat de sector dat zelf niet aankan. De jongste i&r-cijfers tonen weer een groei van de veestapel. En het gevaar is groot dat iedereen na dit demasqué gaat denken: na mij de zondvloed. De sturende werking van de AMvB grondgebonden groei melkveehouderij is immers onduidelijk. De stallen gaan nu vol en de eerste veehouders denken erover na om koeien bij hun handelaar te bestellen.” Koeien bijbestellen, en waarom zouden ze ook niet? Niemand is in zijn eentje verantwoordelijk voor de derogatie. Uit een peiling blijkt ook dat een kwart van alle melkveehouders zich echt niet geroepen voelt om de eigen groeiplannen opzij te zetten voor het behoud van de derogatie in het belang van het geheel van alle boeren. Er is geen enkele wettelijke regeling om deze individuele groeiplannen tegen te houden. Dus waar baseert de staatssecretaris zijn vertrouwen nog op, na het mislukken van elke eerdere afspraak met de sector?

Fout tien: er is geen draagvlak voor de plannen. Dat blijkt ook wel uit het alternatieve plan van de grondgebonden en biologische boeren, uit het opstappen van de bestuurder uit ZuivelNL en uit de door Milieudefensie en het Netwerk GRONDig uitgevoerde peiling. En laat draagvlak nou wel een belangrijke voorwaarde zijn voor het Nitraatcomité om in te stemmen. Dus ook hier voldoen de staatssecretaris en het door de zuivelindustrie gepresenteerde plan niet aan de voorwaarden.

Deze tien fouten zullen naar alle waarschijnlijkheid leiden tot een einde van de derogatie. De woordvoerders van het CDA, de VVD, de SGP, de PVV en de ChristenUnie zullen vanavond de staatssecretaris oproepen om eindelijk in Brussel op te komen voor hun boeren. Dat is een farce. Dezelfde woordvoerders zijn er medeverantwoordelijk voor dat de kans op behoud van derogatie volgens deskundigen slechts zo’n 20% is.

En als zij eerlijk zijn, herinneren zij zich ook nog wel de discussies met staatssecretaris Dijksma over de vorige onderhandelingen over de derogatie. Toen produceerde Nederland nog nét onder het fosfaatplafond. Het probleem was toen dus een stukje kleiner dan nu. Maar ook toen heeft de staatssecretaris zich in Brussel de blaren op haar tong moeten praten — en we weten allemaal dat ze goed kan praten — om de derogatie te behouden. De kans dat het deze staatssecretaris onder veel en veel moeilijkere omstandigheden ook gaat lukken, is niet heel groot. Deskundigen zeggen: 20%. Ik noem dat een succesfactor van heel geringe betekenis.

De grootste fout van het door het kabinet en de zuivelindustrie voorgestelde pakket is dat het de enige melkveehouderijsector sloopt die nog een beetje, of zelfs heel erg zijn best doet om duurzaam te produceren: de grondgebonden extensieve en biologische boeren. De staatssecretaris zet in op een krimp van de melkveestapel. Volgens de Rabobank zal 10% van de melkveehouders ermee stoppen. Dat zou lucht moeten geven aan de rest van de sector. Maar kan de staatssecretaris bevestigen dat juist de kleinere, extensievere en grondgebonden familiebedrijven ermee zullen stoppen de komende jaren en dat de ruimte die daarmee vrijkomt, opgesoupeerd zal worden door de grotere jongens? Dat zijn de melkveehouders die de afgelopen jaren hun stallen vol hebben gezet met koeien die nooit een wei te zien krijgen. Vindt hij dat zelf nou wenselijk? Is de staatssecretaris bereid om toe te geven dat zijn beleid de extensieve veehouderij in ons land de nek omdraait en verdere industrialisering aanjaagt? Ik wil graag cijfers van de staatssecretaris. Wie stoppen er? Wie gaan er door? Wat doet dat met het gemiddeld aantal koeien, met grondgebondenheid en met weidegang?

Voor biologische boeren is het wetsvoorstel simpelweg ongelooflijk onrechtvaardig. Het is onverteerbaar dat jij moet inleveren om een derogatie te behouden die je zelf niet gebruikt. Hoe wrang is het dat de vraag naar biologische zuivel groeit en groter is dan het Nederlandse aanbod, maar dat de biologische melkveehouderij toch moet krimpen omdat het kabinet het de megastallencowboys heeft toegestaan om ongebreideld te groeien? Hoe wrang is het dat de enige sector die daadwerkelijk grondgebonden werkt, de kringlopen sluit, het dierenwelzijn hoog in het vaandel heeft en zonder landbouwgif en kunstmest werkt, nu de dupe wordt van het uitblijven van verstandig en toekomstgericht beleid?

“Ik heb altijd maar 170 kilo stikstof uit dierlijke mest per hectare mogen gebruiken, terwijl anderen altijd 250 kilo mochten aanwenden. Maar ik moet evengoed inbinden. Dat is natuurlijk vreemd. Net alsof ik de boete voor te hard rijden voor mijn buurman moet betalen. Daarbij komt dat ik alle mest van de melkveetak op het eigen land kwijt kan. Met dit overheidsbeleid wordt mijn eigendom me als het ware ontnomen.” Dat zegt Rikus Renting uit het Drentse Erm. Wat zegt de staatssecretaris tegen deze boer? Ik kan het in elk geval niet uitleggen.

