Tags

, , ,

De niet-bestaande plek (Merijn Oudenampsen, De Groene Amsterdammer, 8.9.2016)

Vijfhonderd jaar geleden verscheen Utopia van Thomas More. De stichtingstekst van de utopische traditie is weggezet als gevaarlijk en totalitair. Wie beter leest, ontdekt een fenomenale ode aan de politieke fantasie die niets aan actualiteit heeft ingeboet.

Essay 500 jaar Utopia

Omdat De Groene deze week met een uitvoerige analyse komt van More’s Utopia, en ik uitvoerig op dit essay wil reageren, grijp ik eerst terug op mijn studie politieke theorieën, waarbij ik de naam van Thomas More tegenkwam in het boek Politieke theorieën.[1] Ik citeer daaruit wat beschreven staat onder utopie.

Geen plaatjes van de werkelijkheid

‘Politieke filosofieën geven geen plaatjes van de werkelijkheid. Vaak schildert de politiek filosoof zelfs een werkelijkheid die niet bestaat en niet kan bestaan. Zo beschrijft Thomas More (1478-1534) een ‘utopie’, d.w.z. een samenleving die nergens is (‘U’ = niet. ‘topos’ = plaats [Grieks]). Toch leren we van zulke filosoferen. Dit is verbazingwekkend. De irreële visie van de politiek filosoof doet ons in de praktische werkelijkheid ongekende perspectieven zien. We bevrijden ons door te filosoferen. (Vergelijk de praktische uitwerking die muziek kan hebben. In de zestiger jaren had het bedrijven van en luisteren naar popmuziek duidelijk politieke betekenis).

‘Er zijn activiteiten die op politiek filosoferen lijken maar daarvan toch onderscheiden moeten worden. De politieke wetenschap wil de bestaande politieke werkelijkheden beschrijven en verklaren. Dit gebeurt door het opstellen van hypotheses (dat zijn veronderstelde en toetsbare verbanden tussen verschijnselen) en theorieën (dat zijn logische ordeningen van hypotheses, axioma’s (niet toetsbare verbanden) en definities, en door het verzamelen van gegevens waaraan de hypotheses en theorieën getoetst worden. De politiek filosoof slaat acht op de resultaten van de wetenschappen, maar beweegt zich op terreinen die voor wetenschappers als zodanig (nog) niet toegankelijk zijn. Een politieke ideologie geeft een rechtvaardiging van een bepaald politiek systeem en/of bepaald politiek handelen, maar is, in tegenstelling tot de politieke filosofie, niet kritisch. Van politiek utopisme spreken we wanneer elk zinnig verband tussen denken en praktisch politiek handelen ontbreekt. Consequentieloze bespiegelingen zijn geen politieke filosofie. Losse ideeën en idealen zijn geen politieke filosofie aangezien ze niet geordend zijn in een totale visie op het politiek systeem.’

Waarom deze inleiding vooraf? Dan kan de lezer mij beter volgen als ik Thomas More nu anders lees dan in mijn studietijd en dat ik More nu beter begrijp vanuit zijn eigen maatschappij en tijdsbeeld in zijn tijd van leven, de vroege Renaissance, als laatmiddeleeuwse culturele beweging die begon in Italië in de veertiende eeuw en zich verspreidde in de volgende eeuwen over de rest van Europa.[2]

Zelf opgeleid als politiek filosoof wil ik dit essay benaderen vanuit de verschillen in tijdsperspectief, dus de middeleeuwse tijd van More en onze 21e-eeuwse samenleving.

Ik citeer de auteur Merijn Oudenampsen:

‘Het grote gevaar van het utopisme lokaliseerde [Hans] Achterhuis [in zijn De erfenis van de utopie] vooral in de drang naar holisme. ‘Uitdrukkelijk verzetten utopisten zich, te beginnen met More, tegen het reformisme dat bepaalde elementen wil verbeteren of losse ideeën wil toepassen’, zo stelde hij. Utopisten willen de gehele samenleving radicaal op de schop nemen op basis van een blauwdruk of een groots plan. De wereld is echter complex, veelzijdig en weerbarstig. Vandaar dat de grootse plannen enkel onder dwang kunnen worden doorgevoerd, met geweld en dictatuur.

Inmiddels heeft de 20e-eeuwse geschiedenis de juistheid van deze bewering aangetoond.

