Tags

,

‘Oost-Europa voor Duitsland te duur’ (Door onze correspondent J.M. BIK, Voorpagina/NRC Handelsblad, 3 juni 1991)[

BONN, 3 JUNI [1991] Duitsland moet al zóveel geld sterken n de economische opbouw van de vroegere DDR (dit jaar ruim 100 miljard mark) dat steun voor Oosteuropese landen als Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije voorlopig vooral van andere EG-staten moet komen. (…)

[Geen link te vinden op Google, noch op NRC: http://zoeken.nrc.nl/?q=%E2%80%98Oost-Europa+voor+Duitsland+te+duur%27+]

ANGST VOOR DE MACHT; Kan Duitsland wel een normaal land worden?

Duitsland is van de ene op de andere dag een machtig land geworden. Machtig, omdat het nu niet alleen een economische zwaargewicht is, maar ook volledige politieke vrijheid van handelen heeft gekregen. Een definitief vredesverdrag om aan de Tweede Wereldoorlog een einde te maken zal er wel nooit meer komen, maar het hele netwerk van verdragen dat een diplomatieke punt achter de nieuwe werkelijkheid van 1989 heeft gezet, brengt Duitsland terug op de kaart zoals dat slechts een keer eerder, bij de Reichsgrundung van 1871 het geval was. De manier waarop dit is gebeurd is onvergelijkbaar en uniek, maar het feit dat Duitsland opnieuw in alle hevigheid wordt geconfronteerd met doel en richting is er niet geringer om. Duitsland tobt ermee en zoals altijd wordt in het debat in Duitsland dan graag met overdrijving en onheil geflirt. Wat te denken van de sociaal-democratische theoreticus Peter Glotz die schrijft: ”De Duitsers staan weer op het punt een gevaarlijk volk te worden – gevaarlijk want zonder innerlijk evenwicht”.

Ben Knapen

15 juni 1991

Zoals gezegd, Glotz overdrijft, maar tegelijk is diens mededeling in een recent essay in Die Zeit uiting van een onbehagen in en over Duitsland dat in 1991 hoogtij viert en het politieke en intellectuele debat in Duitsland praktisch obsedeert. Waar ligt de toekomst van Duitsland? Waar hoort het thuis? Welke historische wortels bieden houvast?

Dit zijn de vragen die eerst onderhoudend en academisch maar nu ietwat angstig, verontrust en verongelijkt worden gesteld.

Dat die vragen zouden komen stond vast vanaf het moment dat de Duitse eenheid in zicht kwam en het land zijn soevereiniteit terugkreeg. De economische reus die tegelijk een politieke dwerg was geweest met verwijzing naar de geamputeerde status van de Bondsrepubliek en naar de preambule uit de grondwet, werd door de val van de Muur een krachtige mogendheid. De oude afhankelijkheid van het westelijk bondgenootschap kreeg vanaf dat moment een status van vrijwilligheid die het zolang Moskou dreigde, nooit had gehad.

De nieuwe status riep vragen op, maar een acute staat van onzekerheid werd een half jaar later bereikt in de Golfoorlog.

Het nieuwe, grote Duitsland dat door president Bush amper een jaar eerder naast Amerika was verwelkomd als een (partner in leadership’, meldde zich snikkend af. Het beschouwde zich eerst als moreel superieur aan de kemphanen, voelde zich vervolgens schuldig over zoveel distantie en begon ten slotte met marken te smijten om alles en iedereen te vriend te houden: ziehier de kater van een land dat te plotseling groot was geworden en eigenlijk tegen wil en dank.

Het belangrijkste trefwoord in het Duitse debat is normaliteit. Duitsland is een normaal land geworden en dient zich zo te gedragen. t had in concreto daarom ook troepen naar de woestijn moeten sturen net als de beide andere vergelijkbaar normale landen in Europa, Frankrijk en Groot-Brittannie. Zo luidt de stelling die aanvankelijk voornamelijk door christen-democratische politici, maar later ook door diverse intellectuelen werd verdedigd. Hans-Magnus Enzensberger begon ermee in een opstel in Der Spiegel, Karl-Heinz Bohrer schoof in het politiek-culturele tijdschrift Merkur aan en zij vden navolgers.