Is de staatssecretaris het met de Partij voor de Dieren eens dat de gangbare melkveehouders een voorbeeld moeten nemen aan hun biologische collega’s? Waarom is hij dan niet bereid om de biologische melkveehouders te ontzien? Zij hebben immers niet bijgedragen aan het ontstaan van het mestoverschot. Belangrijker nog: omdat de biologische richtlijnen uitgaan van milieuvriendelijke productie, dumpen deze boeren ook niet stelselmatig te veel mest op hun land. Oftewel: zij maken geen gebruik van de derogatie. Waarom moeten zij dan wel opdraaien voor de veel te late pogingen van de staatssecretaris om de derogatie te behouden en voor het falende beleid dat daaraan vooraf is gegaan? Natuurlijk produceert ook deze sector mest, maar die mest wordt dus met mate gebruikt op het eigen land, om het veevoer voor de dieren te produceren of wordt gebruikt door biologische akkerbouwers. Biologische akkerbouwers voeren bovendien nog steeds deels gangbare mest aan omdat er niet genoeg biologische mest beschikbaar is. Het is dan toch van de zotte om de biologische melk- en mestproductie in te willen krimpen ten gunste van de cowboys?

Ook de geiten- en schapenindustrie in ons land produceert mest, maar volgens de staatssecretaris is dat zo weinig dat deze sector niet mee hoeft te doen aan pogingen om binnen het nationale mestplafond te komen. Waarom moet de biologische melkveehouderij dat dan wel? De Partij voor de Dieren pleit ervoor om de biologische melkveehouderij niet mee te tellen bij het behalen van het mestproductieplafond en om de uitzonderingspositie van de geiten- en schapenindustrie aan de biologische boeren te geven. Daarmee bereiken we niet alleen dat de biologische sector niet wordt geslachtofferd aan de bio-industrie, maar ook dat de geiten- en schapenindustrie niet langer blijft wegkomen met het opstallen van duizenden dieren in megastallen, met alle grote risico’s voor de volksgezondheid van dien. Ik krijg hierop graag een reactie.

Het enige wat de staatssecretaris van plan is voor de biologische sector, is om deze, net als de andere grondgebonden bedrijven met latente plaatsingsruimte, geheel of gedeeltelijk te compenseren voor de generieke afroming. Dat is niet alleen heel vaag, het is ook verre van genoeg. De verplichte grondgebondenheid van biologische veebedrijven is volgens de Europese biologische verordeningen anders gedefinieerd dan in het onderhavige wetsvoorstel. De biologische wetgeving houdt in dat biologische mest altijd op gecertificeerde biologische grond aangewend moet worden, hetzij op de eigen grond van de melkveehouder, hetzij op de grond van een ander gecertificeerd biologisch bedrijf waarmee men dan verplicht een samenwerking moet aangaan die weer jaarlijks wordt gecontroleerd door Skal. Dat wil dus ook zeggen dat de grondgebondenheid zoals opgenomen in het wetsvoorstel biologische melkveehouders in de weg zit. Zij plaatsen immers ook mest op akkerbouwbedrijven die daar op hun beurt afhankelijk van zijn voor hun biologische groente, fruit en granen. Ziet de staatssecretaris zelf ook niet in dat het vreemd is dat de definitie van grondgebondenheid zoals nu is opgenomen in de wet, wel ruimte geeft aan megastalboeren die hun grond verpachten aan lelietelers, terwijl de koeien het jaar rond op stal staan, maar geen ruimte geeft aan het gesloten kringloopsysteem zoals geregeld in de biologische wetgeving? Blijft hij hierachter staan? Of is hij bereid om dat aan te passen, zodat de grondgebondenheidsregels de duurzame landbouw in ons land bevorderen en de intensivering van de landbouw een halt toeroepen?

Een aantal biologische melkveebedrijven is dus niet grondgebonden op basis van de definitie in het wetsvoorstel van het kabinet. Volgens cijfers van de staatssecretaris zelf gaat het om ongeveer 46 bedrijven in 2015. Dat zijn er niet zo veel. De Partij van de Dieren vindt dat we deze bedrijven te hulp moeten komen. Is de staatssecretaris bereid om alle biologische bedrijven te beschouwen als grondgebonden, inclusief de bedrijven die tot nu toe voldeden aan de voor hen verplichte grondgebondenheid in de vorm van samenwerking met een ander biologisch gecertificeerd bedrijf?

De biologische melkveehouders hebben samen met grondgebonden boeren en milieu- en dierenwelzijnsorganisaties een plan uitgewerkt om de kille sanering in de meest duurzame melkveehouderijsectoren te voorkomen. Zij stellen een maximumaantal koeien per hectare voor en koppelen de uit te geven fosfaatrechten aan het bezitten van genoeg grond om het diervoer te produceren en de dieren te weiden. Dat plan is erop gericht om binnen vijf jaar om te schakelen naar een volledig grondgebonden melkveehouderij. Concreet houdt het in dat na die overgangstermijn van vijf jaar boeren maximaal 2,3 grootvee-eenheden per hectare, inclusief jongvee, mogen houden. Om te voorkomen dat de productie per koe steeds verder wordt opgevoerd ten koste van het dierenwelzijn, stelt het ook een maximum van 16.750 kilogram melk per hectare. Het is niet meer dan eerlijk dat de grote groeiers, degenen die de problemen hebben veroorzaakt, opdraaien voor de gevolgen en dat grondgebonden boeren worden ontzien. Daar moet de staatssecretaris het toch mee eens zijn? Dus wordt er in het eerste jaar, 2017, een substantiële krimp met meer dan 2,3 koeien per hectare gerealiseerd. Dat kan wettelijk geregeld worden. De sector zal dat niet zelf realiseren.

