Tags

, ,

# Bij toeval was Kopenhagen ook de locatie van de volgende fundamentele identiteitspolitieke beslissing, in juni 1993 [dus ten tijde van het Verdrag van Maastricht, jw]. De sfeer was bedrukt. De kring rond het kampvuur, gestoord door jongens uit een achterbuurt die meenden ook te mogen meepraten, gunde zich geen historische verhalen meer. Dan zouden de aanwezigen namelijk eerder moeten inschikken dan hun lief was. De Twaalf zaten al ruim drie jaar in hun maag met de Midden- en Oost-Europese landen die in 1989 achter het IJzeren gordijn vandaan waren gekomen en aansluiting bij hun westelijke buren zochten. Opnieuw dwong de lidmaatschapskwestie tot nadenken over het zelf. Tot dan toe hadden de lidstaten de aspiranten in niemandsland laten wachten. De regeringsleiders hadden weinig zin minstens toen arme, verzwakte volken met hoofdsteden waarvan ze soms nog nooit hadden gehoord in hun midden op te nemen. Tegelijkertijd voelden ze dat het niet anders kon. Ze hadden het immers in hun stichtingspakket beloofd (en ook de Amerikanen drongen nogal aan). De buitenstaanders bevestigden met hun dringende appél de identiteit van de zittende kring – deze was meer dan ooit een object van bewondering en verlangen – maar dwongen de leden tevens tot een hernieuwd zelfonderzoek.

# Tegenzin en noodzaak vonden elkaar op de betreffende Top in de zogeheten ‘Kopenhagencriteria’. Het zijn de drie voorwaarden waaraan een land moet voldoen om toe te treden tot de gezamenlijkheid: stabiele democratische instellingen, een functionerende markteconomie, absorptie van tachtigduizend pagina’s Europese wetgeving. Met dit eisenpakket lopen de leiders het ene pad dat ze  twintig jaar eerder hadden aangeduid verder af en laten ze het andere links liggen.

Hier staat de paradox van de verdergaande Europese samenwerking treffend geformuleerd: de drie eisen waren de facto utopische uitgangspunten, aangezien de betrokken Midden- en Oost-Europese kandidaat-lidstaten natuurlijk niet konden voldoen aan alle drie te eisen: de eerste twee waren onhaalbaar vanwege hun communistische verleden en de ‘transitie’ naar een modern-westerse industriële markteconomie heeft een aantal decennia nodig. En het nationaal invoegen van duizenden pagina’s Europese wetgeving in de eigen politieke cultuur is een onmogelijkheid. Hier doet zich de parallel ook voor met bevolking van de oorspronkelijke Zes: die zijn even onbekend met die wetgeving als de Oost-Europese aanvragers van dat moment, maar gezien de weerstand in het heden ook dit moment. Geen wonder omdat je basisschoolleerlingen ook niet zomaar kunt  neerzetten of plaatsen in een middelbare schoolklas, waarmee je een vergelijkbare overgang kunt typeren; een fatsoenlijke ‘landing’ of ‘indaling’ in een nieuwe omgeving van de gezamenlijkheid, zoals Van Middelaar dat omschrijft, kun je vergeten. Met de wijsheid achteraf kan ook niets anders dan worden vastgesteld dat het Grondwetsreferendum in 2005 mis moest lopen. Beide lidstaten, het Franse electoraat eerst en het onze even later hebben die Grondwet afgekeurd. Zo valt politiek-psychologisch veel te verklaren van de blijvende veenbrand van dit moment.

# De Twaalf preciseren namelijk enerzijds het politieke zelfbeeld uit 1973, ‘Wij zijn een club van democratieën’. De ruwe opsomming democratische beginselen wordt vervangen door een uitputtende lijst eigenschappen, vertaalbaar in huiswerk voor aspirant-leden. Aldus wordt de open uitnodiging uit het stichtingspact (‘elke Europese staat die onze idealen deelt’) geclausuleerd. De Europeesheid van een staat is geen gegeven, ze schijnt afhankelijk van een ontwikkelingsstadium, wordt onderwerp van rapportage. Wie vanaf welk moment Europees is, wordt sinds 1993 beslist door de Europese Raad.

In zekere zin is deze ontwikkeling onvermijdelijk, omdat het om een ‘economische unie’ ging, die vanwege het aantal leden tegen een natuurlijke grens aanliep, namelijk de onzichtbare grens van de transitie van een Europese economische samenwerking, zoals de voorganger van de EU ook terecht de Europese Economische Gemeenschap (EEG) heette, naar een tussenfase van louter economische naar een meer noodzakelijk gereguleerde fase van meer economisch-politieke coördinatie. Dat ging duidelijk sluipenderwijs – organisatiekundigen moeten dat al hebben zien aankomen -, en onzichtbaar aangezien de politici en bestuurders alleen met de dagelijkse hectiek en beslommeringen bezig waren, die al hectisch genoeg waren. Zodat wederom met de wijsheid vanuit het heden kan worden vastgesteld dat de Europese Raden en de achtereenvolgende Commissies van destijds alleen maar met de utopie van een ‘machtig’ toekomstig EU-blok voor ogen doorgingen op het ingeslagen pad. Verklaarbaar dus, maar een onverstandig tijdspad, waaruit niets anders dan de toekomstige euroschuldencrisis (van 2010) kon ontstaan..