Curieus en verwarrend hierbij is het verdwijnen van de klassieke polarisatie tussen Macht und Geist, tussen politici en intellectuelen volgens een rechts-links-schema. (In zoverre is Duitsland in januari 1991 en passant een normaal land geworden als anderen.) De traditionele naoorlogse verhoudingen waarbij de politici ertoe neigden met nieuw zelfbewustzijn te koketteren (”Wir sind wieder wer”) en intellectuelen het morele tekort van een technocratie zonder geheugen beklaagden, lijken weg te smelten onder deruk van Duitse eenheid en veranderde internationale omstandigheden. De evidente verloedering van de DDR, de malafide inslag van het regime aldaar hebben het kleed weggetrokken onder de vele Westduitse intellectuelen die ergens tussen het walgelijk-zelfgenoegzame Bonn en het dictatoriaal-socialistische Oost-Berlijn het ‘betere Duitsland’ hadden vermoed. De val van Oost-Europa heeft daarvan een fictie gemaakt. De goede, oude Westduitse Bondsrepubliek was lles bijeen genomen zo gek nog niet, zo moest omstreeks 3 oktober 1990, toen de vereniging formeel een feit werd, door menig essayist en spreker worden vastgesteld.

Wie de ontmaskering van zulke dromen en het zelfbeklag van een links-liberale radicaal als Fritz Raddatz vorig jaar ademloos heeft gevolgd, ontdekt hoe hard de klap is aangekomen voor een generatie intellectuelen, die hun bijdrage tot het nieuwe Duitsland hadden gezien in distantie tot de macht van onn en Munchen (vijandbeeld F.J. Strauss).

Terug naar de normaliteit. Duitsland is een machtig land geworden, maar kan dat eigenlijk wel? Kan, wil, moet het land de schaduw van Hitler verlaten en met welk doel? Een meerderheid van het Duitse volk geeft de voorkeur aan een ‘verzwitsering’ van het land, maar dat is nauwelijks realistisch te noemen. Het links-kritisch getinte weekblad voor lutheranen, Allgemeines Sonntagsblatt, constateerde onlangs verrassend: ”De Duitsers moetehun angst voor macht overwinnen. Ze moeten leren macht (lees: politiek) met koele distantie te benutten. Macht is op zichzelf niets verkeerds – het hangt er maar van af wat men ermee doet. Macht betekent in de geest van Max Weber, dat men de kans heeft ontwikkelingen op gang te brengen of ten minste te benvloeden.”

(Sonntagsblatt 29-3-91) Maar welke ontwikkelingen? Hier opent de Duitse publicistiek een vat vol goede bedoelingen en idealen. Duisland moet leiding geven aan een VN-brigade tegen milieuvervuiling, meent het Sonntagsblatt. Theo Sommer pleit in Die Zeit voor een Duitse rol in de wereld die geen militaire maar voornamelijk civiele trekken heeft: ”Een hardnekkig aandringen op een integratie van Oost en West, op hulp voor Oost-Europa, op het binnenvoeren van de oostelijke landen in een versterkte Europese Gemeenschap. Voortdurend aandringen op ontwapening […] De opbouw van overkoepelende veiligheidsstructuren in Europa. Een tegemoetmende GATT-politiek. Hulp voor de onderontwikkelden. Een effectieve milieupolitiek. Een wakkere zin voor de uitdagingen van de mensheid.” (Die Zeit 22-3-91) In zijn essay (Die Zeit 19-4-91) houdt Peter Glotz voor Duitse macht nou juist zijn hart vast. Angst voor de macht is goed.

”Of men duwt Japan en Duitsland de weg op van de ‘normalisering’ en dan zal vroeg of laat hun economische kracht ook een militaire uitdrukking vinden met alle gevolgen van dien voor de rangorde van de wereldmogendheden. Of men staat hun toe uit de catastrofe van de beide wereldoorlogen van deze eeuw bijzondere consequenties te trekken en hun rol zelfstandig te definieren.” In het laatste geval bepleit Glotz een bescheiden Duitsland met een slechts regionale defensie-capaciteit. Het land zal vooral technische en economische hulp geven aan achtergebleven gebieden en – ook hier weer – een leidende rol spelen in een soort internationale milieupolitie. Glotz: ”Zou de wereld me zo’n weliswaar riskant idee van een beperkte afwijking van de ‘Normaliteit’ niet veel meer gediend zijn dan met het oude denkpatroon si vis pacem, para bellum?”