Ik wil dit plan indienen als amendement, maar het is ingewikkeld, want er moeten verschillende wetten voor worden gewijzigd. Het is wel verstandig om het te doen. Ik zou het graag uitgewerkt willen voorleggen aan de Kamer, met een uitgebreide reactie van de staatssecretaris. Ik wil graag dat hij toezegt dat hij meewerkt aan de uitwerking hiervan om te kunnen beoordelen of de Kamer hiermee instemt of niet. Het voordeel van het plan zou zijn dat het mestoverschot in Nederland aanzienlijk afneemt en dat de derogatie kan worden behouden. Voor nu, zegt de Partij voor de Dieren er wel bij. Zoals eerder gezegd, is derogatie voor ons immers niet heilig. De biologische sector laat zien dat een gezonde veehouderij prima uit de voeten kan met 170 kilo fosfaat per hectare. Dat is een stuk beter voor milieu en natuur.

Plan B, zoals de organisaties het toepasselijk noemen — het is toevallig ook de titel van het verkiezingsprogramma van de Partij voor de Dieren, maar dat terzijde — helpt om de hele melkveehouderij werkelijk grondgebonden te maken. Dat is hard nodig. Het sluit ook goed aan bij het plan voor graasdiereenheden, een systeem dat oud-CDA-minister Braks al voorstelde in 1990. Het lijkt veel op dit plan. Het borgt niet alleen de grondgebondenheid en het sluiten van de nutriëntenkringlopen, maar het kan ook voorkomen dat de productie per dier onnatuurlijk wordt opgevoerd. Zo dragen graasdiereenheden niet alleen bij aan het beperken van het mestoverschot, maar ook aan een verbetering van het dierenwelzijn en de dierengezondheid. Kortom, het voorstel ontziet de boeren die momenteel al echt grondgebonden of zelfs biologisch werken en dwingt de megastallencowboys om hun bedrijfsvoering duurzaam en diervriendelijk te maken. Dit systeem zal een kleine, extensieve melkveehouderij in Nederland toekomstbestendig maken en borgt het welzijn van zowel boer, dier als milieu. Weg met de fosfaatrechten dus. Ook weg met het verhandelen ervan. Gewoon terug naar de basis, de bodem. Je mag koeien houden als je genoeg grond hebt om ze te voeden en te weiden. Wat de Partij voor de Dieren betreft komt er dus ook een weideplicht. Dit plan dat de duurzame melkveehouders hebben uitgewerkt, zou een stevige duw in die richting geven, omdat daarin wordt uitgegaan van voldoende grond voor elke koe.

Ik wil dat de staatssecretaris dit alternatieve plan serieus neemt en dat hij de Partij voor de Dieren de gelegenheid geeft om samen met zijn ministerie te kijken naar de mogelijkheid om het uit te werken. We hebben al een poging gedaan om het in één amendement te vatten, maar het blijkt te ingewikkeld te zijn. Is de staatssecretaris bereid om het plan van de biologische boeren, de dierenwelzijnsorganisaties en de milieuorganisaties een serieuze kans te geven? Het biedt de beste mogelijkheid om derogatie te behouden, zo zeg ik erbij.

Er is wat gemopper, begrijp ik.

De voorzitter:

Bent u klaar?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ja, ik wilde zojuist zeggen: dank u wel, voorzitter.

De heer Geurts (CDA):

Mevrouw Ouwehand spreekt over 170 kilogram fosfaat per hectare, maar het is 170 kilogram stikstof.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Excuus, ik heb zo lang gesproken dat ik mij misschien af en toe ergens versproken heb; dat zou zomaar kunnen.

Mevrouw Lodders (VVD):

Dat is precies mijn punt. Mevrouw Ouwehand heeft ontzettend veel zendtijd genomen, gekregen. Dat is haar goed recht. Ik heb heel veel onzin en heel veel onwaarheden gehoord. Ik vind het ook niet gek dat een aantal mensen zijn gaan koffiedrinken. Ik heb niet geïnterrumpeerd. Ik ga dat nu ook niet doen. Mevrouw Ouwehand heeft op deze manier al voldoende zendtijd gekregen.

De voorzitter:

Ik ga even een paar minuten schorsen voordat we verdergaan met de volgende sprekers. Hebt u een vraag aan mevrouw Ouwehand, mijnheer Grashoff?

De heer Grashoff (GroenLinks):

Ik heb een vraag aan u, voorzitter. Als we hier een serieus debat met elkaar voeren, dan kan het toch niet zo zijn dat iemand niet interrumpeert, maar aan het eind wel gaat roepen dat het allemaal onzin is wat is gezegd? Dat is toch niet de manier waarop we hier een debat voeren, voorzitter?

De voorzitter:

Er is vanaf het begin van dit debat over en weer van alles naar elkaar geroepen. Daar hebt u geen opmerkingen over gemaakt. Ook u hebt allerlei opmerkingen richting anderen gemaakt. In dit debat kan dat, zolang het natuurlijk op een respectvolle manier gebeurt.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Dat is juist het punt. Ik vind het niet meer respectvol als je eind het van een verhaal, hoezeer je het er ook meer oneens bent, roept: u hebt alleen maar onzin geroepen, maar ik ga u niet interrumperen. Dat is echt heel erg zwak.

De voorzitter:

Nee, men is vrij om dat te doen.