# Hiermee heeft anderzijds het, toegegeven nogal fletse, identiteitsproza van twintig jaar eerder afgedaan. De opening die de leiders hadden geboden voor Europese cultuurpolitiek, en die intussen was benut, gaat weer dicht. Daarmee wordt de retoriek van een gedeeld verleden of een gezamenlijke beschaving onderuit gehaald, een potentiele bron van publieke legitimiteit voor de Unie afgesneden, kortom, de Duitse strategie geblokkeerd. Gevolg: de Europese politiek moest zichzelf dragen. Deze stap zou best op kracht en zelfvertrouwen kunnen duiden. (vgl. God tegen Mozes: ‘Ik ben wie ik ben.’) Toch is twijfelachtig of de consequenties van deze dramatische beslissing voldoende werden doordacht. Op het moment zelf hadden het publiek noch de spelers door dat iets bijzonders gebeurde. De grote Europese kranten misten het punt; de aandacht ging uit naar wat e leiders zeiden over de werkloosheid en de economische crisis. De institutionele vakpers  pikte het evenmin op [sic]. Een decennium later werd de Kopenhaagse Top alsnog opmaat naar de oostelijke uitbreiding bejubeld, maar de identiteits-politieke omslag bleef onderbelicht.

In aanvulling op mijn hiervoor geplaatste opmerkingen kan op deze opvolgende tekst worden vastgesteld dat de communicatie[1] tussen de Europese Commissie als dagelijks bestuur enerzijds en lidstaten, alsmede aspirant-lidstaten knullig en zwaar onvoldoende was. Maar vooral de kwaliteit  van de besluitvorming binnen de Europese Commissie (‘Toch is twijfelachtig of de consequenties van deze dramatische beslissing voldoende werden doordacht’) liet – voorzover oordeelsvorming verantwoord is – zwaar te wensen over. Of dit verholpen kon worden door beter management en communicatie is twijfelachtig, want er was al sprake van chronisch geslotenheid van zowel het interne functioneren van de Commissie, als van de communicatie naar de buitenwereld; het was al een stiefkindje. Het lijkt erop dat er al een onoverbrugbare kloof was ontstaan. En de indruk ontstaat ook onvermijdelijk dat zo’n gegroeid bestuursorgaan als de Commissie ongeschikt is voor modern management. Maar ook dat is wijsheid buitenaf. De Commissie die bestaat uit politieke kopstukken die worden afgevaardigd door hun eigen regeringen, waarbij onderling op politieke gronden de taken worden verdeeld, en de vraag is of dat ooit kan uitgroeien tot een professioneel team. De kwaliteiten van zelfreflectie en zelfherstellend vermogen zijn niet te verwachten onder deze zonderling vreemde personeelsomstandigheden (zonder headhunters).

Overigens speelt hierbij ook een andere kwestie een rol: het fundamentele contrast tussen de West- en Oost-Europese cultuur, die afgelopen december uitstekend beschreven werd door Volkskrant-columnist Derk Jan Eppink in zijn analyse ‘Europa’s ziel ligt in Oost-Europa’ (http://www.volkskrant.nl/opinie/europa-s-ziel-ligt-in-oost-europa~a4204054/), waarvan alleen de titel dubieus is te noemen, want wie bepaalt waar de Europese ziel ligt? Europa’s ziel kan net zo goed in West-Europa liggen, in ieder geval de moderne Europese ziel!

(wordt vervolgd)

[1] Ook de communicatie van de Nederlandse regering liet te wensen over:

Hoofdredactioneel commentaar Financieel Dagblad onder de kop: Best bedenkelijk (26 januari 2004, auteurs Klaas Broekhuizen en Hendrik Jan van Oostrum, met als slotalinea: ‘In de notitie ‘Staat van de Unie’ over het jaar 2003 is de regering daarover [belang voor NL ‘essentieel’] ook zelf zeer uitgesproken. De uitbreiding en beleidsmatige verdieping van de Unie bieden, aldus de regering, zowel ‘economische voordelen’, als de mogelijkheid om de greep te herwinnen op grensoverschrijdende vraagstukken als asiel en migratie, milieu en veiligheid. Dat is niet ‘best belangrijk’, maar voor Nederland van vitaal belang. Wat dat betreft is dan ook sprake van een bedenkelijke, want misleidende slogan.’

En in de toenmalige Haagsche Courant het redactionele commentaar (27 januari 2004) Slappe slogan over Europa heeft alsnog effect, waar de laatste alinea als volgt luidt: ‘Met deze wetenschap [deze blog zal nog worden aangevuld] in het achterhoofd heeft het Rijk een publiekscampagne voorbereid om doelgroepen te bereiken, Europa dichter bij burgers te brengen en een website in te richten waar alle informatie voor de burger bereikbaar wordt. het Rijk verwacht veel van deze campagne. alleen trekt diezelfde overheid maar weinig geld uit voor de communicatie. Zelfs staatssecretaris Nicolai (Europese Zaken) moest toegeven dat de campagne wel erg sober is. Het Rijk heeft voor de campagne ook een logo en een slogan laten ontwerpen. Vooral het laatste illustreert de armoede van de overheidscampagne. Als het Rijk ‘het product Europa in de markt wil zetten’, zoals dat heet, dan is de leus ‘Europa. Best belangrijk’ geen goed begin. Leden van de Tweede Kamer en van het Europees parlement veegden er de vloer mee aan. Het bracht PvdA-Kamerlid Timmermans tot de verzuchting: beter geen slogan dan deze slogan. De Kamerleden hebben in principe gelijk. Met deze slagzin is de beste wijn nog niet te slijten. Maar grappig genoeg is door de slappe slagzin eren discussie losgebarsten rond het thema Europa. Waar een vreemde slogan al niet voor kan zorgen.’

Advertisements