Normaliteit zou namelijk vroeg of laat betekenen dat ”provinciale politici” een Duitse zetel in de Veiligheidsraad zouden opeisen in plaats van bijvoorbeeld het minder belangrijke Engeland, of een militaire rol in de wereld of een eigen atoomwapen. Voor Glotz is normaliteit gevaarlijk want ”verschijt dan op zeker moment niet ook die doortastende conservatief die de kat de bel aanbindt en openlijk uitspreekt dat het absurd is als Brazilianen, Indiers of zelfs Libiers atoomwapens krijgen, maar de Duitsers niet?”

De huidige generatie politici redeneert anders, maar dicht onder de oppervlakte ligt eenzelfde angst voor de eigen macht.

West-Duitsland heeft zich na de oorlog vastgebeten in de Westeuropese integratie en dat gebeurde niet alleen omdat met vrijandel de wederopbouw het beste was gediend. Het gebeurde ook omdat het land in het Europese ideaal een nieuwe identiteit hoopte te vinden. In geen land is zo nagedacht over het post-nationalisme als in Duitsland en in geen land heeft het enthousiasme voor de Europese Gemeenschap daarom zo lang stand gehouden. En nog – juist nu: de integratie van Europa biedt Duitsland een uitweg uit de groeiende nationale macht, biedt hoop op een structurele verzwitsering. Bondskanselier Helmut Kohl: ”Mijn taak voor Duitsland is om d trein naar de Europese Unie op de rails te zetten en in de juiste richting te laten rijden. Het tempo vind ik niet het belangrijkste, maar de gebeurtenis moet onomkeerbaar zijn, daar gaat het om.”

Bovendien biedt een federaal Europa de kans tot inkapseling van de Duitse militaire macht. Juist daarom hamert Duitsland zozeer op een veiligheidspolitieke component in het nieuwe verdrag voor een Europese politieke unie. Daarom ook is Duitsland bereid tot compromissen et Frankrijk, want als dat land afhaakt, verzuurt of in oude grandeur-Spielerei verdere frustraties oploopt, staat Duitsland naakt als een buitengewoon machtig land op een buitengewoon lastige plek in Europa.

Inkapseling door de Verenigde Staten kan geen alternatief zijn. De militaire presentie van Amerika hing samen met de Koude Oorlog en de Russische dreiging. Slechts en passant beperkte het de bewegingsvrijheid en de soevereiniteit van West-Duitsland. De NAVO van de toekomst kan die en-passant-rol net meer vervullen: de Amerikaanse troepen worden in hoog tempo uitgedund, de Sovjet-troepen gaan naar huis en de NAVO wordt een mengeling van sterfhuisconstructie en algemene levensverzekering – genoeg om Amerikaanse aanwezigheid in Europa te blijven rechtvaardigen, maar te weinig om Duitsland een toevluchtsoord genaamd Machteloosheid te garanderen.

De buitenwereld zit met hetzelfde probleem. De ironie van de geschiedenis is zelfs dat nu de Duitse kwestie is opgelost, er pas werkelijk weer een Duitse kwestie bestaat. De reacties en recepten zijn verschillend: Britten houden enige afstand, debiteren instinctief soms de gebruikelijke cliches en willen zoveel mogelijk van het oude overzicht – de NAVO voorop – redden. Frankrijk schuift eveneens wat op in Amerikaanse richting (schouder-aan-schouder in de Golf) en gokt verder op snelle Europese integratie en aldus op de inkapseling van Duitsland.

In Nederland zijn er wel meningsverschillen over de vraag of een meer of iets minder geeuropeaniseerde defensie gewenst is, maar voor beide partijen zijn de onderliggende overwegingen dezelfde. De band met Amerika in de NAVO staat centraal, adviseren de atlantici. Profiteren van de Europese gezindheid van Duitsland en zo de Duitse macht integreren, zeggen de europeanen. Voor zover zo’n meningsverschil geen cultuurdispuut is, gaat het om twee methoden die hetzelfde doel dienen: beteugeling van het nieuwe Duitsland.(P)Zo bestaat binnen en buiten Duitsland een vergelijkbare verwarring, dezelfde onzekerheid en een vergelijkbare zorg voor een onafhankelijk denkend en handelend Duitsland. Het is alsof de angst voor Duitsland als ‘verspatete Nation’ iedereen in Europa, de Duitsers voorop, inhaalt.