Dank u wel, mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. De heer Grashoff heeft een punt hoor, maar ik dacht: die conclusie kan iedereen zelf wel trekken.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Ouwehand. Ik houd iedereen aan deze opmerking. Ik schors de vergadering voor maximaal tien minuten.

De vergadering wordt van 22.25 uur tot 22.44 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de heer Geurts namens het CDA.

(…)

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik heb dat naar mijn mening voldoende aangegeven. Die afspraken over het fosfaatproductieplafond zijn in 2002 in Brussel gemaakt. Het is een starre regel. Vanavond is al een aantal keren naar voren gebracht dat de in Nederland geproduceerde mest die niet in het milieu verdwijnt, moet worden gesaldeerd. Het liefst ziet de VVD echter het fosfaatproductieplafond verdwijnen, omdat dat juist de innovatie zou bevorderen. Dan kan mevrouw Koşer Kaya met allerlei andere ontwikkelingen komen, maar wij hebben de Wet grondgebonden groei van de melkveehouderij gesteund. Wij gaan dus naar een meer grondgebonden melkveehouderij, maar de VVD is er geen voorstander van om het helemaal dicht te regelen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik vraag me af waar de VVD dan een keer de verantwoordelijkheid neemt, want alleen maar zeggen dat het stom is dat Brussel een fosfaatproductieplafond opstelt en dat het anders zou moeten, verzekert de derogatie nog niet. Het klinkt een beetje als het riedeltje van de CDA-minister Gerda Verburg, die in 2009 zei dat mest het nieuwe bruine goud was en dat aan het einde van die kabinetsperiode dat hoofdpijndossier zou zijn opgelost. Mestverwerking en de technieken hebben zich allemaal nog niet bewezen. Wat biedt de VVD de boeren nu eigenlijk? Die derogatie staat op het spel en de plannetjes die de VVD hier verwoordt, zijn alleen maar dat misschien het productieplafond een keertje afgeschaft kan worden. Dat gaat helemaal niet gebeuren!

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik ben nog niet zo ver ben in mijn betoog om te zeggen dat ik alleen deze plannen presenteer. Integendeel. We staan voor een enorm lastige keuze vandaag. Al deze mensen die hier zitten en al die boeren die op dit moment thuis zijn, maken zich grote zorgen over de ontwikkeling en het perspectief van hun bedrijf. Daar moeten wij een heel lastige keuze in maken. Waar ik van baal, is dat we niet eerder het fosfaatproductieplafond ter discussie hebben gesteld. Ik ben heel erg blij dat we het nu meegeven aan deze staatssecretaris in de onderhandelingen. Dat is in de eerdere periode niet gelukt. Daar moeten we keihard voor knokken. Als je bijna 100% van de pluimveemest van de Nederlandse mestmarkt afhaalt, is het niet fair om dat in deze afspraken te betrekken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat die mest van de markt af wordt gehaald, is dus niet waar. Mestverwerking en mestvergisting zorgen er niet voor dat de hoeveelheid mest verdwijnt. Ik vraag me werkelijk twee dingen af. Als we de mestproductie aan de start van dit kabinet over Den Haag zouden uitrijden, kwam de mest tot ons middel. Tot hoe ver wil de VVD het laten groeien en is dit afgestemd met coalitiepartner PvdA? Is het echt een coalitievraag om te zeggen dat de begrenzing op de mestproductie in Nederland er wel af mag. Het maakt niet uit of we in het hele land tot ons middel in de mest staan. Is dat wat de VVD met steun van de PvdA hier vraagt?

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik vraag het niet aan de staatssecretaris. Het is een van de brieven die ook naar mevrouw Ouwehand is gestuurd, waarin dit meegenomen wordt naar Brussel. Het gaat om het schrappen van het fosfaatplafond en second best om het salderen van die mest die niet in het Nederlandse milieu verdwijnt. Er gaat ook veel mest naar het buitenland in de vorm van mestkorrels. We zijn in staat om groene kunstmest te maken. Dat is volgens mij veel beter dan de chemische kunstmest die op dit moment geproduceerd wordt, met alle gevolgen voor het milieu van dien. Dat zou ook mevrouw Ouwehand moeten ondersteunen, maar ik kom daar nog op terug. Zo kan ik een aantal voorbeelden noemen. Mevrouw Ouwehand had het erover dat Brussel de regels opstelt. We hebben ze wel in samenspraak gemaakt, dus we moeten ook vooral naar onszelf kijken. Dat doen wij ook.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Tot slot, mevrouw Lodders zei …

De voorzitter:

Nee, nee, mevrouw Ouwehand, we hebben afgesproken interrupties in tweeën te doen. Als ik bij u een derde aanvullende vraag toelaat, moet ik dat bij iedereen toelaten. Het spijt me.

(….)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter …

De voorzitter:

Maakt u eerst uw zin af, mijnheer Leenders.

De heer Leenders (PvdA):

De melkveehouderij moet zich wat ons betreft verder duurzaam ontwikkelen in de richting van een natuurinclusieve onderneming, met draagvlak in de samenleving en met de mogelijkheid voor de boer om een fatsoenlijk inkomen te verdienen. Maar dat regelen wij niet met deze wet. Het zal duidelijk zijn dat, wat de Partij van de Arbeid betreft, deze wet zeker niet het eindpunt is waar het gaat om duurzame ontwikkeling. Nog vorige week hebben wij bij de behandeling van de begroting Landbouw en Natuur om een uitgewerkt plan gevraagd om de overgang van gangbaar naar natuurinclusief in te zetten.

