Tags

, ,

# Kopenhagen 1993: de lidstaten zien de willekeur van een politieke orde vol in het gezicht. Ze zeggen tegen de aspirant-leden, maar daarmee (per ongelijk?) ook tegen zichzelf: ‘Europa, dat is zoals wij zijn.’

# Uiteraard kwam hiermee niet vanzelf een einde aan pogingen de in de lucht hangende orde alsnog culturele of historische grond te geven. De discussie over Europese geschiedenis, cultuur en waarden is niet uitgedoofd [als die discussie al op gang was gekomen, maar dat is wat mij betreft de vraag, jw]. Bij elke gelegenheid waarop de gezamenlijkheid haar grondslag wijzigt, duikt de vraag weer op.

# Toen de lidstaten in de jaren 2002-2004 een nieuw verdrag ontwierpen, besprak men de historische en culturele verwijzingen die in de preambule moesten komen [bestaan hier notulen van en zo ja, waarom zijn ze niet geopenbaard voor het publiek? jw]. Wel of geen christendom, humanisme, kolonialisme, wereldoorlogen in de aanhef? De heftigste confrontatie, die zelfs Johannes Paulus II op het constitutionele toneel bracht, was die tussen staten die de christelijke grondslag of zelfs een verwijzing naar God wilden opnemen (Spanje, Polen) en staten die het seculiere karakter van de Europese politieke ruimte wilden benadrukken (Frankrijk, België). Was Europa, ja dan wel nee, een christelijke club? Deze vraag kreeg van pers en publiek meer aandacht dan menige tezelfdertijd besproken institutionele vernieuwing [logisch omdat die onderwerpen nog zo vaag en moeilijk voor te stellen waren, zo put ik uit eigen herinnering van die jaren; dat ‘bewustzijn kwam pas naar boven in de aanloop naar het referendum van 2005, jw]. Uiteindelijk vonden de lidstaten een compromisformule. Deze luidt: ‘Geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de universele waarden en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat…’. Het christendom, niet genoemd, is aldus geneutraliseerd tot godsdienstige traditie en mag zich alleen verdienstelijk maken als inspiratiebron van democratische politieke waarden [waarmee ook de scheiding van kerk en staat indirect wordt benoemd, daarnaar verwezen en terecht, jw]. Dit zinnetje sneuvelde met het grondwetsverdrag zelf, maar is in 2007 toch in het verdrag van Lissabon gestopt. Het is, als overlevende van de grondwetsepisode, een uitkristallisering van vijf jaar diplomatiek getouwtrek [nu anno 2016 zou de uitslag van een dergelijk ‘getouwtrek’ in een referendum kunnen worden neergelegd, want dat zou het publiek/electoraat erg aanspreken! jw]. De gezamenlijke regeringen blijven erbij: geen katholieke, geen christelijke, zelfs geen postchristelijke club, maar een club van Europese parlementaire democratieën [en dat indachtig het kenmerk van modern Europa: scheiding van geloof en staat! Waarmee ook iedere staatsvorm en religie/wereldbeeld gerespecteerd wordt, jw].

Om praktische redenen heb ik mijn opmerkingen en kanttekeningen in de tekst zelf geplaatst om breedsprakige betogen te kunnen vermijden.

# De komende jaren zal opnieuw een lidmaatschapskwestie het zelfbeeld bepalen [indien er na ‘Oekraïne’ en ‘Brexit’ nog nieuwe leden worden toegelaten want dat zou onverstandig zijn, jw]. Ditmaal is de islamitische democratie Turkije, dat in 1963 uitzicht op lidmaatschap kreeg en sinds 1999 officieel in de Europese wachtkamer zit, die de identiteit van de gezamenlijkheid ondervraagt.

Bij deze passage een aantal noodzakelijke kanttekeningen. Om van achteren naar voren te werken: wat betekenen de laatste twee woorden: ‘gezamenlijkheid ondervragen’? Betekent dat de gezamenlijkheid toetsen of staat er een drukfout en wordt bedoeld ‘gezamenlijkheid ondergraaft’ aangezien er voor het eerst sprake is van een ‘islamitische democratie Turkije’? Geen enkele andere lidstaat kent een dergelijk adjectief en dat lijkt ook in strijd met de waarde en traditie ‘scheiding van geloof en staat’. Ook dient de vraag gesteld te worden of de formele aanvraag van 1963, waarbij ‘uitzicht op het lidmaatschap’ werd toegezegd, onder de huidige omstandigheden nog geldig is of als geldig kan worden beschouwd. Die kunnen inmiddels achterhaald zijn, was speelden er louter en alleen geopolitieke argumenten, te weten het Nato-lidmaatschap die het ook denkbaar maakten dat datzelfde Nato-lid Turkije in één moeite door lid zou kunnen zijn van de Unie? Te allen tijde staat vooralsnog vast dat het aspirant-lidmaatschap op alle toenmalige aspecten ter discussie staat. Het lidmaatschap onder de huidige geopolitieke omstandigheden met het oprukkend islamisme werpt ook een noodzakelijke schaduw op het fenomeen islamitische democratie Turkije, maar tevens dient te worden opgemerkt dat er gunstige uitzonderingen bestaan in de vorm van islamitische democratie Tunesië, het enig geslaagde voorbeeld van de Arabische Lente.