Niemand kan in de toekomst kijken, maar iedereen in het verleden. Of niet? Bij het begrip Normaliteit doet zich in Duitsland meteen al een existentiele spraakverwarring voor, die voor andere landen zo vreemd is en zo moeilijk te begrijpen. De meeste Europese landen zijn – voor zover mogelijk – min of meer ‘normale’ landen met een lange eigen geschiedenis, een heel pakket van vanzelfsprekendheden en eigenzinnigheden. Maar wat is normaliteit voor een land dat net verenigd is en zichzelf na Auschwitz eigenlijk ook mentaal een nationale con text had ontzegd? De geschiedenis van Duitsland is een cake-walk van conflicten waarbij het ontstaan of het voortbestaan van de Duitse natie zelf telkens een normaal onderdeel van de agenda vormde.

En dat niet alleen: er is geen land waar zo’n dialectiek tussen binnenlandse verhoudingen en buitenlandse krachten bestaat. In 1807 kan Pruisen overleven omdat Rusland op afstand moet worden gehouden, in 1848 kan een democratisch Duitsland mislukken omdat de tsaar de oude aristocratische orde tegen het vooruitstrevende nationalisme redt. De Duitse natie van Bismarck ondermijnt het concert der naties dat die hele eeuw e toon heeft aangegeven en het mag achteraf een klein wonder heten dat Duitsland in 1919 nog bestaat. De meeste Duitsers willen met dat republikeinse Duitsland van Weimar eigenlijk ook niets te maken hebben wat ten slotte uitmondt in de totale ondergang van 1945.

Een kleine halve eeuw later is Duitsland er weer – geografisch weliswaar op een andere plek dan destijds, maar toch weer terug. Of het land nu s.v.p. graag weer normaal wil worden, zo luidde het verzoek van vooral de Britten in de weken van de naderende Golfoorlog, waarbij met ‘normaal’ waarschijnlijk werd bedoeld ”net als wij”. (Even hapklaar als anglocentrisch kopte The Independent in die dagen een commentaar met de vraag: ”Waar blijft Rommel?”) De Duitse historicus die de wortels voor een nationale vanzelfsprekendheid mag opgraven staat per definitie voor een hopeloze taak. ”Eine Nation braucht Ruckhalt, doch woher nehmen?” vroeg de schrijver Botho Strauss zich in zijn betere jaren al eens af. Een aantal jaren spitten Duitse historici in het Pruisische verleden. Pruisen was weliswaar gemakshalve gelijk met nazi-Duitsland door de hele wereld verketterd, maar het bleef (en blijft) de moeite waard om Pruisische wortels te bestuderen. Al was het maar omdat daar veel meer liberale verlichting en cultuurbeschaving aanwezig zijn dan de herinnering aan de protserigheid van de laatste keizer en de Stechschritt deden vermoeden. En verder? Een serieuze bestudering van de politiek van Bismarck leidde een decennium terug al tot gefronste wenkbrauwen, want kon deze witte revolutionair het nieuwe Duitsland wel iets leren? Bovendien, had ook de nazi-geschiedschrijving Bismarck al niet schaamteloos als voorganger van Hitler uitgebuit? Weer enkele jaren later ontbrandde een Historikerstreit, toen wetenschappers het waagden totalitarisme en volkenmoord in een vergelijkende context te plaatsen om zo de dictatoriale ontsporingen van de Sovjet-Unie en Duitsland beter te begrijpen. Een rel annex verkettering van de betrokken historici volgde, want iedere vergelijking van nazi-terreur met iets anders bleek per se moreel onaanvaardbaar.

Het zijn maar een paar voorbeelden maar zij illustreren hoe snel existentiele wrijving opkomt wanneer Duitsland naar zijn wortels zoekt. De normaliteit, dat wil zeggen een regelmatige toestand, bestond eigenlijk nooit, niet tussen 1871 en 1914 en niet tussen 1919 en 1939 en daarvoor en daarna bestond Duitsland niet. Toch zijn er wel een paar constanten in de Duitse politiek en geschiedenis om een prognose te wagen over de normaliteit van het nieuwe Duitsland. Zo is in een halve eeuw Westduitse Bondsrepubliek binnenslands en mentaal afgerekend met de Duitse traditie van een nationale Sonderweg.

Die Sonderweg had in de vorige eeuw het filosofisch-ideele fundament onder het Duitse keizerrijk gevormd. Dat Duitse Rijk had zich bewust onderscheiden van het banale, commerciele Westen, waar volk, cultuur en staatsgebouw geen harmonische eenheid hadden gevormd, maar in parlementen hun groepsbelangen in gepalaver konden botvieren.