Dan kom ik op het maatregelenpakket fosfaatreductie. Misschien is dat een natuurlijk moment voor een interruptie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De Partij van de Arbeid zei zojuist dat degene die geen deel heeft gehad aan de overschrijding van het fosfaatplafond daar ook niet voor zou moeten boeten. Het amendement dat D66 en de ChristenUnie hebben ingediend, is een kleine reparatie van die grote misstand die wel degelijk in de wet en het plan zit, maar het lost het probleem voor de biologische boeren niet op. Als de Partij van de Arbeid meent — en dat hoop ik zeer — dat degenen die de problemen niet hebben veroorzaakt daar ook niet voor hoeven te boeten en dat de richting naar meer diervriendelijk en duurzaam belangrijk is, steunt de Partij van de Arbeid dan het alternatieve plan dat de biologische boeren, samen met dierenwelzijnsorganisaties, milieuorganisaties en Netwerk GRONDig hebben ingediend?

De heer Leenders (PvdA):

Twee antwoorden. Biologische boeren worden voor 100% ontzien bij de afroming van de fosfaatrechten. Als de rechten worden uitgedeeld, staan de biologische boeren vooraan bij de Fosfaatbank, omdat zij aan de eisen zullen voldoen die wij in de toekomst gaan stellen. Ik ga in mijn bijdrage straks iets zeggen over het plan waarover u het had, dat van de week is ingediend door de grondgebonden biologische boeren.

De voorzitter:

Daar komt u dus op terug.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dan stel ik mijn vervolgvraag als dat verhaal geweest is.

(…)

De voorzitter:

Dat was het punt waarnaar mevrouw Ouwehand vroeg.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik ben bijna sprakeloos. Wat een ongelooflijke kul! Wij staan hier nu te beslissen over de toekomst van de melkveehouderij, waar de biologische boeren het loodje gaan leggen. De Partij van de Arbeid heeft altijd mooie woorden gehad, ook zojuist nog! Degenen die niet aan deze problemen hebben bijgedragen — dat doen biologische boeren niet; zij maken geen gebruik van de derogatie — hoeven niet te lijden. Als we instemmen met deze wet en dit plan eronder en we de staatssecretaris vragen om een beetje te kijken of er nog wat gesprekjes mogelijk zijn, laten we de biologische boeren gewoon keihard vallen. Is de Partij van de Arbeid daar werkelijk toe bereid of is zij bereid om op haar schreden terug te keren? Wie is belangrijker, de biologische boer of de VVD?

De heer Leenders (PvdA):

Ik geloof dat ik hoorde dat mevrouw Ouwehand mijn verhaal kul noemde. Dat wil ik dan nu teruggeven, want ik vind haar verhaal kul. Ik heb heel duidelijk gezegd dat de biologische boeren binnen de wet worden ontzien.

(…)

De voorzitter:

Dit was geen vraag, mevrouw Ouwehand.

De heer Graus (PVV):

Nee, oké. Ik zal mevrouw Ouwehand nooit meer “dierenpoesje” noemen en ook nooit meer “kattenkoppie”, maar ik noem haar voortaan “Pinocchio”. Ik zal eerlijk vertellen dat ik zoveel heb gedaan. Ik heb trouwens wel één keer met veehouders problemen gehad, namelijk met de nertsenhouders. Wij zijn bij de PVV van mening dat kippen, koeien, runderen en varkens groeps- en kuddedieren zijn. Zij dienen een primair levensdoel en zijn geschikt voor de dierenhouderij. Een nerts is dat niet. Dat is een solitair levend waterroofdier. Op dat punt heb ik echt weleens problemen gehad met boeren.

Voorts ben ik inderdaad tegen die megastallen. Moties daarover hebben wij ook gesteund. Waarom hebben wij dat gedaan? Omdat wij voor de kleine gezins- en familiebedrijven zijn. De mensen van die bedrijven willen wij helpen. Wij willen niet dat dadelijk een of andere rijke Rus hier een megastal opzet en dat er daardoor twintig gezins- en familiebedrijven naar de knoppen gaan. Wij bekijken dat dus allemaal heel goed en verantwoordelijk.

Ik zal mevrouw Ouwehand er nooit van kunnen overtuigen, maar wat je ook van onze boeren denkt of vindt: zij vinden dierenwelzijn belangrijk. Dat weet ik van mijn eigen dierenpolitie en van de NVWA, mensen die continu bij de boeren hebben rondgehangen. Dat heb ik ook gedaan. Ik heb er echt wel voor gezorgd dat onze boeren strenger gecontroleerd worden. Daar hebben de boeren ook geen moeite mee, want een goede boer heeft niks te verbergen. Er zitten altijd rotte appels tussen. Er hebben ook rotte appels binnen de PVV gezeten. Die hebben we er allemaal uitgeschopt. Overal zitten rotte appels. Ook in mijn familie zitten rotte appels. Daar kan ik niks aan doen. Ik behoor gelukkig tot het goede gedeelte. Ik wil alleen maar aangeven dat ik ook voor strengere controles bij boeren heb gezorgd. Dat heeft geen boer mij ooit kwalijk genomen. De goede boeren zijn daar namelijk ook voor. Een goede boer wil geen valse concurrentie krijgen van iemand die alles aan zijn laarzen lapt, letterlijk.

