Tags

, ,

http://www.volkskrant.nl/buitenland/monetair-geweten-duitsland-is-zegen-voor-heel-europa~a493793/

Met zijn naoorlogs monetair beleid heeft Duitsland vooral de prijsstabiliteit in eigen land willen bevorderen. De rol van monetair politieagent van de EU zou Duitsland echter niet misstaan, meent W.F.V. VANTHOOR.

W.F.V. VANTHOOR  10 maart 1997, 00:00

IN HET ARTIKEL ‘Duitsland kan de EMU niet langer afdwingen’ dat op 3 maart op de Forumpagina verscheen, meent prof.dr J.L. van Zanden te moeten afrekenen met de mythe van het Duitse Wirtschaftswunder. Daardoor zullen de Duitsers niet meer in staat zijn de ‘monetaire politieagent van de EU’ te spelen, en is het alleen nog maar de vraag ‘wanneer we ontdekken dat de keizer geen kleren aan heeft’. Om zijn betoog kracht bij te zetten, beroept de auteur zich op twee historische vergelijkingen, namelijk de rol van het Engelse pond van vóór de Tweede Wereldoorlog (als spil van de gouden standaard), en die van de Amerikaanse dollar tussen 1945 en 1971 als ankervaluta van het systeem van Bretton Woods. De stabiele waarde van beide munten nam, aldus Van Zanden, ‘haast mythische vormen’ aan. Dit heeft volgens hem geresulteerd in een relatieve economische achteruitgang van de beide landen, hetgeen hij de prijs noemt die voor dominantie in het internationale economische systeem moet worden betaald. Bij deze conclusie kan de vraag worden gesteld of de auteur hier de rol van het pond en de dollar wel op zijn juiste merites beoordeelt. Niet te ontkennen valt dat beide munten konden uitgroeien tot sleutelvaluta’s dankzij de economische macht van respectievelijk Engeland en de Verenigde Staten. Of dit tot relatieve economische achteruitgang heeft geleid, kan worden betwijfeld omdat het met de ‘mythe van de stabiele waarde’ van beide munten wel meeviel. Het feit dat Engeland in 1931 de gouden standaard moest verlaten, kwam doordat het pond in de jaren twintig op een economisch ongerechtvaardigde pariteit aan het goud was gekoppeld. Ook aan de stabiele waarde van de dollar kan worden getwijfeld, althans wanneer wordt bedacht dat deze valuta al in 1961 terrein moest prijsgeven vanwege de revaluatie van de Duitse mark. Dat de waarde van de dollar niet zo stabiel was en langzaam maar zeker afbrokkelde, moet worden toegeschreven aan het toegeven aan de verlokking waartoe een sleutelvaluta de autoriteiten van het land in kwestie blootstelt, namelijk persistente inflatoire financiering van – door overmatige besteding uitgelokte – betalingsbalanstekorten. Deze tekorten behoeven niet te worden afgedekt in vreemde munt, zodat de natuurlijke rem die de inzet van valutareserves vormt, ontbreekt. Dat Duitsland voor deze verleiding niet is bezweken omdat het zijn primaat voor interne prijsstabiliteit niet in gevaar wilde brengen, is een der belangrijkste redenen waarom de D-mark kon uitgroeien tot ankervaluta in het Europees Monetair Stelsel (EMS) en – overigens ongewild – tot tweede reservevaluta in het internationale geldverkeer. In het licht van deze samenhang doet het ook wat aanmatigend aan wanneer Van Zanden probeert de drie gevallen onder één noemer te brengen; Engeland heeft aangezet tot conformatie, de VS hebben landen via het Internationaal Monetair Fonds (IMF) onder druk gezet, en Duitsland legt als dominante partij zijn spelregels op in het EMS en de EU. De hier gebezigde terminologie geeft blijk van een nogal eenzijdige en ook weinig doordachte visie op de geschiedenis van de internationale monetaire samenwerking. Afgezien van de gouden standaard – waar in hoofdzaak het automatisme van het systeem en de politieke wil dit in stand te houden tot conformatie dwong – werd die samenwerking na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door wisselkoersafspraken tussen soevereine landen. Deze afspraken dwingen, althans wanneer ze serieus worden nagekomen, tot het op elkaar afstemmen van het economische en monetair beleid van de betrokken landen. Gebeurt dit niet, doordat bijvoorbeeld een of meer landen uit de pas lopen, dan spat het systeem