‘Desondanks is er de laatste jaren sprake van een herwaardering en heropleving van het utopisch denken. Zo wijzen historici op de belangrijke rol van utopische ideeën in de Amerikaanse, Bataafse en Franse revoluties. De moderne democratie, zo is de stelling, zou juist zijn ingeluid door radicaal, utopisch denken. Op internationaal niveau spreken denkers als Fredric Jameson, Terry Eagleton en Russell Jacoby zich uit voor het ‘iconoclastische’ utopisme. Daarmee wordt een vorm van utopisme bedoeld die niet fungeert als alomvattende blauwdruk voor de toekomst, maar eerder als kritiek op het bestaande.

Zoals hier beschreven is het iconoclastische utopisme dus politieke filosofie.

‘Ook in Nederland is een dergelijke herwaardering zichtbaar. Willem Schinkel schrijft in De nieuwe democratie over de noodzaak om vast te houden aan ‘een utopische horizon, zonder ooit de gevaarlijke claim te doen de utopie te kunnen verwezenlijken’. Leo Laeyendecker heeft met Kritische stemmen een indrukwekkende encyclopedische verdediging geschreven van de utopie als noodzakelijke vorm van maatschappij­kritiek. En Rutger Bregman pleit voor utopisch iconoclasme in De geschiedenis van de vooruitgang.

 

‘Bij nader inzien blijkt More’s Utopia meer gemeen te hebben met deze vorm van utopie als kritiek op de status-quo dan met de utopie als gesloten blauwdruk. Alhoewel er geen sluitend oordeel geveld kan worden over Utopia – het blijft in al zijn ambiguïteit een literaire tekst – zijn er overtuigende redenen om het te benaderen als een half serieus, half satirisch werk uit het genre genaamd serio ludere. Vanuit dit perspectief bezien is de utopie geen blauwdruk, te realiseren in al zijn gedetailleerde veelomvattendheid. Het is een onwaarschijnlijk en onrealiseerbaar beeld van een alternatieve samenleving dat er bovenal toe dient misstanden in het heden te bekritiseren. En dit alles met behulp van een flinke dosis humor.

***

‘Om te beginnen wat basale informatie over de inhoud van Utopia. Het boek bestaat uit twee delen. In het eerste deel introduceert More zichzelf en zijn vriend Pieter Gillis (een reële historische figuur) en vertelt hij over zijn eerste kennismaking met de (fictieve) reiziger Raphaël Hythlodaeus in de straten van Antwerpen. Daarop volgt een beschrijving van een diepgaand gesprek over de maatschappelijke inzichten die Raphaël met zijn reizen heeft opgedaan, en of deze ook in Europa toegepast zouden kunnen worden. Onder de indruk van zijn intelligentie, adviseren Gillis en More  hem om in dienst te treden bij een vorst, om zo zijn kennis te gelde te maken.

# Het antwoord van Raphaël is dat bemoeienis met de politiek geen zin heeft, aangezien niemand bereid is te luisteren naar alternatieve en radicale ideeën. Een uitgebreide discussie over het politiek engagement van intellectuelen volgt. Raphaël vertelt over de kwalijke politieke situatie in Groot-Brittannië, waar de omheining van de boerengronden heeft geleid tot een golf van armoede en criminaliteit. De Britse autoriteiten reageren door kwistig de doodstraf toe te passen. Raphaël stelt voor om de oorzaken van criminaliteit aan te pakken, hij pleit voor minder oorlog en een rechtvaardiger economisch beleid. Zijn humanistische ideeën zijn echter zo ongehoord dat hij bij niemand aanspraak vindt.

Deze alinea start als eerste met een hashtag omdat vanaf dit moment mijn commentaar een kritische rol gaat meespelen. Om te beginnen met de laatste zin in de voorafgaande zin: ‘Gillis en More [adviseren] hem om in dienst te treden bij een vorst, om zo zijn kennis te gelde te maken’, aangezien dit advies niet getuigt van enig realiteitsbesef van de politiek in die dagen, noch in onze tijd. Politici, en politiek actieve burgers zijn zo sterk overtuigd van hun eigen gelijk, dat zij slechts in schijn zullen luisteren naar een eigen visie van burgers, maar nemen daar alleen formeel kennis van, zeker als een waarschijnlijk weerwoord van de politicus op het marktplein (tijdens verkiezingscampagnes) niet in goede aarde valt, zodat betrokken volksvertegenwoordiger al weet dat een echt debat of dialoog niet zal ontstaan. Dan is iedere verdere energie zinloos en verspilde moeite. Alleen vertrouwelingen en algemeen gerespecteerde deskundigen zullen door politici serieus genomen worden en verder niemand. Het te gelde maken van eigen kennis kan de burger dus rustig vergeten. Daarom is de stelling uit de eerste zin in de hashtag-alinea dat de ‘bemoeienis met de politiek geen zin heeft, aangezien niemand bereid is te luisteren naar alternatieve en radicale ideeën’ volkomen juist. En inderdaad al helemaal niet als er sprake is van alternatieve en vooral radicale ideeën.