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand, tot slot.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Het klopt dat de heer Graus zijn partij heeft meegekregen om het nertsenfokverbod te steunen. Dank daarvoor. Ik denk eigenlijk dat de heer Graus ook wel meer dierenwelzijn in de veehouderij wil, maar zijn partij gaat gewoon niet altijd mee. Daarom zien we bij de PVV een grillig beeld. Soms steunt ze een motie en dan weer steunt ze allerlei voorstellen die ervoor zorgen dat de veehouderij gewoon uit de kluiten kan groeien. Het beeld is dus inconsequent. Ik zou zeggen: houd de lijn vast die we hadden toen we “weg met de nertsenhouderij” zeiden. Daar hebben de dieren wat aan.

De heer Graus (PVV):

Ik heb mevrouw Ouwehand net uitgelegd dat wij dat steunden omdat wij vinden dat bont een tertiair, elitair goed is. Ik zou bijna zeggen: een VVD-goed. Bont dient geen primair levensdoel. Bovendien is een nerts volgens alle deskundigen ter zake — ik ben dat niet — gewoon niet geschikt voor de dierhouderij. Maar ik blijf wel onze varkens- en kippenboeren steunen. Nogmaals: ook daar zitten weleens onvoldoendes tussen, maar over het algemeen doen ze het het beste van heel de wereld. Dat zijn gewoon de feiten. Daar moeten we eerlijk in zijn. Daarmee is de kous af. Mevrouw Ouwehand kan niet ontkennen dat we het gewoon het beste doen. Onze boeren zijn de beste boeren.

(…)

De voorzitter:

Nee, want volgende week behandelen wij begrotingen. Ik ga gewoon weer het rijtje af.

De heer Geurts (CDA):

Ik blijf bij de mening die ik straks gaf: geen steun voor dit verzoek.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Alhoewel u waarschijnlijk denkt dat ik in dezen niet de beste boodschapper ben, meld ik in alle objectiviteit dat dit niet zorgvuldig is. Er zijn heel veel vragen gesteld en er zijn veel open einden. Er komt geen duidelijkheid als wij dit vanavond snel afronden. Dan blijft er nog heel veel open liggen. Ik wil pleiten voor wel duidelijkheid, voor een zorgvuldige beantwoording door de staatssecretaris en voor een zorgvuldige tweede termijn van de Kamer. Ik pleit er dus voor om het debat nu te schorsen.

Mevrouw Lodders (VVD):

Wat mij betreft, gaan wij door met het debat.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):

Ook de ChristenUnie wil graag het debat afronden.

De heer Leenders (PvdA):

Wat ons betreft, gaan we door.

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Ik heb in deze Kamer weleens tot vijf uur in de ochtend gestaan. Ik denk dat wij het debat gewoon moeten afronden. Volgende week zitten we ook weer nokvol en dan vrees ik het ergste. Of wij moeten hier morgenochtend weer samenkomen en dan doorgaan, rond een uur of tien, zoals gewoonlijk.

De voorzitter:

Nee, dat kan niet.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Het is duidelijk dat er een meerderheid is voor het vandaag afronden van het debat. Ik zal daar geen bewaar tegen maken, want dat heeft geen zin. Laten wij dan maar proberen het record van deze Kamer te verbreken. Voor de mensen op de publieke tribune merk ik op dat dit record op 05.38 uur ligt.

De voorzitter:

De meerderheid van de Kamer wil het debat vandaag afronden. Hoelang wij erover doen, hangt af van de Kamer. Het ligt eraan hoe vaak er wordt geïnterrumpeerd en hoelang.

De vergadering wordt van 01.11 uur tot 01.30 uur geschorst.

(…)

Mevrouw Koşer Kaya (D66):

Vanaf oktober dus.

De voorzitter:

Nee, nee. Mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Mijn vraag gaat hier ook over, omdat verschillende partijen voortdurend de suggestie wekken dat de staatssecretaris meer had kunnen doen of moet doen om die derogatie te behouden. Deelt hij die opvatting van een groot deel van de Kamer? Deelt hij wat op die manier wordt verwoord?

(…)

Staatssecretaris Van Dam:

Nee, maar ik begrijp heel goed dat mensen die vraag stellen. Wij hebben een groot belang bij derogatie en de Kamer mag ook van mij verwachten dat ik er alles aan doe. Dat doe ik dus ook. Alleen waren wij ervan uitgegaan dat wij met het fosfaatrechtenstelsel een heel belangrijke stap zetten en dat we daarmee ook de Europese Commissie zouden kunnen overtuigen. Daar zijn veel contacten over geweest, ook met de Europese Commissie, op alle niveaus, waardoor wij de indruk hadden dat we daarmee een stap zouden zetten die voor de Europese Commissie overtuigend zou zijn. Het probleem ontstond toen de mededingingsmensen bij de beoordeling van het wetsvoorstel, dat volledig op basis van de bestaande richtsnoeren was opgesteld, tot het oordeel kwamen dat er in hun optiek geen sprake kon zijn van geoorloofde staatssteun. Dat is in een heel kort tijdsbestek, binnen het verloop van een paar weken gegaan. Ik moest toen tot de conclusie komen dat het dan niet verantwoord was om de wet in ongewijzigde vorm door te zetten. Ik moest de wet dus wijzigen omdat we anders tegen die muur aan zouden lopen van de Europese Commissie. Juist dan zouden we een heel groot risico lopen met die derogatie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Niet alleen met betrekking tot het wetsvoorstel, maar ook met betrekking tot het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn is de inzet van de staatssecretaris in het algemeen het behouden van de derogatie. Ik vraag dit, omdat het niet voor het eerst is dat ik de Kamer dit hoor zeggen. Dat heeft zij ook gezegd tegen staatssecretaris Dijksma en tegen haar voorgangers. Vanuit die partijen is dan steeds de boodschap: de staatssecretaris moet gewoon wat meer doen. Daardoor kom je niet toe aan de discussie over de vraag of het pakket waarmee de Kamer de staatssecretaris op pad heeft gestuurd, eigenlijk wel genoeg kansen biedt om de derogatie te behouden. Ik zou die scherpte graag hebben in het debat. Zegt de staatssecretaris hier: ik doe genoeg en ik zou niet weten wat ik nog meer zou kunnen doen? Als hij dat zegt, verschuift hopelijk de discussie naar de inhoud van het pakket en ieders verantwoordelijkheid door ervoor te hebben gestemd.