De Bondsrepubliek is nu al enkele generaties lang een van de degelijkste democratieen volgens Westers-parlementair patroon.

De democratie van de keuzevrijheid, ook in de supermarkt, is grensoverschrijdend en het sociale, economische en culturele discours in de meeste parlementaire democratieen vergelijkbaar. Natuurlijk heeft het vergrote Duitsland problemen: de psychologische belasting van de 16 miljoen nieuwe bondsrepublikeinen drukt de komende jaren zwaar op het land. Aangezien de Bondsrepubliek net als andere democratieen meer een ‘stemmingsdemocratie’ dan representatieve democratie is geworden, zodat het collectieve humeur van dag tot dag het politieke klimaat en het regeren bepaalt, vallen er in het nieuwe Duitsland behoorlijke gevoelsschommelingen te registreren. Met de voormalige DDR zal het na een paar moeilijke jaren vermoedelijk wel in orde komen. Gezien de reusachtige bedragen die in het gebied worden gepompt is het praktisch ondenkbaar dat de motor niet aanspringt en – sterker nog – over tien jaar zou de zuidelijke DDR weleens het technologische bedevaartsoord van Europa kunnen zijn. Als er nu wordt gebouwd dan zijn het immers de modernste produktie-eenheden, de modernste laboratoria, et cetera.

Ingebed in een stabiele democratie is er voorts een sterke drang naar getuigenis. Hier en daar gaat het om restanten van het klassieke ”am deutschen Wesen soll die Welt genesen”, maar minstens zo sterk bestaat bij jonge Duitsers het gevoel dat de rijkdom van het land en het Duitse verleden het land verplichten tot iets meer dan normaliteit. Het milieu als een moderne variant op het romantische Heimatgefuhl viert er hoogtij en geen schoolkrant waarin niet wordt gefantaseerd over wat Duitsland allemaal zou horete betekenen voor de wereld als redder van het ruimteschip aarde.

Ingebed in een stabiele democratie is ook een behoorlijke dosis scepsis jegens de staat. Er zijn maar weinig landen waar de privacy van de burger zo minutieus wordt bewaakt en waar de dienstweigeraar zo’n welkome deelnemer aan het sociale leven is, om een paar voorbeelden te noemen. Met andere woorden, de interne normaliteit bestaat waarschijnlijk al lang en is die van de succesrijke Bondsrepuiek.

De externe normaliteit is een ander verhaal. De belangrijkste constante van Duitsland is zijn geografische positie, zijn Mittellage tussen Oost en West. Telkens weer hebben vorsten van kleinere Duitse staatjes en hebben later ook rijkskanseliers hun weg moeten vinden tussen het oosten en het westen. Verrassing en verraad van bondgenootschappen hebben de laatste tweehonderd jaar een lang spoor getrokken. Een antenne voor het gevaar van Duitsland als zwerfkei, voor een Sonderweg, voor Alleingang[1], voor Duitse neutraliteit – het zijn constanten waarmee iedere Europese diplomaat al in zijn opleiding wordt uitgerust. Vandaar ook, zoals gezegd, de aandrang tot tempo in de Europese integratie op het moment dat Duitsland zijn volledige vrijheid van handelen heeft teruggekregen. ”Nu opschieten want anders is het misschien te laat”, zegt een vooraanstaand diplomaat van een internationale orgaatie zelfs.

Het is te laat en dat is goed, ook al knippert iedereen, Duitsland voorop, even bij de nieuwe constellatie. Het is na de revolutie van 1989 wennen en afscheid nemen van een politiek-geografisch patroon waarmee hele generaties vertrouwd zijn geraakt, dat gaat veel moeizamer en langzamer dan een revolutie zelf. Maar begrippen als Oost en West en neutraliteit beginnen met de val van het communisme te verdampen. Het Westen als politieke term voor een bepaalde staats- en cultuurvorm strekt zich nu uit tot het oosten. En wat is neutraliteit nog waard als politieke plaatsbepaling nu het Warschaupact is opgeheven en Warschau, Praag en Boedapest de Europese Gemeenschap en zelfs de NAVO binnen willen?