# Wil men écht, ongeclausuleerd, een club van democratieën zijn? Net als na 1989, toen men de ex-communistische kandidaten jaren liet wachten, zijn de aarzelingen groot. Ook deze kwestie houdt de gemoederen in de publieke opinies – van Oostenrijk tot Nederland en van Frankrijk tot Polen – veel sterker bezig dan het gepriegel in de institutionele binnensfeer. De bevolkingen willen weten in welk Europa zij geacht worden zichzelf thuis te voelen.

# De ironie is dat de sterkste tegenstander van Turkse toetreding, de Franse regering, een seculiere definitie van de gezamenlijkheid voorstaat [terecht zoals ik in mijn voorgaande commentaar heb aangegeven, jw]. Terwijl sommige christendemocratische partijen (waaronder de Duitse) en regeringen op religieuze gronden geen moeite hebben hun anti-Turkse houding te rechtvaardigen, zit Parijs ideologisch klem. Het kan zich voor zijn verzet in laatste instantie alleen beroepen op de noodzaak van het trekken van een geografische grens [waarom is dat zo? Hierboven heb ik andere argumenten aangedragen, jw]. Kansloos is dat beroep echter niet [zeker wat publieke opinie vandaag de dag niet!].

# Met of zonder Turkije, de grens is bijna bereikt. De bij de stichting ingebrachte [‘ingebracht’ suggereert een persoonlijke handeling, maar wordt hier niet bedoeld ‘ontstane’? jw] spanning tussen het statengezelschap als geheel en de selecte kring van lidstaten is verminderd. Was het ten tijde van de Zes welbeschouwd potsierlijk [tenzij een onuitgesproken maar toch doelbewust ideaal!, jw] van ‘Europa’ te spreken, inmiddels behoort driekwart van de Europese staten tot de Unie, terwijl van de resterende niet-leden de helft binnen tien jaar zal toetreden [en dat is achteraf gebleken de grootste fout geweest in de uitbreiding van de Unie vanwege alle problemen die dat in de praktijk van alledag heeft opgeleverd! jw].

# Dir zal het gesprek bij het kampvuur een nieuwe wending kunnen geven. Wanneer de selecte kring samenvalt met de staten op het continent, wanneer de laatste kandidaat hetzij door de poort, hetzij definitief geweigerd is, kan de willekeur worden gedempt. De geografische grens kan dan een schijn van historische noodzaak verwerven, met een goed verhaal zoals de lidstaten sinds het einde van het Karolingische Europa van de Zes niet meer kenden. De politieke vraag wie Europeaan is en wie niet, zal van het bureaucratische register van toetredingscriteria en overgangstermijnen mogelijk terugverhuizen naar de historische en antropologische ervaringen van het continent. De ‘Duitse’ strategie kan weer uit de schaduw treden en het Europese zelf de spiegel aanreiken van een grotere ruimte, een langer verleden.

# De vijfentwintig eeuwen Europese geschiedenis zijn prima te duiden als een samenspel van krachten die bewogen richting politieke en culturele eenheid en uniformiteit (romantisering, kerstening, de verlichting) met krachten die zorgden voor verdeeldheid en diversiteit (volksverhuizingen, geloofshervorming, natievorming). Ze werkten in de moderne tijd op onvoorziene wijze op elkaar in. De uitvinding van de drukpers begeleidde in heel Europa de verdringing van het Latijn door volkstalen. De wedijver tussen vorsten en staten bracht behalve oorlogen en strijd ook imitatie en uitwisseling. Als de ene overzeese koloniën veroverde, wilde de ander dat ook; liet de ene een opera bouwen, volgde de andere snel erna. Het is dus onjuist het nationalisme louter als splijtende kracht te beschouwen. De geldingsdrang van zijn naties heeft Europa verdeeld én gelijk gemaakt (waardoor de kleine verschillen extra opvielen).

De vraag die hier wordt opgeroepen is of, en zo wel/niet, vergelijkbare statelijke ontwikkelingsprocessen zich op andere continenten hebben afgespeeld. Of anders gesteld, is het net beschrevene uniek voor Europa, of hebben deze ontwikkelingen ook elders plaatsgevonden. Feit lijkt op dit moment te zijn, waar in het citaat ‘geloofsvervorming’ als Europees kenmerk wordt genoemd, dat de Reformatie inderdaad een unieke godsdienstige revolutie kan worden genoemd, omdat de huidige schisma’s in de islamitische wereld tussen de soennieten en sjiieten direct naar het verscheiden van profeet Mohammed zijn begonnen, zo is mijn indruk als leek. Mij is onbekend of het boek van Samuel Huntington (Clash of Civilizations) hierover ook uitspraken doet; ik zal het erop naslaan!

# Over deze opgedeelde ruimte en gedeelde tijd kan het gesprek bij het nachtelijke kampvuur gaan. Als er geen niet-leden buiten de kring meer zijn, als men niet steeds over de schouder hoeft te kijken wie nog een plaatsje zoekt, dan zal men het verstrijken van de uren kunnen vergeten, starend in het vuur van het avondland. Een passage is dan voltooid. Pas dan, en niet eerder, kunnen de gezamenlijke lidstaten met overtuiging tot hun publiek zeggen, met woorden waarin behalve de politiek ook de geografie en de geschiedenis weerklinken: ‘Wij zijn Europeanen.’

Hiermee is hoofdstuk 7 in deel III afgesloten. Onderzocht zal worden welke andere hoofdstukken nog besproken gaan worden.

Advertisements