uit elkaar. Toegepast op het systeem van Bretton Woods, impliceert een en ander dat niet de door Van Zanden genoemde relatieve Amerikaanse achteruitgang in de jaren na 1960 debet was aan de instorting van dit systeem, maar veeleer de geleidelijke erosie van de dollar door het niet naleven van de spelregels die het systeem oplegde. Om hier te spreken van het via het IMF opleggen van een dictaat door de VS doet geen recht aan de historische realiteit, omdat het juist de VS zelf waren die in de vroege jaren zeventig vanwege de voortdurende dollarzwakte niet langer in staat waren aan hun verplichting van goudconvertibiliteit te voldoen. Het heeft ook weinig zin te beweren dat Duitsland in de Economische en Monetaire Unie de regels aan andere partijen gaat opleggen. Een korte terugblik op de monetaire geschiedenis leert dat Duitsland na de Tweede Wereldoorlog met name op monetair terrein nooit enig dictaat heeft opgelegd. Van meet af aan waren de Duitse beleidsmakers voorstander van de zogenaamde kroontheorie, die de monetaire unie vooral zag als sluitstuk van de economische unie. Daarentegen was het met name Frankrijk dat de monetaire unie vooropstelde omdat het die wilde gebruiken als hefboom van de economische integratie. De uitdrukking l ‘Europe se fera par la monnaie ou ne se fera pas stamt tenslotte van niemand minder dan van de Franse econoom Jacques Rueff. Onder dit motto ging het EMS van start dat primair beoogde een zone van monetaire stabiliteit te scheppen. Niet anders is het gegaan met de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht, waarvan de gedachtenvorming niet in de laatste plaats werd beïnvloed door de Fransman Jacques Delors. In plaats van te spreken van een Duits dictaat, is Duitsland, zo zou men kunnen beweren, in beide gevallen tegemoetgekomen aan het Franse primaat voor de monetaire unie. Dat Duitsland hieraan een eigen zinvolle inhoud heeft gegeven door in zijn monetaire beleid consequent te streven naar binnenlandse prijsstabiliteit mag, anders dan Van Zanden geneigd is te doen, wel degelijk als een verdienste worden beschouwd waarvan niet alleen Nederland maar evenzeer Frankrijk heeft geprofiteerd. Dat de auteur hier een directe link probeert te leggen met de achteruitgang in de Duitse industriële groei en arbeidsproductiviteit bewijst eens temeer dat hij de Duitse problematiek te eenzijdig benadert. Die problematiek is er inderdaad, doch daaraan liggen niet zozeer monetaire, maar veeleer economische en structurele factoren ten grondslag, waarbij het effect van de Duitse politieke hereniging nog een aparte complicerende rol speelt. Door die factoren te veronachtzamen, stelt de auteur zich op één lijn met die tegenstanders van de EMU die maar al te gemakkelijk de convergentiecriteria als zondebok van de huidige economische problemen in Europa aanwijzen, zonder zich te realiseren dat ook zonder EMU in diverse landen terugkeer naar gezonde overheidsfinanciën en loonmatiging noodzakelijke voorwaarden zijn om binnenshuis orde op zaken te stellen. Wanneer die tegenstanders het belangrijkste voordeel van de EMU zien in het ‘breken met het rentedictaat van de Bundesbank’, dan zaaien zij nodeloos wantrouwen en ook twijfel aan de zin van de monetaire integratie, en dat niet alleen bij de Duitsers. Het Duitse Wirtschaftswunder van weleer mag dan op zijn retour zijn, het geeft allerminst aanleiding de sombere voorspelling van Van Zanden, die eigenlijk alleen op een historische analyse lijkt te berusten, te rechtvaardigen. Hiertegen spreekt de kracht van de Duitse economie evenzeer als de traditioneel ingebakken beleidsdiscipline van de Duitse autoriteiten. Vanwege hun consistente aanpak hebben ze wereldwijd een zodanig vertrouwen opgebouwd, dat naar mijn oordeel de keizer nog lang feestelijk gekleed zal zijn. Als Van Zanden deze keizer gekleed ziet als monetaire politieagent, dan mag de EMU vol vertrouwen de toekomst tegemoet zien. W.F.V. Vanthoor is verbonden aan de afdeling Wetenschappelijk Onderzoek en Econometrie van de Nederlandsche Bank.

Advertisements