Vlak achter de nieuwe Duitse hoofdstad Berlijn, waar straks ook misschien het hele regeringsapparaat wordt ondergebracht, ligt Polen en is een reusachtige sociaal-economische achterstand tastbaar. Duitsland is geografisch, politiek en historisch de brug tussen die wereld en die van het welvarende Westen waar het zelf deel van uitmaakt[2]. Daar geldt ook het nationalisme als een vooruitstrevende, want anti-dictatoriale beweging en als enig functionerend bindmiddel onder de bevolking. In Oost-Europa speelt zich het centrale historische drama van onze tijd af. Zo ziet Duitsland dat en het kan niet anders of dat heeft consequenties. Duitse economie en Duitse politiek zullen zich intensief bemoeien met Oost-Europa en die bemoeienis bevat onvermijdelijk elementen van een buitenlands-politieke Sonderweg[3]. Zoals Frankrijk zich eerder met de Magreb, Engeland zich gemakkelijker met de Golf bemoeit – ieder heeft zijn eigen Sonderweg in de normaliteit.

Maar tegelijkertijd is de kwetsbaarheid en gevoeligheid van Duitsland groot. Om met zijn middelen, zijn macht en zijn ligging te kunnen woekeren, heeft Duitsland Europa nodig, dat wil zeggen de morele en psychologische legitimatie van de Europese samenspraak. Was dat niet het geval, dan had het kleine Bon inderdaad wel meteen ook een vaste zetel in de Veiligheidsraad kunnen aanvragen, want de verdeling daar is zeker na 1989 een anachronisme geworden. En was dat niet het geval, dan had het kleine Bonn inderdaad aan de kernmogendheden Frankrijk en Groot-Brittannie kunnen vragen: waarom jullie wel en wij niet? Over normaliteit gesproken.

Met of zonder integratie – het Duitse gebied lag een kleine halve eeuw aan de periferie, maar het ligt nu in het centrum.

De rest van West-Europa heeft de keuze: of Duitsland kpt het alleen op, wat geen ramp is maar alom onbehagen verspreidt, of het geschiedt via het gentegreerde Europa, wat ook geen ramp is maar alom zal duidelijk maken dat het nieuwe Duitsland een zware stem in het kapittel krijgt.

Thomas Mann had, net terug uit Amerika, na het debacle van 1945 zijn landgenoten voorgehouden: ”Duitsland moet niet Europa integreren, maar Europa Duitsland.” Die stelling is maar van relatieve waarde, want scheikundig beschouwd maakt ht voor het resultaat niets uit en politiek gesproken is er door de revolutie van 1989 en het sociaal-economische contrast tussen de linker- en de rechterburen te veel veranderd.

Duitsland is geen zwerfkei meer, maar het ligt weer waar het ligt, in het westen van Oost-Europa en in het oosten van West-Europa. Als Europa integreert dan is het om Duitsland heen. In het jongste Duits-Poolse vriendschapsverdrag staat dat Duitsland ‘(‘naar vermogen zal trachten het EG-lidmaatschap van Polen te verwezenlijken en (..) zowel bilateraal als multilateraal invloed zal aanwenden om steun voor de economische ontwikkeling van Polen te verwezenlijken”. Deze Duitse opgave is begrijpelijk, verstandig en terecht en niet vrijblijvend. Soortgelijke verplichtingen kunnen in akkoorden met andere Oosteuropese landen worden verwacht.

Als Europa integreert, is het aldus om Duitsland heen. Als Europa niet integreert, zal het zich zo graagpost-nationaal begrijpende Duitsland worden gedwongen om macht weer te verstaan in een nationale context. Dat zal gezien de geografische imperatief betekenen dat een klassieke Schaukelpolitik vereist is tussen de vele belangrijke buurlanden en de uiteenlopende belangen en stemmingen. Niemand streeft dat scenario na, maar het valt niet te ontkennen dat Schaukelpolitik met innerlijk evenwicht ook kan uitgroeien tot normaliteit.

http://www.nrc.nl/nieuws/1991/06/15/angst-voor-de-macht-kan-duitsland-wel-een-normaal-6970724-a934826

[1] Zie onderstaande correcties. Op de site: ‘Allgang’.

[2] In de tekst staat ‘itmaakt’ en dus een drukfout. Zelf gecorrigeerd naar ‘uitmaakt’.

[3] Zie 1: hier stond ‘nderweg’; uit de opvolgende zin is op te maken dat er niet hoort te staan ‘onderweg’, maar ‘Sonderweg’.

Advertisements