In onze tijd gelden die radicale ideeën als wereldvreemd. Dat de maatschappelijke situatie zoals in die tijd in Groot-Brittannië vast zou lopen, werd toen waarschijnlijk beschouwd als een ongelukkige bijkomstigheid, waar volgens de bestuurder uit die tijd helemaal niemand verandering in kon aanbrengen. In onze tijd zou gereageerd zijn met ‘luiheid van denken!’, waarmee het eerste verschil tussen de middeleeuwse tijd en ons tijdsgewricht al zichtbaar is geworden. De middeleeuwen werden gekenmerkt door collectief- en gemeenschapsdenken, waarin individualisme en individueel denken in de kinderschoenen stonden, nog nauwelijks aan de orde was. Dat zal Thomas More zich bewust zijn geweest.

Daarmee is ook duidelijk dat ‘Raphaël stelt voor om de oorzaken van criminaliteit aan te pakken, hij pleit voor minder oorlog en een rechtvaardiger economisch beleid. Zijn humanistische ideeën zijn echter zo ongehoord dat hij bij niemand aanspraak vindt’, een typisch 21e-eeuwse, politieke intellectuele opvatting redeneerwijze genoemd mag worden. Waarmee een tweede verschil tussen vroeger en nu aangegeven is.

(wordt vervolgd)

[1] Herman van Gunsteren en Grahame Lock, (met medewerking van Etienne Balibar, Marius de Geus, Jaap Mels), Politieke theorieën. Samsom Uitgeverij Alphen aan den Rijn 1977, p.16

[2] ‘De Italiaanse humanisten die de term renaissance introduceerden, meenden dat na een periode van verval, de middeleeuwen, een nieuwe gouden eeuw was aangebroken, die niets minder was dan een ‘wedergeboorte’ van de verworvenheden van de klassieke oudheid. De acceptatie van renaissance als periodebegrip had niet alleen te maken met de herleving van de klassieke oudheid en de wijze waarop deze periode werd gecontrasteerd met de tijd die daaraan voorafging. De term verwijst ook naar de ‘geboorte’ van belangrijke nieuwe ontwikkelingen in deze periode, zoals de teloorgang van het feodale stelsel, de ontdekking van nieuwe continenten, het copernicaanse stelsel in de astronomie en de uitvinding of introductie in Europa van drukpers, papier, kompas en buskruit. Moderne historici zien echter op heel wat gebieden geen scherpe breuk met de middeleeuwen, en benadrukken dat er eerder sprake was van continuïteit en verdere ontwikkeling van processen die reeds in de middeleeuwen waren begonnen.

en geromantiseerde visie op de renaissance als wedergeboorte van kunsten en letteren wekt de indruk dat het een periode was van ongestoorde vrede en vooruitgang. Niets is minder waar. Zo woedde er tijdens de renaissance in Europa de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) tussen Engeland en Frankrijk, en het politieke landschap werd als gevolg van oorlogen, koninklijke huwelijkspolitiek (bijvoorbeeld de eenwording van de monarchie Spanje in 1479 onder Ferdinand II van Aragon en Isabella van Castilië), ontdekkingsreizen en grote veranderingen in handel en economie ingrijpend gewijzigd. Het was ook een tijd van gruwelijke godsdienstconflicten, die uiteindelijk zouden uitmonden in de reformatie en een verdeling van Europa in twee helften met verschillende en elkaar vijandig gezinde religies. Heksenvervolgingen bereikten een verschrikkelijk hoogtepunt tijdens de renaissance, en niet tijdens de middeleeuwen, en de Spaanse Inquisitie zorgde voor de verdrijving van alle Joden uit Spanje in 1492. Als gevolg van de ontdekkingsreizen, en met name van de kolonisatie van Afrika, floreerde ook de trans-Atlantische slavenhandel. Onder meer door deze tegenstellingen groeit onder moderne historici het inzicht dat het hele concept van een ‘renaissance’ na de ‘duistere middeleeuwen’ bijzonder problematisch is. Meer daarover in een volgend hoofdstuk over de kritiek op gebruik als historische periode.’ (bron: Wikipedia)

Advertisements