Staatssecretaris Van Dam:

Tegen mevrouw Ouwehand zeg ik dat het evident is dat het probleem gelegen is in de hoeveelheid fosfaat die we produceren. Dat is het probleem. Het probleem ligt niet in onze contacten met Brussel of wat dan ook. Er wordt door sommigen heel makkelijk over gesproken. Dat begrijp ik goed, hoor. Ik heb een van de Kamerleden horen zeggen: regelt u de boel nou gewoon. Als het zo gemakkelijk was, hadden we hier niet met elkaar gestaan en dan hadden we vandaag niet zo’n heel ingewikkelde wet hoeven te bespreken.

(…)

Staatssecretaris Van Dam:

(…)

Mevrouw Ouwehand had de indruk dat de Raad van State en de landsadvocaat gehakt maakten van de peildatum. Dat is onjuist. Beide hebben juist gezegd dat de peildatum van 2 juli 2015 houdbaar is. Mevrouw Lodders vroeg nog naar de beoordeling die op haar verzoek door Veiligheid en Justitie is gemaakt. Daaruit blijkt duidelijk dat de peildatum in elk geval juridisch houdbaar is.

(…)

Mevrouw Ouwehand zei dat de knelgevallenvoorziening niet voldoet. Mevrouw Lodders vroeg naar de houdbaarheid ervan en naar mijn oordeel daarover. Zij deed dit mede naar aanleiding van het advies van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Er is bewust gekozen voor een beperkte voorziening omdat honorering van elk knelgeval ertoe leidt dat de totale hoeveelheid fosfaatrechten die wordt uitgedeeld, groter is en de generieke afroming daardoor groter moet zijn om de productie onder het plafond te houden. Daarom is er een kleine knelgevallenregeling. Deze is nog een keer getoetst door het ministerie van Veiligheid en Justitie. De Kamer heeft dat advies ook ontvangen. Het ministerie heeft bevestigd dat de knelgevallenvoorziening gelet op de huidige omstandigheden voldoet en juridisch houdbaar is.

(…)

Mevrouw Ouwehand merkte op dat het wetsvoorstel eigenlijk nog steeds niet wordt goedgekeurd op basis van de staatssteunkaders, omdat het wetsvoorstel verder moet gaan dan de EU-norm, waar in de ogen van de commissie toch sprake van is. Het wetsvoorstel gaat verder dan het plafond in de derogatiebeschikking. De toedeling van rechten gebeurt namelijk via de fosfaatbank. In de nota van wijziging is geëxpliciteerd dat de toedeling van rechten via de fosfaatbank verder moet gaan dan de Europese milieueisen. Langs die weg bereiken wij dus verdergaande doelen dan de doelen die de EU van ons verlangt. Ik voorzie op dat punt niet de problemen die mevrouw Ouwehand voorziet.

(…)

Mevrouw Ouwehand vroeg of de definitie van grondgebondenheid wel klopt, aangezien het verpachten van grond door een intensieve boer aan een lelieteler wel meetelt. Zij had zorg over de consequenties voor bioboeren. Om de grondgebondenheid van een bedrijf te bepalen, wordt uitgegaan van de grond die in gebruikt is bij het bedrijf op 15 mei van het desbetreffende jaar. Dat is een simpele en effectieve manier om de grondgebondenheid te bepalen, niet alleen in het kader van de mest, maar ook in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het voorkomt dat een stuk grond in één jaar door twee boeren kan worden opgegeven. Ik zou dat niet willen inruilen voor een bewerkelijker systeem.

Mevrouw Ouwehand en anderen hebben gerefereerd aan de biologische landbouw. Er zijn biologische boeren die niet grondgebonden zijn. Dat zijn er niet heel veel, maar ze zijn er wel. Daarvoor gelden gewoon de regels die voor alle niet-grondgebonden boeren gelden. Als je een biologische bedrijfsvoering hebt en niet grondgebonden bent, produceer je dus een overschot aan mest, net als gangbare bedrijven, en dat overschot moet dus ook elders afgezet worden. Deze bedrijven dragen ook bij aan de fosfaatproductie van de melkveehouderij als totaal. Zij kunnen dus ook niet van de krimp worden uitgezonderd. Voor grondgebonden boeren, verreweg het grootste deel, geldt de bepaling in het wetsvoorstel dat zij zo veel mogelijk worden ontzien. Ik heb in het wetsvoorstel niet ingevuld tot in welke mate, omdat ik vond dat dat in de Kamer besproken moest worden. Het huidige wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om deze boeren te ontzien tot maximaal de latente ruimte. Er ligt een amendement van de Kamer — daar kom ik zo op — om daarin nog een stap verder te gaan.

(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik heb nog wel verschillende vragen openstaan die niet beantwoord zijn. En ik wil op een aantal punten reageren. Is daar ruimte voor?

De voorzitter:

Als er vragen zijn blijven liggen, mag u die opnieuw stellen. Die hebt u in uw inbreng gedaan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik wil eerst even iets weerspreken. De staatssecretaris kwam terug op mijn punt dat de Raad van State en de landsadvocaat gehakt hebben gemaakt van de redenering over de peildata. De staatssecretaris heeft het over 2015. Ik had het over de brief die staatssecretaris Dijksma in 2013 heeft gestuurd. Daarvan heeft zij gezegd: dit geldt als een aankondiging; het gaat niet gebeuren dat de veehouders gaan uitbreiden en daarvoor beloond worden. Dat gebeurt nu wel. Mijn vraag was: waarom is daar geen juridische check op geweest?

Mijn tweede vraag gaat over de knelgevallenregeling. De staatssecretaris zegt dat die maar beperkt is. Is er een rekensommetje gemaakt van de uitkoopsommen die gemaakt moeten worden? Is daarover nagedacht?

De vragen die zijn blijven liggen, gaan over het voerspoor. Ik heb de staatssecretaris gevraagd om met een concrete prognose en resultaten van de afgelopen jaren te komen. Ik heb hem gevraagd naar het verdwijnen van grasland. Dat zou gemonitord worden, dus daar moet hij cijfers van hebben. We willen weten hoe het daarmee staat. En het belangrijkste van allemaal: ik heb hem gevraagd om te reageren op het plan van de biologische boeren, de dierenwelzijnsorganisaties en de milieuorganisaties die een alternatief hebben geformuleerd voor het sectorplan. Ik wil echt dat we daar serieus over spreken in het debat. Ik werk nog aan een amendement daarover. Dat moet aan de Kamer worden voorgelegd. De staatssecretaris moet daar echt op reageren.

Staatssecretaris Van Dam:

De twee laatste vragen die mevrouw Ouwehand stelt, hebben betrekking op het pakket 2017. Daarvan heb ik gezegd dat ik dat als vierde blok zal behandelen. Daar kom ik dus op dat moment op terug.

Mevrouw Ouwehand stelde voorts een vraag over de peildatum. De enige peildatum die we hanteren, is de peildatum 2 juli 2015. Zij refereert eraan dat staatssecretaris Dijksma gezegd zou hebben dat december 2013 een peildatum of een referentie zou zijn. Staatssecretaris Dijksma heeft in december 2013 alleen gezegd dat als er sprake zou zijn van een overschrijding van het fosfaatplafond, productiebegrenzende maatregelen aan de orde zouden zijn. Ik herken niet dat zij ergens gezegd heeft dat dat een peildatum zou zijn. In de brief van 2 juli 2015 staat namelijk helder: er komt een stelsel van fosfaatrechten en dat zal gebaseerd worden op de omvang van de veestapel op dat moment. Daarin staat helder dat de groei die nadien plaatsvindt voor rekening en risico van de melkveehouder is. Dat is dus de peildatum zoals zij die heeft gehanteerd.

Mevrouw Ouwehand heeft nog een vraag gesteld over blijvend grasland. In het kader van de vergroeningseis van het gemeenschappelijk landbouwbeleid mag het areaal grasland in Nederland op nationaal niveau niet meer dan 5% afnemen ten opzichte van het totale landbouwareaal. Het meeste grasland dat wordt omgeploegd in Nederland, wordt vervolgens opnieuw met gras ingezaaid. Dat doet dus geen afbreuk aan de areaaleis. Op dit moment is de maximale afname van 5% dus niet in gevaar.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat zou ik toch graag nader gespecificeerd zien. Ik heb de staatssecretaris gevraagd: waar staan we nu? Eind 2013 hebben we het hierover gehad in de Kamer. Toen heeft het kabinet gezegd dat het goed zou worden gemonitord. Dat is drie jaar geleden. Ik neem aan dat daar nu cijfers over bekend zijn.

Staatssecretaris Van Dam:

Ik kan zeggen wat ik net heb gezegd. Ik kan het nog een keer herhalen. Daar schieten we niet zo heel veel mee op. Als mevrouw Ouwehand echt specifieke vragen heeft daarover — en die staan volgens mij ook los van dit wetsvoorstel — dan lijkt het mij het verstandigst als zij die gewoon even schriftelijk stelt. Dan krijgt zij daar ook netjes een schriftelijk antwoord op.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De vraag is, en die heb ik in eerste termijn gesteld: waar staan we nu?

De voorzitter:

Die niet beantwoord is?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De vraag ligt dus al bij de staatssecretaris. Als het goed is, zou er gemonitord worden op het behouden van dat grasland. Wat is de stand van zaken? Hoe staan we ervoor?

Staatssecretaris Van Dam:

Ik heb het gehoord, maar mijn suggestie aan mevrouw Ouwehand is om die vraag even schriftelijk in te dienen.

(…)

Staatssecretaris Van Dam:

Voorzitter, ik meen dat ik zo ongeveer alle vragen heb beantwoord. Er zaten een paar dubbele vragen bij. Anders ga ik deze dubbel beantwoorden.

De voorzitter:

Nee, dat willen wij ook niet. Er is ook een tweede termijn, zo zeg ik tegen iedereen.

(…)

De voorzitter:

Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de regering. Ik schors de vergadering voor twee minuten en dan gaan we naar de tweede termijn.

De vergadering wordt van 04.00 uur tot 04.02 uur geschorst.

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/plenaire_verslagen/detail?vj=2016-2017&nr=30&version=2

Advertisements